Dit stuk van Hendrik-Jan Schoo verscheen op 13 december jl. op de opiniepagina van de Volkskrant.
Midden jaren zestig werd reclame toegelaten tot de publieke omroep. Uiteraard kwam de Ster er niet zonder slag of stoot. Er moest bijvoorbeeld een compensatiemechanisme voor kranten en tijdschriften komen, zodat ze mee konden eten uit de Ster-ruif. Een beetje zoals de slavernij in het Koninkrijk pas werd afgeschaft nadat de slavenhouders in Suriname waren afgekocht. In mijn brave PvdA-afdeling was het uiteindelijk een hamerstuk. Sociaal-democraten hebben het van nature niet zo op commercie, maar de partij zat in de regering – Cals/Vondeling – en de plannen kwamen van een bevriende minister, en dan sloten de rijen zich. Bovendien: het ging om een verandering in dienst van de status quo.
Veertig jaar geleden worstelde de politiek al net zo opzichtig met het ‘omroepdossier’ als nu. Commerciële inbrekers – REM, Veronica – werd de pas afgesneden, net als het toen nog grote en machtige Parool dat ver voor dat woord bestond al ‘multimediaal’ wilde gaan, zoals krantenbedrijf PCM nu. Zelfs struikelde een kabinet over de omroeppolitiek. De beschermheren van de omroepverenigingen, de confessionele partijen en de PvdA, zetten zich telkens schrap voor behoud van het bestel. Ondanks ‘hun’ AVRO voelden de liberalen zich daar nooit in thuis en ijverden zij voor verandering. Die rolverdeling heeft knap stand weten te houden.
Van nederlaag naar nederlaag
Een andere constante is dat die politieke protectie de publieke omroep, zoals het bestel intussen heet, niet heeft gebaat. In weerwil van alle inspanningen zijn de omroepen van nederlaag naar nederlaag gesukkeld. Een onmachtige wetgever – en Nederlandse mediabedrijven – moest gelaten toezien dat commerciëlen via het buitenland naar binnen glipten. Het resultaat van veertig jaar defensieve omroeppolitiek is dat het marktaandeel van de publieke omroep nog maar zo’n dertig procent bedraagt en de vroegere monopolist een steeds kleiner publiek bereikt.
Typisch Nederlands? De details van het bestel natuurlijk wel, maar de neergang van de publieke omroep heeft zich elders in Europa net zo goed voltrokken. Zelfs is een parallel te trekken met het gestaag afbrokkelende marktaandeel van de grote drie in de Verenigde Staten: NBC, CBS, ABC. Geen publieke omroepen, wel instituties die ooit een even onaantastbare status hadden als de publieke omroep hier.
De vergelijking met Amerika gaat ook op voor gedrukte media. Net als in grote delen van Europa gaat het er niet goed met de kranten. Oplagen lopen al langer terug, maar de laatste jaren raakte het verval in een stroomversnelling. Bij Amerikaanse kranten lopen de lezers bij bosjes weg – tot wel 10 procent per jaar –, snijden eigenaren in kosten en redacties en nemen hoofdredacteuren gedemoraliseerd ontslag. Ondanks een nog altijd goede winstgevendheid, staat het op een na grootste regionale krantenconcern in de VS, Knight Ridder, te koop. Wall Street heeft geen fiducie meer in de toekomst van kranten. Vergelijkbare vervalpercentages teisteren Nederlandse kranten, met navenante consequenties. De Telegraaf, een ‘arbeidersparadijs’ waar lang niemand de poort uitging, wisselt bijna alle buitenlandse correspondenten in voor freelancers.
Ontlezing verklaart lang niet alles
De neergang komt misschien ten dele doordat kranten verkeerde dingen doen door de druk waaronder ze staan. Ze vernieuwen met onvaste hand en streven geforceerd naar verjonging. Maar Amerikaanse kranten die tegen de klippen op in kwaliteit en personeel investeren, verliezen evengoed lezers. Daar kan het ’m dus niet alleen in zitten. Bovendien is niet vol te houden dat de kranten van vandaag slechter zijn dan die van gisteren. Integendeel, eerder zijn ze nu té goed en daardoor vooral afgestemd op de bovenlaag van de bevolking. Ontlezing verklaart lang niet alles. Gratis ov-kranten als Sp!ts en Metro worden wél gelezen.
Nationale verschillen in het medialandschap – advertentiemarkt, de verhouding tussen nationale en lokale/regionale media, tempo van ontlezing, opzet van de publieke omroep, mate van commercialisering en technologische innovatie – kleuren de Big Picture overal net iets anders in, maar de trend is onmiskenbaar: het tijdperk van de massamedia komt tot een einde. Het ‘gevangen gehoor’, captive audience, van weleer is uit zijn ketenen bevrijd door een exploderend aanbod van media en mediatypen.
Heel simpel: zolang Nederland slechts één publieke tv-zender had, keek iedereen ernaar. Dat was nog eens marktaandeel! Niet per se door de kwaliteit van het gebodene, maar bij gebrek aan keuze. Met lezen was het niet anders. Boeken, kranten en tijdschriften werden ‘verslonden’ omdat zoveel andere verleidelijke activiteiten er nog niet waren. Nu kun je ook internetten, eindeloos voetbal kijken, zappen, een dvd’tje opzetten, gamen, uit eten gaan – om maar een paar onderhoudende dingen te noemen. Legden De Lach en Bartje al het loodje bij dat ene net, inmiddels gaan bijna alle traditionele media gebukt onder de heersende democratie van voorkeuren.
Populistisch keffende TROS verstomd
Daardoor valt de klassieke ‘ongedeelde’ openbaarheid, steunbeer van de democratie, in talloze stukjes uiteen. Oude levensbeschouwelijke scheidslijnen zijn vervaagd en langs de lijnen van leeftijd, stijl, smaak, belangstelling, sekse, opleiding en inkomen ontstaat een nieuw, onoverzichtelijk mozaïek van deelpubliekjes. Tallozen gebruiken de nieuwe vrijheid om helemaal geen kranten meer te lezen of zelfs maar naar het nieuws te kijken of luisteren. De publieke kijker vergrijst met het jaar omdat vooral jongeren niet weten hoe snel zij moeten doorzappen als een publieke zender in beeld komt.
De consequenties van de ‘ontketening’ en ‘ontbundeling’ van het publiek en de ‘balkanisering’ van de openbaarheid zijn immens. Nog maar net bereikte schaalvoordelen dreigen door de overgang van broadcasting naar narrowcasting teloor te gaan en veranderen de economie van het mediabedrijf ingrijpend. Hele steden en regio’s zitten straks waarschijnlijk zonder eigen krant – met ongewisse gevolgen voor de lokale democratie. Ook sommige politiek-maatschappelijke voorkeuren worden door krant en (publieke) omroep niet meer bediend. Het oorspronkelijk nationaal-liberale, zeg maar rechtse, AVRO-geluid of het licht populistische keffen van de oude TROS is geheel verstomd, terwijl KRO en NCRV hun stugge wortels loochenen met malle emotie-tv. Het is een van de raadselen van het in naam nog altijd pluriforme bestel. In werkelijkheid heerst daar het conformisme van de journalistieke professie, die er zo haar eigen ideële – om niet te zeggen: ideologische – voorkeuren op nahoudt.
Het trouweloze publiek
De oude bijna-monopolisten, die voormalige cipiers van het ‘gevangen gehoor’, reageren verongelijkt op de nieuwe verhoudingen. Aan hun fraaie spullen – kranten, programma’s – mankeert eigenlijk niets, het probleem zijn de onbenullige kijkers, luisteraars en lezers die er ten onrechte niet naar talen. Ressentiment jegens het trouweloze publiek lag ook dicht onder de oppervlakte van het recente omroepprotest. Het publiek, dat zijn de anderen met hun ‘dictatuur van de kijkcijfers’.
Door meer geld van de overheid te eisen, definieerden de in het nauw gedreven tv-makers zichzelf en hun programma’s als ‘bemoeigoed’: onmisbaar, al zijn er nauwelijks nog afnemers voor. Maar publieke omroep zonder noemenswaardig publiek is een parodie en reduceert de miskende programmamakers tot stokers op een elektrische trein. Daarmee scharen zij zich in de rijen van de moderniseringsverliezers, notabele ‘slachtoffers’ van de populaire cultuur waarin zij zich blijkbaar niet weten te handhaven.
Molière wist al dat succes een teken van kwaliteit is (wat niet inhoudt dat wat succesvol is altijd kwaliteit heeft). Maar succes, vooral populair succes, staat in een kwade reuk. Toen de energieke directeur van Het Volk die voorheen ‘begrepen noch gelezen’ partijkrant voor de oorlog tot grote bloei bracht door hem af te stemmen op de behoeften, verlangens en aspiraties van zijn lezers, stuitte hij ook op die afkeer. Het succes maakte hem verdacht en op elk congres van de SDAP werd weer gezanikt over de commerciële inslag, sensatiezucht en vulgariteit van zijn krant.
Die sentimenten zijn nog springlevend, zeker bij de ‘anticommerciële’ generatie van ’60 en haar Nachwuchs die het denken in Hilversumse en journalistieke kring sterk bepalen. Je kunt ook zeggen dat men volhardt in de angstvallige nederlagenstrategie waarvoor gevestigde media kozen toen de ontzuiling zich begon af te tekenen. Maar ook voor Hilversum geldt uiteindelijk, naar een woord van Bram de Swaan, dat als links elitair gaat vinden wat rechts altijd al onzin vond, het is gebeurd met de koopman. De wereld draait door.