Journalistiek, Nieuwe Media & Samenleving

Het is vanaf deze afstand – het op dit moment zonnige en ondergesneeuwde Bloomington, Indiana (VSt) – zowel eenvoudig als lastig de interessante debatten in Nederland over de ‘toekomst’ van de journalistiek te volgen. Aangezien ik niet aan de peiling van DNR meedeed, hierbij mijn paar centen, met daarbij de erkenning dat het altijd makkelijk scoren is nadat de scheidsrechter afgefloten heeft.

Het gesprek en de visievorming over de journalistiek in de context van ‘nieuwe’ media en een veranderende (individualiserende en globaliserende) samenleving is boeiend en kent twee bijna onvermijdelijke valkuilen (welke door zo’n beetje alle experts niet vermeden worden):

Valkuil 1. De journalistiek is het enige beroep dat in staat is de samenleving van relevante en pluriforme informatie te voorzien.
Valkuil 2. De ontwikkelingen en trends in nieuwe media en samenleving leiden tot een nieuw medialandschap en een nieuw soort business model dat we nu nog niet helemaal kunnen bevatten.

Tja. Allebei de arguementen zijn wellicht noodzakelijk in een debat over journalistiek en nieuwe media, maar houden geen rekening met wat er ‘werkelijk’ aan de hand is in de manier waarop mensen op dit moment met media omgaan. Geert Lovink doet een aardige gooi, maar zijn wilde aanval op de journalistiek lijkt vooral de functie te hebben de scheidslijn tussen wat journalistiek is (een beroep) en wat mensen met media doen, in stand te houden.

Blanke mannen van middelbare leeftijd

Het kernprobleem van valkuil een is, zoals ik eerder mocht posten op de weblog van Henk Blanken - dat journalistiek als beroep een buitengewoon ‘enge’ definitie is van de redactionele functie in de maatschappij. De kerncompententies van de professionele journalistiek zijn tenslotte tot overlevingsvaardigheden verheven in onze ‘kenniseconomie’ dan wel ‘informatiesamenleving’. Met andere woorden: als u het vergaren, selecteren, bewerken en verder verspreiden van informatie (als in een combinatie van beeld, geluid en tekst) niet behoorlijk onder de knie hebt, kunt u het wel schudden in de 21ste eeuw. Om dit soort capaciteiten min of meer uitsluitend toe te schrijven aan een groep overwegend blanke mannen van middelbare leeftijd is op z’n zachtst gezegd opmerkelijk en op z’n scherpst gevaarlijk naïef. We moeten met andere woorden naar een veel democratischer/holistischer/completer/wat-u-maar-wilt begrip van ‘journalistiek’ toe, waarin de huidige beroepsmatige journalisten hun nobele werk uitoefenen naast – of nog liever: samen met – de consumenten en burgers waarvoor hun werk bedoeld is. De vraag of hier geld mee te verdienen valt lijkt praktisch, maar is grappig genoeg juist theoretisch: het gaat uit van een wereldbeeld waarin aan de journalistiek slechts door een partij – de gevestigde bedrijfstak der media – economisch nut mag worden gewonnen, terwijl een ‘vrije’ wereldeconomie juist veel meer gediend is met open concurrentie door eenieder die zich daartoe geroepen voelt.

Valkuil nummer twee is zo mogelijk nog dieper en vereist een herbezinning van de manier waarop we met z’n allen over ‘verandering’ praten. We hebben nogal de neiging om te denken dat we vandaag de dag in een soort van stroomversnelling zijn geraakt, waarbij de ene verandering nog niet uitgekristalleerd is of de volgende tien veranderingen zijn al weer voorbij. Zo’n houding komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de haast waarmee allerlei ‘experts’ bepaalde media-genieke gebeurtenissen (van de moorden op Fortuyn en Van Gogh en 9-11 tot eerder de Tweede Wereldoorlog of de Vietnam-oorlog) uitroepen tot ‘keerpunten’ in de wereldgeschiedenis. Een dergelijke respons draagt bij aan onze overschatting van de aard en het type verandering dat in dit soort heftige gebeurtenissen tot uitdrukking komt. Zo ook onze reacties op Internet, iPod, weblogs en podcasts. Nieuwe media zijn hooguit de aanjagers van brede en bestaande maatschappelijke ontwikkelingen en veroorzaken op zichzelf geen (grote) veranderingen of verschuivingen. Het feit dat steeds minder mensen gebruik maken van professionele nieuwsmedia is een ontwikkeling die al in de jaren tachtig van de 20ste eeuw inzette en door het Web wellicht wat versneld is.

Alles en iedereen doet journalistiek

Hiermee wil ik niet zeggen dat er niets verandert. Wat ik juist wil beargumenteren, is dat we verandering als permanente status quo moeten zien. Het is niet de vraag welke nieuwe aanpak de journalistiek gaat redden, dan wel welk nieuw model de uitgevers en omroepen uiteindelijk voor (moeten) kiezen om de wilde wateren van convergentie en fragmentatie weer tot bedaren te brengen! Het is juist de vraag, wat de media-industrie doet om te accepteren dat er nooit meer zoiets zal zijn als een ‘vast’ publiek, dat op een ‘vaste’ tijd een voor iedereen (min of meer) hetzelfde ‘produkt’ consumeert. Media zijn dermate doorgedrongen in het dagelijkse leven van elke Nederlander (of Amerikaan, bijvoorbeeld), dat het niet meer zoveel zin heeft om uitsluitend naar beroepsmatige mediamakers te kijken als we een antwoord willen vinden op de vraag: waarheen? De complexiteit en oncontroleerbaarheid van de nieuwe media ecologie is de nieuwe constante.

Er is geen journalistiek (alles en iedereen is en doet journalistiek). Er is geen definitief zakenmodel of journalistieke werkwijze (alle mogelijke modellen en praktijken bestaan naast en door elkaar). De kernwoorden die de al dan niet ‘nieuwe’ mediawereld het beste duiden zijn: onzekerheid, verandering, onvoorspelbaarheid; ofwel, wat de toekomst van de media en daarmee de journalistiek op structurele wijze bepaalt, is de idee van (permanente) revolutie. Voor de macro-visie op journalistiek, nieuwe media en samenleving betekent dit dat er in grote lijnen weinig aan veranderingen te observeren valt: er zullen altijd wel wat mensen een krantje willen lezen, er zijn zeker nog wel wat mensen die het televisiejournaal volgen op de tijd dat het uitgezonden wordt, en hier en daar klikken mensen nog wel eens op een link naar een nieuwssite van een uitgever, omroep of internetbedrijf, en heel wat mensen zullen een weblogje zo nu en dan verrijken met een post of twee. Voor een micro-visie wil dit alles zeggen dat we journalisten (dat wil zeggen: iedereen) moeten aanleren met elkaar zoveel mogelijk te doen om zo mooi, opwindend, pluriform en spannend mogelijke informatie samen te maken, te verzamelen, te herbewerken en aan iedereen door te sturen en daarbij tegelijkertijd een voortdurende discussie over te voeren. Deze discussie is – in de woorden van de Amerikaanse hoogleraar James Carey – het gesprek dat de samenleving met zichzelf heeft. Dat is (en was altijd) de enige publieke sfeer die werkelijk relevant is voor de gemiddelde wereldburger.

Als ik een journalist, (hoofd-) redacteur, uitgever of omroepbaas was, zou ik erg opgewonden zijn over de eindeloze creatieve mogelijkheden die de (nieuwe) media-omgeving biedt. Dat daarin nauwelijks nog een rol is voor het aloude ‘wij bepalen wat goed voor u is’-credo van media professionals, is naar mijn mening een bevrijdende vaststelling.

Ter zelfduiding en -legitimering, meer informatie over mijn werk op het gebied van journalistiek en nieuwe media is te vinden bij mijn twee werkgevers: Universiteit Leiden (deeltijd) en Indiana University (voltijd), en op mijn weblog.

Eén reactie

  1. Pingback: Voorlopige literatuurlijst at Jaap Stronks

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>