Buitenlandse kranten als de Rheinische Post, Le Monde en The Guardian boeken vorderingen met het op niveau houden van weblogs, posts en commentaren, zo blijkt uit een rondgang. Valt daar iets van te leren?
Op de website van de Nieuwe Reporter en in de (papieren en digitale) pagina’s van de Volkskrant, woedt een discussie over het al dan niet hanteren van toelatingseisen op de weblog van de Volkskrant. ‘De weblogsite van de Volkskrant lijkt wel de prullenbak van de rubriek voor ingezonden brieven’, schrijft Herbert Blankesteijn, journalist Nieuwe Media, op de forumpagina van de Volkskrant van 13 januari. ‘Al was het maar om die ene reden: geen krant zal een brief afdrukken zonder naam en woonplaats van de afzender, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen.’ Moderator Geert-Jan Bogaerts verdedigt de vrije toegang, ook van anonieme bloggers: ‘We kozen ervoor het open te gooien. Daarmee stellen we ons kwetsbaar op: als het tegenzit, geef je ruim baan aan een hele stoet dwazen en zotten. Als het meezit, werkt zo’n maatregel als het openzetten van de ramen na een lange donkere winter.’
Ook in het buitenland experimenteren kranten met weblogs op hun website. Sommige laten enkel journalisten op de weblog schrijven, andere stellen ‘het domein van de lezer’ open voor iedereen. Bij sommige gebruiken de schrijvende lezers voorbeeldig taalgebruik, andere moeten radicaal ingrijpen om niet overspoeld te worden door scheldtirades. Hoe meer toelatingseisen worden gesteld aan de participerende lezers, hoe beter vervelende lezersbijdragen vermeden kunnen worden, lijkt het op het eerste gezicht. Of spelen er toch nog meer factoren?
Rheinische Post
In Duitsland vierde de weblog Opinio van de Rheinische Post onlangs de publicatie van zijn 10.000ste artikel. Die 10.000 artikelen kwamen er quasi probleemloos. ‘Opinio bestaat nu meer dan een jaar,’ zegt een moderator, die zijn naam liever niet in de publiciteit wil. ‘We hebben 1700 aanmeldingen gekregen, waarvan we er drie of vier geweigerd hebben, omdat de opgegeven e-mailadressen vals waren.’ Wie wil participeren op de weblog Opinio, moet zich immers registreren met een naam en een geldig e-mailadres. ‘Per week krijgen we zo’n 250 artikelen binnen, waarvan we er gemiddeld één of twee moeten deleten’, vervolgt de moderator. De gedelete artikelen krijgen de lezers van Opinio nooit te zien, want de artikelen worden pas na goedkeuring van de moderatoren online geplaatst. ‘Een staf van acht mensen (die ook nog andere redactionele taken hebben) leest van 9 uur ‘s ochtends tot 11 uur ‘s avonds de artikelen. Dat gaat heel snel. Binnen de 20 minuten staan ze op de website.’
Met zo’n scherpe controle heeft het weinig zin beledigende teksten naar Opinio te sturen. Bovendien verschijnt wekelijks een selectie van de artikelen van de weblog in de papieren krant, en komen de beste artikelen in het maandelijkse Opinio Magazine. Die nauwe samenwerking met de papieren krant verleent de weblog Opinio een serieus imago. ‘Mensen weten dat ze naar ons geen tekstjes van drie regels moeten zenden: ik haat Bush, of ik vind de bondskanselier een eikel, of zo’, zegt de moderator. ‘We vragen de mensen om echte, lange artikelen te schrijven over hun persoonlijke ervaringen.’
Commentaren op de artikelen worden niet vooraf gecontroleerd, maar ook daar ondervindt de staf van Opinio weinig problemen. ‘Je kan stellen dat van de 600 à 900 commentaren die per week komen, er één of twee gewist worden’, aldus de moderator. Hij wijt dat aan de kleinschaligheid. ‘De meeste mensen, vooral mensen die veel schrijven, kennen elkaar. De weblog is niet anoniem van karakter.’
Le Monde
De weblog van de Franse krant Le Monde lijkt meer op de Nederlandse Volkskrant-weblog: veel bloggers (meer dan 4000), wier artikelen vóór publicatie niet gecontroleerd worden. Het grote verschil is dat alleen de 70.000 abonnees van de website ‘Monde.fr’ (6 euro per maand) het recht hebben om een weblog te starten. ‘Door die financiële bijdrage zijn bloggers minder geneigd teksten te plaatsen die tegen ons handvest ingaan,’ zegt woordvoerder Joachim Mizigar. Wie een abonnement betaalt, kan bovendien niet anoniem blijven.
Het handvest, waarover Mizigar het heeft, moet door elke blogger ondertekend worden. Daarmee verplicht hij zich ertoe in zijn weblog ‘niet tegen de goede zeden, de publieke orde of tegen de wet in te gaan’. Verder mag hij ook geen ‘lasterlijke, smadelijke, obscene of beledigende teksten’ schrijven, ‘niet aanzetten tot geweld’ en geen ‘racistische of xenofobe, pornografische, pedofiele, revisionistische of negationistische teksten plaatsen’.
In het handvest wordt meerdere keren vermeld dat de abonnee, die de weblog bijhoudt, verantwoordelijk is voor de inhoud: ‘Het hoort tot de taken van elke abonnee om de inhoud van zijn weblog, en met name de commentaren die surfers aan die teksten kunnen toevoegen, te controleren en indien nodig te censureren.’ Een ploeg van vijf moderatoren controleert of er inderdaad geen ongewenste teksten en commentaren op de weblogs staan, bijgestaan door een computerprogramma dat ‘verdachte’ woorden meldt. Het resultaat van dit pakket aan toelatingseisen: de moderatoren moeten bij één à twee problemen per maand ingrijpen, en in één jaar tijd hebben vijf weblogs hun deuren moeten sluiten.
The Guardian
De weblog van The Guardian, die sinds de tweede helft van 2004 bestaat, loopt het minste risico dat er onwelvoeglijke teksten in verschijnen, want enkel journalisten van The Guardian kunnen er bloggen. ‘Er zijn genoeg services die het onze lezers mogelijk maken om een weblog te maken’, zegt moderator Neil McIntosh van The Guardian. ‘Als onze lezers iets fantastisch schrijven op hun eigen weblog, dan zullen wij op onze weblog wel een link plaatsen. Dat is meer onze rol als krant.’
De commentaren kunnen door iedereen – zelfs zonder enige registratie – worden geschreven. ‘Tussen de 103.000 reacties die we tot nu toe hebben gehad, zaten reacties van betrekkelijk laag niveau’, zegt McIntosh. ‘Maar dat is slechts een minderheid van alle reacties.’ Toch geeft McIntosh toe dat er in Groot-Britannië discussie bestaat over de inhoud van de reacties. ‘Onze lijn ligt bij racisme, homofobie. Zulke commentaren deleten we zonder nadenken. En bij dreigementen geven we een IP-ban. Maar vloeken, daar kunnen we mee leven. Veel mensen zijn het daar niet mee eens, en hebben een probleem met het taalgebruik. Maar daar gaan we niet op in.’
De normen van The Guardian – vloeken mag, ander ‘materiaal dat opzettelijk bedoeld is om andere lezers te choqueren’ niet – worden maar zelden overschreden. Dat komt volgens Neil McIntosh door het controlesysteem: de bloggende journalisten kijken zelf de reacties op hun weblog na, onder elke reacties staat de link ‘ offensive? unsuitable? report this comment’, en twee moderatoren controleren ‘heel agressief’. McIntosh: ‘Een ongepaste reactie wordt al na een paar seconden of minuten gedeletet.’ Toch denkt de moderator erover om een verplichte registratie in te voeren voor wie wil reageren. ‘Er is nu nog geen probleem met de reacties maar het kan er wel één worden. Het aantal reacties is snel aan het groeien – we zitten nu aan 300 per dag – en dan wordt het moeilijk bij te houden. Een registratie kan het aantal reacties verlagen, en het niveau ervan verhogen.’
De Washington Post
McIntosh zou wel eens gelijk kunnen hebben dat de groei van de weblog voor meer problemen zorgt. De Washington Post, goed voor zes miljoen online bezoekers per maand, mocht het vorige week ervaren. De reacties op één van de weblogs van de Post, over de corrupte lobbyist Jack Abramoff, stonden vol ‘persoonlijke aanvallen, scheldwoorden en hate speech’, in de woorden van de hoofdredacteur internet Jim Brady. ‘Lezers merkten daar niet veel van, omdat we ze telkens zo snel mogelijk verwijderden’, schrijft Brady op 19 januari op de weblog. ‘Maar we moesten zoveel reacties deleten, dat het een volledige dagtaak voor twee mensen was geworden.’ Reden voor de Washington Post om de commentaar-functie op deze weblog af te sluiten, ‘tot we een betere manier gevonden hebben om de commentaren clean te houden’.
Dat de Washington Post meer problemen heeft met zijn weblog dan de Rheinische Post en Le Monde is niet verbazingwekkend. De Rheinische Post registreert de deelnemers, controleert alle artikelen vooraf, en publiceert bovendien een selectie van de weblogartikelen in de papieren krant. Le Monde laat alleen de betalende (en dus niet-anonieme) abonnees toe op zijn weblog. Die toelatingseisen creëren een grotere drempel voor lezers om iets te schrijven dan bij de Washington Post, waar iedereen zomaar een anoniem commentaar kan neerkladden. Bovendien verlenen de toelatingseisen de weblogs een zekere sérieux: wie wil deelnemen, moet er iets voor over hebben.
De toelatingseisen van de Washington Post verschillen echter nauwelijks van die van The Guardian, en toch vormt het niveau van de reacties bij de Washington Post een probleem, en bij The Guardian niet. Dit bevestigt het vermoeden van Neil McIntosh van The Guardian: de weblog onbeperkt openstellen, en achteraf aanstootgevende teksten verwijderen en de auteurs ervan eventueel uitsluiten, is enkel haalbaar zolang de weblog kleinschalig is.
2 reacties