De journalistieke trots overleeft. Als wij er zelf voor vechten

Wat moet er gebeuren om de Nederlandse journalistiek intact te houden? Deze week publiceert De Nieuwe Reporter daarover twee betogen. Vandaag het eerste, afkomstig van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Journalist, dat is een vak om trots op te zijn.
Maar op sombere momenten denk ik dat het de treurige trots is van een ambachtsman op vakmanschap waar niemand nog om maalt.
Er is reden voor zulke somberheid.
Als aasgieren zwermen de betweters boven mijn professie. De journalistiek is ten dode opgeschreven, want iedereen is zijn eigen journalist, profeteert ondermeer mediawatcher Mark Deuze. Van alle kanten worden journalisten bovendien bedolven onder goede raad van communicatiewetenschappers en andere buitenstaanders. Positief nieuws, dat is wat lezers, luisteraars en kijkers willen! Weg met dor feitenonderzoek, leve het ooggetuigenverslag! Digitaal, dat is het toverwoord – al overziet nog niemand waar die digitale toekomst precies naartoe leidt.

Koester ik mijzelf, met mijn beroepstrots, in een voltooid verleden? Ben ik mijnwerker in een tijd dat er aardgas wordt gevonden?
Ik geloof er niets van.

Interessant nieuwtje: ik lees op een website dat ik mij, als voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, door het Telegraafconcern heb laten trakteren op een gratis vakantie op de Antillen.
Dankzij het internet beginnen het gerucht, de mythevorming, de vaag gefundeerde angst voor bedreigingen vanuit een boze buitenwereld weer net zo’n rol te spelen als in ver voorbije eeuwen, toen betrouwbare informatie peperduur was en daardoor alleen beschikbaar voor een kleine klasse van heersers en handelaren.
Gelukkig herhaalt de geschiedenis zichzelf nooit.
De paradox van de informatiemaatschappij is dat informatie zo overvloedig beschikbaar is, dat er op korte termijn groeiende behoefte zal ontstaan aan vakmensen om rook, vuur, kaf, koren, bomen en bos te onderscheiden.

Gevaarlijk cynisme

Met het in stand houden en verder ontwikkelen van journalistieke vakkennis is dan ook een groot maatschappelijk belang gemoeid. De dood van kwaliteitsjournalistiek in de traditionele betekenis – onafhankelijk, op het vinden van de waarheid gericht onderzoek om zo een breed publiek te kunnen informeren – zou onherroepelijk leiden tot ontwrichting van de democratische samenleving. De Irakoorlog bewees nog eens opnieuw hoe makkelijk een samenleving waarin de ideologie met de feiten op de loop gaat gemanipuleerd kan worden. En het gebrek aan onafhankelijke informatie over Uruzgan, omdat daar behalve de alom aanwezige Arnold Karskens van Nieuwe Revu geen Nederlandse verslaggever poolshoogte is gaan nemen, maakt de volksvertegenwoordiging afhankelijk van oncontroleerbare inlichtingenrapporten en maakt het voor de kiezers onmogelijk om een gefundeerd oordeel over de uitzending van militairen te vormen.

Het succes van Metro, dat door een in verhouding tot betaalde dagbladen piepkleine redactie wordt volgeschreven en niettemin vele honderdduizenden lezers bereikt, is benijdenswaardig, lovenswaardig en leerzaam. Maar het is onzin om daaruit, zoals de hoofdredacteur van Metro recent deed, de les te trekken dat dagbladen dus maar de helft van hun redactie naar huis moeten sturen of, beter nog, de handdoek in de ring moeten gooien. Jammer maar helaas: consumenten zijn niet meer geïnteresseerd in kwaliteit, ze hebben nu eenmaal liever frikadel dan biefstuk.

Ik vind dat gevaarlijk cynisme. Koren op de molen van een visieloze overheid die een mediabeleid voert waarin dagbladen nauwelijks lijken te bestaan, radio vergeten wordt, het televisiedebat gemarginaliseerd dreigt te worden tot een discussie over reclame-inkomsten en de digitale wereld grotendeels terra incognita blijft. Pleidooien voor, bijvoorbeeld, een BTW 0-tarief voor dagbladen of andere fiscale maatregelen om de pers te steunen, subsidie voor innovatieprojecten en verruiming van mogelijkheden voor multimediale activiteiten blijken tot nu toe aan dovemansoren gericht.

In gesprekken met uitgevers die ik voer als voorzitter van de NVJ, komt na een minuut of tien steevast het conservatisme van journalisten ter sprake. Daar loopt, volgens hen, iedere innovatiepoging op stuk! Het is een makkelijk verwijt uit de mond van ondernemers die zelf te laat tot zich hebben laten doordringen welke revolutie zich binnen hun branche voltrekt (en die recent nog weigerden mee te werken in een door de NVJ geïnitieerd innovatieplatform).
Maar helemaal onterecht is het verwijt niet.
In reactie op reorganisaties, op media-bashing door kabinetsleden (Balkenende, Remkes, Donner, ja wie in Den Haag heeft de afgelopen jaren de pers eigenlijk niét verweten dat de berichtgeving te negatief, te hijgerig, te onbetrouwbaar, te bevooroordeeld was), op wetenschappers die het journalistieke vak een snelle dood voorspellen, op welgemeende maar helaas onnavolgbare adviezen van een heel scala aan mediadeskundigen en andere profeten, heeft bij veel van mijn vakgenoten de verstarring toegeslagen.

Voor mijn generatie, die nog altijd een zwaar stempel drukt op het ambacht en die is opgegroeid met lood, telexen en treinbrieven, gaan veel ontwikkelingen bovendien wel heel erg snel. Te vaak koesteren we ons in nostalgische anecdotes over een veilig verleden om ons af te schermen voor de toekomst. Ik zag het bij mijn collega’s bij de publieke omroep, ik heb het als NVJ-voorzitter ook gezien bij de dagbladen: ondanks talloze tekens aan de wand weigerden journalisten vaak te lang om de consequenties onder ogen te zien van dalende oplages, teruglopende kijkcijfers bij de publieke omroep (met de luistercijfers viel het daar nog mee, maar radio wordt helaas meegezogen in het zog van de televisie). Fusies, reorganisaties, nieuwe netindelingen – het is veel journalisten vooral overkomen. Een irrationeel geloof dat de zondvloed ons niet zou overspoelen bleef overheersen, zelfs toen we al tot onze nek in het water stonden. Redacties hebben te laat en te halfslachtig geprobeerd zélf invloed uit te oefenen. En als ze al in actie kwamen, was dat meestal alleen gericht op beperking van de directe schade.

Ook innovatieve taak voor NVJ

En de NVJ? Heeft die dan gefaald?
De NVJ is behalve vakvereniging ook beroepsvereniging. Dat is een boeiende maar ook riskante combinatie. De NVJ houdt zich bezig met salarissen, onregelmatigheidstoeslagen, fatsoenlijke afvloeiingsregelingen. En óók met de ontwikkeling van het journalistieke vak.
De vakbondstaak is bijna steeds een behoudende: bescherming van de individuele belangen van de leden.
De tweede, innovatieve taak vraagt om durf, om de bereidheid belangen op korte termijn opzij te zetten om ruimte te scheppen voor de toekomst.
De ene taak kan de andere in de weg zitten. En dat kan leden kosten.

Het accent is bij de NVJ de laatste jaren sterk op het vakbondswerk komen te liggen. Begrijpelijk en ook terecht: er zijn vele honderden journalistieke banen verloren gegaan en het is de plicht van een vakvereniging de directe belangen van de leden te beschermen.
Maar op den duur is het een dood spoor als de NVJ zich daartoe zou beperken. Dat blijft een gevecht van handarbeiders tegen de komst van de stoommachine.

Dat wordt ook erkend door de NVJ. Daarom publiceert de vakorganisatie, zoals zij dat altijd al gedaan heeft, discussienota’s over de toekomst (‘Hoe verder met de journalistiek?’) en organiseert zij bijeenkomsten om het journalistieke debat gaande te houden. Met uitgevers, omroepdirecties en hoofdredacteuren wordt gedelibereerd over mogelijkheden om de journalistiek een nieuw élan te geven, met opleidingen wordt overleg gevoerd over de eisen waaraan de Nieuwe Journalist zou moeten voldoen.
En toch worden de stemmen van negenduizend NVJ-leden (de organisatiegraad onder journalisten is gelukkig onveranderd hoog in Nederland) niet genoeg gehoord, omdat die niet voldoende verheven worden.
Als wij, individuele journalisten, niet achter de ontwikkelingen in ons eigen vak aan willen blijven hobbelen, zullen we juist in deze magere jaren vaker en luider onze mond moeten roeren over de toekomst van ons vak. We mogen die discussie niet overlaten aan goeroes en piskijkers en zelf alleen in het geweer komen voor behoorlijke afvloeiingsregelingen. De journalistiek overleeft wel. Maar de trots van journalisten overleeft alleen als wij daar zelf voor vechten.

17 reacties

  1. Gerard Smit schreef op 31 januari 2006 om 09:24

    Nut en Nadeel van de Geschiedenis
    Kees, Buiten je oproep om als journalist te vechten waar je voor staat, mis ik in je stuk de vitaliteit die daarvoor nodig is. Waarom zouden we ons verongelijkt moeten afzetten tegen ondernemers, communicatiewetenschappers, ministers en Metro hoofdredacteuren? Inspireer de nieuwe generatie journalisten met verhalen over excellente journalistiek. Hoe hebben die mooie verhalen, van jou en anderen, de democratie, toen en nu, verder geholpen? Hoe gaan we het nu aanpakken? Hoe zorgen we ervoor dat de journalistiek het vermogen tot handelen van de burger vergroot?
    Mag ik, heel klassiek, eindigen met een citaat van Goethe waar Nietzsche zijn opstel Nut en Nadeel van de Geschiedenis voor het Leven mee begon?
    ‘Übrigens ist mir alles verhasst, was mich bloss belehrt, ohne meine Tätigkeit zu vermehren oder unmittelbar zu beleben.’

  2. De krant is nog lang niet dood en Schaepman heeft groot gelijk waar hij beweert dat de behoefte aan excellente journalistiek juist toeneemt in een samenleving die steeds meer ongeverifieerde informatie moet verstouwen. Maar de krant zoals we die nu vooral maken, zes dagen in de week in een vaste vorm, betaald, vol met twee- en driekolommers over het nieuws van gisteren, die krant raakt in steeds grotere problemen. Zie de oplagedaling, de fusie rond het AD, de zorgen bij Wegener.
    Juist omdat ik journalistiek zo belangrijk vind voor de samenleving, vind ik dat die journalistiek zichzelf opnieuw moet uitvinden. Alleen dan heeft ze een kans ook onder jongere lezers aan te slaan en op den duur relevant te blijven.
    Wat mij stoort in het relaas van Schaepman is dit: hij erkent dat journalisten te behoudend zijn, maar zet zich in kinderachtige termen af tegen de “goeroes” en “piskijkers” die kritiek hebben op hun vakgenoten. Hij schiet in het defensief waar enthousiasme veel meer op zijn plaats zou zijn.
    Journalistiek wordt een moeilijker vak nu onze lezers steeds vaker zelf in hun informatiebehoefte voorzien, zoals het vak van huisarts lastiger is geworden nu patienten met een gegoogled dossier onder hun arm om precies dat ene recept komen vragen.
    De toekomst van de journalistiek zit daar. In het besef dat de lezer meedoet, maar slechts als amateur, en dat de journalist het meer en meer moet hebben van specialisme, van vakmanschap, van het vermogen feiten naar boven te halen die nog niet algemeen bekend zijn en verhalen te vertellen op een wijze die pakkender is dan teletekst (of Metro).

  3. Pingback: MediaBlog » Schaepman tegen de piskijkers

  4. Waar zijn we bang voor. Dat iedereen nu een journalist is en dat de behoefte aan kwaliteit achteruit gaat? Prive en zaken lopen op internet totaal door elkaar. En er is dus veel meer concurrentie. Maar het belangrijkste blijft toch het maken van kwaliteits artikelen. Dit is niet voor iedereen weggelegd.

  5. Micha Kat schreef op 31 januari 2006 om 11:32

    ‘De krant is nog lang niet dood’. Die is dus wel dood. De betaalde krant althans. Als dat nou het vetrekpunt van Schaepman zou zijn, zou er enige kans van slagen zijn dat de NVJ iets positiefs zou kunnen betekenen. Maar Schaepman denkt als een conservatieve reactionair, nog steeds ‘tegen’ internet en ‘tegen’ de Metro en ‘voor’ de zogenaamde ‘kwaliteitsjournalistiek’ van Volkskrant en VARA. De NVJ zit in dezelfde onmogelijke paradox als bijvoorbeeld de FNV: als belangenbehartiger van een oude, concervatieve en reactionaire achterban kan het niet anders dan fundamentele vernieuwingen de facto tegenhouden en frustreren. Hiermeewerkt de NVJ mee aan de eigen ondergang en aan de ondergang van de journalistiek.

  6. Het is pikant dat het pleidooi (waarheen eigenlijk) verschijnt in dezelfde week waarop Google haar Nederlandse nieuwdienst lanceert. Logaritmem bepalen vanaf nu ook de selectie van het Nederlandse nieuws dat ik ‘s ochtends zie, niet het journalistieke vakmanschap. Ik zie het nieuws nu waar ik het wil, wanneer ik het wil en nog voor niks ook, los van de oorspronkelijke producenten van dat nieuws. Natuurlijk gaan de links nog wel naar de traditionele bronnen zolang er genoeg anderen zijn die nog wel betalen voor die dure journalistiek.
    Ik wil ook niet geloven dat er geen financiele ruimte meer is voor de journalistiek, maar dat kan alleen als die nog steeds florerende mediabedrijven een deel van hun winst uittrekken om snel slimme plannen te bedenken om geld te verdienen voordat ze echt overbodig zijn.

  7. Maurits Schilt schreef op 31 januari 2006 om 13:16

    Het zijn commerciële tijden en dat betekent dat voor een idealistisch principe als journalistieke onafhankelijkheid in principe geen plek is. Dat is zo’n beetje het heersende paradigma van 2005 en 2006.

    Waarom zou de journalistiek zijn ‘onafhankelijke positie’ (die de journalistiek in bepaalde gevallen niet meer heeft, maar dat is een tweede) niet publiekelijk kunnen verkopen? Over bepaalde maatschappelijke thema’s kunnen de media webplatforms bouwen waarop geen enkele censuur geldt.

    Op deze manier kunnen over die onderwerpen collectieve, maatschappelijk gedragen oordelen worden gevormd. Dat scheelt de overheid miljarden aan investeringen in externe consultants die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

    Wanneer dit gebeurt versmelt een deel van de journalistiek met een deel van de advieswereld. Beiden kunnen winnen aan objectiviteit en onafhankelijkheid, mede doordat derden zich ten allen tijde in de discussie kunnen mengen.

    Journalistiek is dan niet meer eenrichtingverkeer, maar volkomen tweerichtingenverkeer. Betaald door de overheid en/of het bedrijfsleven.

    De commerciële omroepen kunnen zich daarna volledig en zonder concurrentie van de publieken richten op Sterrenslag, voetbal en Geer en Goor.

  8. henkjan schreef op 31 januari 2006 om 13:23

    Erg interessant in dit kader: De weddenschap van een A list blogger over vindbaarheid – aanwezigheid en op lange termijn denk ik ook autoriteit van blogs en traditionals in Google:

    NYT v. Blogs, Prelim Report
    From Kottke:

    In 2002, Dave Winer of Scripting News and Martin Nisenholtz of the New York Times made a Long Bet about the authority of weblogs versus that of NY Times in Google:

    In a Google search of five keywords or phrases representing the top five news stories of 2007, weblogs will rank higher than the New York Times’ Web site.

    I decided to see how well each side is doing by checking the results for the top news stories of 2005….

    …So how did the NY Times fare against blogs? Not very well. For eight top news stories of 2005, blogs were listed in Google search results before the Times six times, the Times only twice.

  9. scheiuit schreef op 31 januari 2006 om 13:26

    weblogs zijn voor nerds, er is geen normaal mens die zijn nieuws ervandaan haalt, vrouwen al helemaal niet. Ga allemaal eens aan het werk ik plaats van je in een dip te lullen. Stelletje volgevreten babyboomers, wanneer jullie niet de hele tijd pvda hadden gestemd, had je publiek kunnen kweken met interesses die bij die van jullie aansluiten, nu rest alleen de metro lezende mongool, eigen schuld dikke bult. NEderlandse kranten zijn sowieso knudde. NYT is de beste krant ter wereld.

  10. Ernst Jan Wilhelmis schreef op 31 januari 2006 om 14:57

    De aasgieren zwermen al lang niet meer. In een duikvlucht pakken zij op wat (veelal) hooghartige journalisten hebben laten liggen. Dat deze laatste groep zich nu pas zorgen gaat maken bevestigt deze hooghartigheid enkel maar.
    Digitaal is allang geen toverwoord meer maar simpelweg een middel om ‘content’ te verspreiden. Helaas hebben uitgevers van conventionele media dit te laat erkend. De koortsachtige inhaalslag oogt in veel gevallen amateuristisch.
    Dat er vakmensen nodig zijn om binnen de overdaad aan informatie het kaf van het koren te kunnen scheiden is wederom een inschattingsfout die onderschatting uitstraalt. De ‘content-consument’ kan dat heel goed zelf bepalen, wel of niet geholpen door portal of blog. Websites met niet geverifieerde informatie lopen vanzelf tegen de lamp. Of werken de Privé en de Groene Amsterdammer op hetzelfde journalistieke niveau?
    Natuurlijk blijven we biefstuk eten, maar dan wel in dat éne gezellige tentje. Pas dan willen we er de noodzakelijke tijd voor uitrekken. De overige honger wordt wel gestild door een frikadel, snel en lekker. Overigens smaakte bovenstaande naar taaie struisvogelbiefstuk waar ik erg lang op moest kauwen. Dergelijke gerechten moet je ook niet bij een Febo verkopen.

  11. De journalistiek is ten dode opgeschreven, want iedereen is zijn eigen journalist, profeteert onder meer mediawatcher Mark Deuze.

    hm. dat zeg ik niet (nooit gezegd zelfs). de journalistiek is een zombie-instelling in die zin, dat het – zoasl in de bijdrage van Schaepmans zo overduidelijk blijkt – weigert te beseffen dat de aloude manier van dingen doen niet (en nooit) meer werkt. Les 1: journalist, doe je huiswerk.

    De dood van kwaliteitsjournalistiek in de traditionele betekenis – onafhankelijk, op het vinden van de waarheid gericht onderzoek om zo een breed publiek te kunnen informeren – zou onherroepelijk leiden tot ontwrichting van de democratische samenleving.

    ach gut. het aloude “zonder democratie geen journalistiek, ergo zonder journalistiek geen democratie”. het Einde Der Tijden is voorwaar daar als jongeren geen Volkskrant of NRC meer lezen. Laten we niet vergeten dat die missie van een ‘breed publiek’ te dienen gebaseerd was (en is) op een louter commerciele redenering (meer lezers/kijkers/luisteraars = meer advertentieinkomsten)m en dat dat dus betekende dat het ‘brede publiek’ UITSLUITEND bestond uit Witte Nederlanders uit de Middenklasse met een Baan en een Auto en een Huis en een Hond en een (Huis-) Vrouw en een Kind.

    In gesprekken met uitgevers die ik voer als voorzitter van de NVJ, komt na een minuut of tien steevast het conservatisme van journalisten ter sprake.

    Antropoloog Ybema stelde al ooit vast dat bij ingrijpende veranderingsprocessen bij dagbladen het management ‘postalgisch’ is, terwijl de redactie veelal ‘nostaligisch’ lijkt. Uit studies onder multimediaredacties blijkt echter de reden Waarom dit zo is: redactionele veranderingen worden veelal ingevoerd ZONDER inspraak, samenwerking of anderszins deelname van de journalisten zelf. tja, in zo’n geval zou ik ook niet geneigd zijn ‘alles anders’ te gaan doen.

    los van dit alles is dit in ieder geval een mooi essay over het ‘veranderingsbesef’ van de NVJ – dat is er wel degelijk, maar men moet vanwege de institutionele identeit als ‘beroepsvereniging’ tegelijkertijd verdedigen wat er al is. In die spagaat zitten veel redacties, me dunkt.

  12. Frederik van Zanten schreef op 31 januari 2006 om 18:47

    Interessante discussie. Ben het met Scheiuit eens dat weblogs niet de rol van primaire nieuwsbron gaan vervullen. Wel kunnen ze zich ontpoppen tot een doorgeefluik van ANP-berichten al dan niet voorzien van opinieus commentaar. De traditionele journalistiek is mijns inziens mors- maar dan ook morsdood en als een lobby het voor elkaar krijgt om fiscale maatregelen door het parlement te krijgen, is dat slechts een doekje voor het bloeden. Bovendien is journalistiek slechts een commercieel ambacht; ieder bedrijf moet winst maken, dus ook PCM. Met overheidssteun krijgen we alleen overheidsmedia. Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt. Dat lijkt me ook niet de bedoeling.

    En Google News is ook het probleem niet; het is niets meer dan een grote RSS-reader. De techniek was er al, het was alleen de vraag wie hem het eerst zou gebruiken in Nederland.

  13. Duns schreef op 1 februari 2006 om 11:00

    Duns Ouray wenst de nieuwe voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten veel sterkte in deze moderne tijden.

    1 februari 2006

    Geachte heer Schaepman,

    Toen ik uw betoog ‘de journalistieke trots overleeft’ las, deed u mij denken aan Einstein. Het is wellicht voor het eerst dat u dit compliment hoort. Het verdient daarom enige toelichting.

    Bent u bekend met de wetenschapsfilosofie van Thomas Kuhn? Die beschrijft hoe paradigma’s (wereldbeelden) veranderen. Kuhn citeert o.a. een depressieve Albert Einstein, die (vóór zijn ontdekking van de relativiteit) zich realiseerde dat de classieke natuurkunde op een dood spoor zat.

    Oók u realiseert zich dat uw vak, de journalistiek, in een doodlopende straat terecht is gekomen. Ik lees in uw betoog dat u nog een aanhanger bent van het oude, sociaal-democratische paradigma. Ik breng u slecht nieuws: Uw sociaal-democratische bril is niet geschikt voor de 21ste eeuw. U staat voor de keuze: óf u ontwikkelt een nieuw wereldbeeld, óf u wordt irrelevant.

    Laat ik wat concreter zijn. U gelooft dat de huidige journalistieke misère opgelost kan worden door verruiming van de subsidie-stroom, en door ‘een visie’ van de overheid op de media. U denkt de belangen van journalisten te behartigen door de arbeidsmarkt te frustreren met ontslagbescherming en afvloeiingsregelingen, in plaats van de bloei van de journalistieke arbeidsmarkt te bevorderen. U stelt trots te zijn op de journalistiek, maar u gelóóft er zelf niet meer echt in.

    Terecht bent u somber gesteld. U, en uw collegae mét u, verkeren inderdaad niet in een benijdenswaardige positie. Het veranderen van paradigma is een pijnlijk proces. Voor de meesten is het té pijnlijk. Die blijven de werkelijkheid ontkennen, de schuld leggen bij derden, verscholen achter de oogkleppen.

    Maar wellicht bent u de uitzondering. Wellicht heeft u de capaciteiten van Einstein. Wellicht kunt u zich bevrijden van uw oude wereldbeeld.

    Hoe het ook zij … ik wens u veel sterkte in deze moderne tijden.

    Hoogachtend,

    Duns Ouray

    bron: http://www.hetvrijevolk.com/?pagina=474

  14. Beste Kees Schaepman,

    Mijn pleidooi voor halvering van redacties heeft een reden: de productiviteit van redactieleden. Die ligt, heb ik ook in mijn jaren bij traditionele kranten mogen meemaken, in veel gevallen op een bedroevend niveau. Dat een topjournalist soms maanden bezig is met een verhaal: uiteraard! Maar de grijze muizen (lees: 80 procent van de dagbladjournalisten) hebben we de pretentie van de toppers, maar niet de kwaliteit. En als díe groep nu eens gewoon acht uur per dag gaat werken (informatie vergaren, nadenken, stuk tikken), dan kunnen de huidige traditionele dagbladen met de helft van hun redactionele personeel toe. Dat is mijn stelling. Zo bezien heeft Metro dan ook niet zo’n heel erg kleine redactie – iedereen bij Metro werkt gewoon.

    Vriendelijke groet,
    Jan Dijkgraaf
    hoofdredacteur Metro

  15. Wie nog maar een beetje ‘journalistieke trots’ in zijn donder heeft ziet dat de tradionele mediabedrijven – met de krantenbedrijven voorop – het journalistieke beroep langzaamaan uitgehold hebben. Het gaat ze alleen om winst en niet om ‘de consument’.
    Voor een journalist met nog maar een beetje trots bieden de nieuwe media volop kansen en mogelijkheden. Die te pakken, dat zou een uitdaging voor elke journalist moeten zijn in plaats van zich mee te laten drijven op de golven van de traditionele mediabedrijven. Breek uit de redactiestallen, trek je niks aan van al die zelfbenoemde deskundigen, wordt weer journalist.

  16. Nu.nl is groot. Heel groot. En ja, Nu.nl is een weblog.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>