Van excellente journalistiek en nieuwe reporters
Hoe verbetert internet de journalistiek? Die vraag staat centraal tijdens een expertmeeting van de School voor de Journalistiek Utrecht, aanstaande vrijdag. Die is onderdeel van een serie van zulke bijeenkomsten waarin diverse soorten journalistiek worden behandeld – als-ie maar ‘excellent’ is. Ter voorbereiding op mijn bijdrage zette ik een aantal overwegingen op papier, waarvan hier een uitwerking in de vorm van een essay.
Excellente journalistiek
Ik ben uitgenodigd om te vertellen welke voorbeelden van excellente journalistiek ik op het wereldwijde web heb aangetroffen. Dat is geen sinecure: je kijkt al snel naar websites die lijken op traditionele vormen van exceptioneel goede journalistiek: een unieke weblog van een oorlogscorrespondent, bijvoorbeeld, of de videoreportages van een documentairemaker. Ik kan best met een paar van zulke voorbeelden op de proppen komen – maar er wringt iets.
Om een antwoord te vinden op de vraag welke ‘journalistieke’ relevantie weblogs hebben in een nieuwemediawereld, is het hanteren van criteria die ontwikkeld zijn in een geheel andere context, voor andere media – kranten, televisie, radio – een heilloze excercitie. Als in de toekomst daadwerkelijk ‘iedereen journalist’ is (en daardoor, bij gebrek aan onderscheidend vermogen, helemaal niemand), zoals democratiseringstheorieën van begeisterte nieuwemediaprofeten ons voorhouden, heeft het weinig zin om bij de beoordeling van journalistieke communicatie een zender-ontvangermodel met een professionele journalist en een ontvangend publiek als uitgangspunt te blijven hanteren.
Een dergelijke handelswijze zou symptomatisch zijn voor wat cultuurfilosoof Marshall McLuhan het Horseless Carriage Syndrome heeft gedoopt, naar het eerste auto-ontwerp waarin de bestuurder een plaats op de ‘bok’ kreeg toebedeeld, buiten het voertuig – domweg omdat hij daar ook al zat toen het nog door paarden moest worden voortgetrokken. Waarmee maar gezegd is dat je nieuwe ontwikkelingen niet kunt begrijpen met een verouderd referentiekader.
Horrorscenario’s
In het publieke debat ten aanzien van nieuwe media wisselen utopische jubelprofetieën over de democratiserende invloed van het internet, grimmge dystopische horrorscenario’s over de teloorgang van de kwaliteitsjournalistiek (ten faveure van een nutteloze chaos van miljoenen weblogs) elkaar in rap tempo af; andere geluiden bagatelliseren de impact van nieuwe media: we kijken met z’n allen per slot van rekening nog altijd naar Dancing with the stars (disclaimer: ik niet), aan duidende en selecterende journalisten is ook behoefte bij een informatie-overschot en die webloghype waait wel over, kort samengevat.
Hoeveel waarheid al deze verschillende denktranten bevatten staat nog te bezien. Voor de sceptici onder ons: ik zal op deze plaats in elk geval geen gloedvol betoog afsteken over het einde van de journalistiek as we know it. Wel benadruk ik dat het belangrijk is om tijdig in te zien wanneer huidige begrippen en betekenissen hun uiterste houdbaarheidsdatum dreigen te overschrijden. Mediablogger Jeff Jarvis is zich bijvoorbeeld bewust van de beperkte houdbaarheid van het begrip ‘krant’: hij blijft herhalen dat het niet gaat om het redden van de krant, maar om het redden van de journalistiek.
Maar volgens mij leidt zelfs dat tot een dwaalspoor: wanneer je een multidimensioneel, hypercomplex begrip als ‘journalistiek’ met wortel en al uit de twintigste-eeuwse samenleving rukt, het vervolgens in de eenentwintigste eeuw katapulteert en dan krampachtig probeert de wortels weer in de aarde te planten, zal je arbeid weinig opleveren. De mogelijkheid bestaat immers dat het leeuwendeel van de huidige journalistieke taken niet langer door betaalde professionals wordt verricht. Niche-bloggers kunnen even goed of beter schrijven over popmuziek, de laatste toespraak van Bush of het kwakkelende Ajax, dat kan ik u verzekeren. Waarmee ik maar wil zeggen: de vraag of er straks nog wel zoiets bestaat als een volwaardige schrijvende journalistieke sector, is in elk geval alleszins legitiem.
Loop ik nu te hard van stapel? Neen. Internetjournalistiek, al dan niet excellent, is een contradictio in terminis, of in ieder geval als analytisch construct volstrekt onbruikbaar. Het is immers maar de vraag of de processen die op internet de maatschappelijke functie gaan vervullen die de journalistiek tot op heden heeft gedaan, nog wel ‘journalistiek’ genoemd kunnen worden. Natuurlijk, begrippen zijn rekbaar, maar als je te hard trekt aan het woord komen er scheuren in en dondert de inhoud eruit – en het is de vraag of het heel zinvol is om te speuren naar verschijnselen die al dan niet toevallig uiterlijke of inhoudelijke gelijkenis vertonen met de traditionele journalistieke beroepsuitoefening.
Semantische queeste
Het onderzoek naar de toekomst van de journalistiek – zowel de wetenschappelijke waarheidsvorsing als de publieke zoektocht die deze website onderneemt – vereist daarom een begrippenkader dat woorden als ‘journalistiek’ en ‘reporter’ houdt voor wat ze zijn: sociaal-culturele constructen, gevormd in een maatschappelijke context die in rap tempo aan het veranderen is.
Nogmaals, en wellicht ten overvloede: of burgers daadwerkelijk de rol van journalisten zullen overnemen (om er eens een obligate vraag tegenaan te gooien), staat nog volledig te bezien. Waar het om gaat, is dat het mogelijk is en dat de voortekenen onmiskenbaar aanwezig zijn. Daarom zijn goed toegepaste wiki’s interessant, is de netwerksite Hyves interessant (tip aan Wegener: nú kopen!), daarom zijn lokale gemeenschappen interessant. Daarom zouden kranten moeten zoeken naar intelligentere systemen om de collectieve kennis van hun vele lezers te kunnen bundelen, in plaats van te blijven jeremiëren over het Sodom en Gomorra dat thans oprijst in de reactiepanelen van hun websites.
Vrij naar burgerjournalistiek-goeroe Dan Gillmor: hoe goed een journalist ook is, zijn lezers weten altijd meer af van een onderwerp dan hij. En in de nieuwemediawereld kunnen lezers niet alleen terugpraten, ze kunnen ook journalisten van informatie voorzien, zelf berichten publiceren of in slimme collaboratieve nieuwsproductiesystemen participeren. Om die ontwikkelingen te onderzoeken, is het noodzakelijk om huidige concepties over ‘goede journalistiek’ te herkennen als de normatieve, dogmatische constructen die ze zijn.
Het zoeken naar ‘de Nieuwe Reporter’ behelst in mijn optiek méér dan een speurtocht naar de wijze waarop journalisten bijvoorbeeld van het internet moeten gebruikmaken; misschien is het wel in de eerste plaats een semantische queeste, een talige zoektocht naar nieuwe begrippen en betekenissen in welke we de nieuw opdoemende werkelijkheid kunnen vatten. Zoals het woord ‘reporter’, rijk van betekenissen en connotaties die betrekking hebben op een wereld van drukpersen, kladblokjes, persconferenties en die grote vellen papier met letters die je vader altijd opensloeg bij de keukentafel. Zo’n mooi woord, daarvan hebben we nieuwe nodig. Wie ze weet, mag ze zeggen.










16 reacties:
30 maart, 2006
[...] Lees: Van excellente journalistiek en nieuwe reporters [...]
30 maart, 2006
Is het niet gewoon heel simpel: verschillende soorten informatie worden door verschillende soorten mensen/journalisten verzameld. Je kunt de journalistiek in drie kampen splitsen: wereld(rampen), Europa/Amerika en lokaal.
De eerste kan prima door grote nieuwszenders worden waargenomen. De rest gebeurt op internet. Immers, elk bedrijf, elke overheidsinstantie brengt berichten, filpmjes, documenten uit op internet. Het is een kwestie van combineren tot een geheel wat de truc is. Informatie combineren kunnen meer mensen, daar hoef je geen journalist voor te zijn. Bovendien heeft internet het grote voordeel van DESKUNDIGHEID.
De toegevoegde waarde van een journalist zit ‘m nog in diepte-interviews, of interviews uberhaupt, erop uitgaan en met mensen praten. Dat soort informatie krijg je niet van internet, daarmee moet je internet voeden. Uiteraard kan dat prima vanuit een website, al zijn de mensen daarachter niet perse ontzettend geschikt.
De vraag is echter wel wat dit soort interviewinformatie ertoe doet. In feite is de hedendaagse journalist niet op zoek naar informatie, want die vindt hij overal. Hij is op zoek naar een minister, vakbondsman of CEO die een foutje maakt, een toneelspeler die uit zijn rol valt. Hij wil een imago maken of breken, door het regisseren van een moment.
Dat maakt de traditionele journalistiek definitief tot een monument uit de steentijd, vind ik. Wie zit te wachten op een gekleurd interview met als doel afschieten van de geinterviewde. Dat wordt op internet beter gedaan, sneller gedaan en handiger gedaan. Diepteinterviews van een uur met een filosoof noem ik een documentaire. Ook gekleurd, maar in ieder geval boeiend.
30 maart, 2006
Op internet kun je ook met mensen praten, hoor. En juist met wereldrampen zie je weblogs en burgerjournalistiek een belangrijke rol spelen.
Waar het mij om gaat, is dat verschijnselen moeilijk onder woorden zijn te bregen, en daardoor moeilijk te begrijpen zijn, met een verouderd begrippenkader. Maar zonder begrippen- en referentiekader is de werkelijkheid al helemaal te complex om te snappen. Nieuwe begrippen als burgerjournalistiek, interactiviteit en multimedia zijn nu al zo ambigu dat regelmatig wordt gepleit voor afschaffing ervan. Toch hebben we handvatten, betekenissystemen nodig om orde te scheppen in de chaos; daarbij is het zaak om oude te durven loslaten en nieuwe, hoe ambigu ook, te omarmen. ‘t Is maar een klein onderdeeltje, want pas daarna kun je gaan kijken naar welke traditionele journalistieke functies en welke hooggespanningen verwachtingen van burgerjournalistiek naar respectievelijk steentijd en prubllenbak kunnen worden verwezen.
30 maart, 2006
Mooi verhaal, gebalanceerd en met begrip voor de verschillende posities in het debat (ook al versimpel je daardoor toch weer sterk, a la de traditionele journalistieke ‘hoor-wederhoor’ formule welke weinig ruimte biedt voor een meer complexe lezing).
Een duit in het zakje: misschien is de ‘beste’ journalistiek online (dan wel offline, want bij welk nieuwsmedium is dat verschil nog zo zwart-wit?) wel de journalistiek, die een zinnig antwoord weet te vinden op de vraag, hoe een balans tussen deskundige verslaggeving en ‘burgerjournalistiek’ enerzijds, plus tussen commerciele houdbaarheid en redactionele autonomie anderzijds kan worden bereikt.
Het lijkt er toch sterk op dat de journalistiek voor de rest van haar bestaan telkens weer, van verhaal op verhaal, een dergelijke ingewikkelde afweging zal moeten (kunnen) maken om steeds relevant te blijven. wat nooit zal werken is het stug kiezen voor 1 model en dan maar hopen dat dit blijft werken. Het zal structureel jongleren blijven, waarbij elke keuze opnieuw relevant gemaakt zal moeten worden.
De journalistiek wordt daarmee een stuk spannender, dynamischer en ook moeilijker. Het grote probleem dat ik zie – en het is op DNR al eerder geconstateerd – dat opleidingen noch werkgevers willen of kunnen investeren in dit soort mediawerk. Het zal steeds meer afhangen van de intelligentie, daaddrang en creativiteit van individuele werknemers of teams van journalisten om tot goede journalistiek te komen.
30 maart, 2006
Mooie mediatheoretische beschouwing, prettig intelligent geformuleerd, maar op de keper beschouwd staat er niet zo heel veel. Dat de journalistiek slim gebruik moet gaan maken van de collectieve kennis van lezers die dankzij het netwerk beschikbaar is, weten we al sinds Gilmor. Dat ik me, qua journaille, moet begeven in een talige zoektocht en een semantische queeste is niet ongeestig gevonden, maar vast niet zo bedoeld.
Het mag van mij wel een stap moeilijker. Hoe moet de journalistiek zelf, dat vak van professionals bedoel ik nu even, veranderen om relevant te blijven? Wat doen we verkeerd, behalve onvoldoende luisteren naar wat de lezer wil zoals Leon de Wolff ons godlof onvermoeibaar en volkomen terecht blijft voorhouden? Hoe beoefenen we ons vak in de 21ste eeuw, rekening houdend met de paradigmshift van Web 2.0 terwijl we gemiddeld genomen mentaal nog verkeren in de 20ste eeuw en de meesten van ons nog op adem komen van web 1.0.
Ik herhaal als mantra al maanden dat de journalistiek transparanter, betrokkener en authentieker moet worden dan ze is, en dat oude waarden als distantie, onafhankelijkheid en betrouwbaarheid niet al hun waarde hebben verloren – verre van – maar niet meer voldoende zijn voor een wapenspreuk van de journalistiek. Soms roep ik erbij dat we “betere verhalen” moeten vertellen, of “de verhalen beter moeten vertellen”, maar eerlijk gezegd kom ik niet heel veel verder, vooralsnog.
Laten we eens uitzoeken wat excellente journalistiek in tijden van internet echt is. Met voorbeelden, met praktische aanwijzingen, en lijstjes do’s en dont’s. Hoe precies komen we authentieker en geloofwaardiger over bij een publiek dat je googlet waar je bij staat? Hoe betrokken mogen we zijn bij een onderwerp in een samenleving die vooral niet meer loyaal is aan Grote Verhalen, maar per dag en per item zijn voorkeuren kiest? En wat is transparantie? Je mailadres onder elk stuk van enige betekenis, je bronnen op het net, je voorkeuren en stemgedrag onder die politieke analyse?
30 maart, 2006
Bedankt voor jullie reacties. Een verduidelijking: ik bedoelde over die queeste dat ze wordt afgelegd door mensen die nadenken over de toekomst van de journalistiek, niet per se door alle journalisten. Maar het zou terecht zijn om daarbij als kanttekening te plaatsen dat alle journalisten over nieuwe journalistiek zouden moeten nadenken.
Ik pretendeer eerlijk gezegd ook niet ‘zo heel veel’ te zeggen. Wat ik mis in het publieke debat over de toekomst van de journalistiek is een zorgvuldige hantering van kernbegrippen. Die constatering is wellicht niet wereldschokkend diepzinnig, maar volgens mij wel belangrijk. Wat is ‘interactiviteit’? Wat is ‘multimedia’? Welke aannames en betekenissystemen schuilen achter de nieuwerwetse kretologieën waarmee nieuwemediadenkers en technoprofeten ons om de oren slaan? Zijn het de juiste begrippen, hoe voorzien we ze van inhoud en hoe vertalen we die naar de journalistieke praktijk?
De vraag hoe journalistiek, het vak van professionals, moet veranderen om relevant te blijven vind ik niet een stap moeilijker. Ik vind dat eerlijk gezegd een stap gemakkelijker. Daarmee verander (om niet te zeggen: degradeer) je de zoektocht naar de toekomst van de journalistiek tot het uitdokteren van een overlevingsstrategie voor een beroepsgroep die in een existentiële crisis verkeert. Mijn punt is juist dat als je nieuwe journalistiek wilt ontdekken, je je theoretisch moet distantiëren van de bestaande. Dat houdt in elk geval in dat het niet verstandig is om te beginnen met de vraag: ‘hoe kan de bestaande journalistiek beter functioneren op het internet?’.
30 maart, 2006
Laat ik ook een paar gedachten opperen. Een van de begrippen die de journalistiek in dit internettijdperk tot een in veler ogen verdachte bezigheid maakt, is “objectiviteit”. In een tijd waarin wetenschap èn journalistiek (en in grote delen van Nederland ook religie) nooit-eindigende debatten zijn geworden, leidt het begrip objectiviteit een kwijnend bestaan. Maar dood is het allerminst. O.k., objectiviteit bestaat niet, is een veelgehoorde redenering, maar dat ontslaat de journalist niet van de plicht ernaar te streven. Misschien is dat zo. Maar degenen die zich van die plicht kwijten (zie het interview met BBC-man Vin Ray van vandaag) , zullen in de toekomst maar een fractie van de openbaarheid uitmaken – zij het een essentiële fractie.
Een begrip dat misschien te weinig gehanteerd wordt is “intersubjectiviteit”. Het is uit de filosofie en antropologie afkomstig maar past goed bij de communicatieprocessen waarop Jaap Stronks en Henk Blanken doelen.
“Intersubjectiviteit betekent”, schrijft mijn Oosthoek encyclopedie, “al wat gemeenschappelijk geldt voor een veelheid van subjecten.”
Hoewel we het zelden zo benoemen, werkt onze samenleving voortdurend met intersubjectiviteit. Rechters die meerdere getuigen horen, zoeken niet naar objectiviteit maar naar intersubjectiviteit: datgene wat uit de subjectieve verhalen aan gemeenschappelijks komt bovendrijven, wordt tot “waarheid” verheven. En komt er na enkele jaren een nieuwe getuige opdagen, dan wordt de waarheid gewoon weer opengebroken. Feitelijk is de Amerikaanse juryrechtspraak een eerlijker erkenning van het feit dat niet een alwetende rechter maar meerdere subjectieve meningen tesamen een intersubjectieve “waarheid” genereren.
Als we dat proces via de media faciliteren, welke participanten moeten we dan “journalist” noemen en welke “burger”? Het verschil tussen die twee wordt gradueel in plaats van absoluut.
30 maart, 2006
Theo haalt een mooi punt aan, laat ik er maar een schepje bovenop gooien: objectiviteit IS intersubjectief, in de zin van hoe een groep mensen (bijvoorbeeld: een deelredactie van een dagblad, de kernredactie van een programma, de internetredactie van een mediabedrijf) collectief de betekenis van ‘objectiviteit’ telkens opnieuw weer vast stelt, zodat het begrip ‘past’ bij de consensuele gang van zaken.
Objectiviteit is daarmee een ideologische waarde (dat wil zeggen: het bestaat niet echt, het is een ideaal-type) voor ELKE journalist (roddelblad dan wel televisienieuws), het wordt alleen overal net ietsje anders ingevuld.
Ergo: objectiviteit is – in de manier waarop het functioneert in de dagelijkse journalistieke praktijk – altijd intersubjectief.
Iets minder academisch maar het betekent min of meer hetzelfde: dit is wat de Amerikaanse komiek Stephen Colbert onlangs Truthiness noemde…
Wat belangrijk lijkt voor DNR is hoe intersubjectiviteit in een ‘interactieve multimedia’-omgeving precies werkt. Want een groepje ‘Nieuwe Reporters’ mag het dan wel eens worden wat objectiviteit betekent, als de gebruikers er niet mee eens zijn klikken ze verder of praten ze terug.
Objectiviteit in een nieuwe media context betekent dus dat de intesubjectieve betekenis van deze universele journalistieke waarde tot stand komt (of moet komen) in wissel- of samenwerking met ‘het publiek’. En dat is even slikken voor de journalist, die nog steeds gewend is het zelf voor het zeggen te hebben…
30 maart, 2006
Vooruit, sluitende definities hebben we nodig. Dat wil ik wel toegeven. Maar het is mij nog wat te vroeg om de oude journalistiek bij het vuilnis te zetten; ik heb nog een paar duizend Nederlandse collega’s die er hun dagelijks brood mee verdienen. Maar om misverstanden te voorkomen: mijn doel is ook niet de oude journalistiek beter te laten worden op internet, maar een betere journalistiek uberhaupt, online en offline. Dat is een beetje een antwoord op een vraag die Jaap Stronks niet stelde.
30 maart, 2006
Het journalistiek landschap explodeert. Ik ben het met Jaap eens dat het geen zin heeft de stukjes weer bij elkaar te rapen en op sommige weer de sticker ‘journalistiek’ op te plakken. En het lijkt me een goed idee om de intersubjectiviteit van Theo te humaniseren door levendige fora zoals deze blog te onderhouden. Maar misschien moeten we, voordat we over de kwaliteit van journalistiek verder praten, eerst een paar andere vragen opnieuw bekijken. Zoals:
- Welke informatievoorziening is nodig om kwaliteit van de democratie te waarborgen en vergroten? De transparante info van Hein, of informatie waarmee je het vermogen tot (politiek) handelen van het publiek vergroot? En misschien is het ene wel nodig voor het andere.
- Hoe kun je Middeleeuwse volksgerichten zoals die soms door sites als geenstijl worden gegenereerd beperken?
Andere vragen, zoals: waarom kopen mensen de ene krant wel en de andere niet, zijn ook aardig, maar in eerste instantie van economisch belang.
30 maart, 2006
@Henk Blanken: het was niet mijn bedoeling je in een bepaalde hoek te duwen, dat was onzorgvuldig.
Over intersubjectiviteit: ik hoorde in een podcast net een mooie quote, over de Stanford University. Daar zei iemand: ‘we can’t give you an unbiased education, the best we can do is give you a multi-biased education.’
Als je dat vertaalt naar de journalistiek, zou je kunnen zeggen dat het internet daar erg goed in is. Waarom is objectiviteit een streven in de traditionele journalistiek? Volgens mij omdat je, zeg als krantenjournalist van een lokaal dagblad, de enige nieuwsbron bent en daarom van je wordt verwacht om een veelheid aan geluiden en meningen samen te bregen, en een brede bevolkingslaag moet aanspreken om financieel rendabel te zijn. De noodzaak tot objectiviteit is nauw verbonden met de poortwachtersfunctie. Die laatste staat nogal ter discussie omdat je een poort bewaakt zonder muren die eraan vast zitten (je hebt niet langer een informatiemonopolie, er is een informatie-overschot ipv -schaarste). Er wordt objectiviteit verlangd omdat de kwaliteit van de informatievoorziening aan burgers ervan afhangt.
Door het exploderende journalistieke landschap zie ik daar minder een noodzaak voor. Hier kom ik ook weer terug op mijn betoog: objectieve of intersubjectieve journalistiek is ook maar een construct, een product van bepaalde sociale en economische omstandigheden, dat geen universele geldigheid kent – sterker nog, in de geschiedenis van de publieke communicatie volgens mij tamelijk zeldzaam is.
Het is overigens interessant om te kijken hoe de gevestigde media zich hierin opstellen. Vrij Nederland zoekt bijvoorbeeld uitdrukkelijk de linkerflank op. En jee, het blad is er echt opmerkelijk veel beter op geworden.
31 maart, 2006
Als niet journalist maar met veel ervaring op het burgergegenereerde contentvlak bij punt.nl zie ik na analyses dat vooral authenticiteit ontbreekt. Het is vooral reflectief. Ik denk dat daar ook nog steeds het grote gat ligt voor de journalistiek. De bron zijn….
Dat er daarna een intersubjectief proces ontstaat is een prachtige toevoeging op de oude journalistiek maar zeker geen vervanging.
31 maart, 2006
In onze (…) haast om te duiden wat ‘goede’ journalistiek van de ‘Nieuwe Reporter’ precies is (of kan zijn), vergeten we misschien wat de huidige veranderingen in het medialandschap betekenen en mogelijk maken voor individuele journalisten.
In dit verband moet ik denken aan het werk van voormalig UvA-collega (nu in Engeland werkzaam) Joep Cornelissen. Hij schreef bijvoorbeeld over de neiging onder wetenschappers en ‘denkers’ om de laatste trend in de marketing en reclamewereld – Integrated Marketing Communications – te duiden, definieren en vast te leggen. Da’s mooi, schreef Cornelissen, maar daarmee vergeten we dat de professionals in de reclamewereld die term juist liever open en vaag willen houden, want dat geeft ze wat meer creatieve ruimte en de kans om lekker hun eigen gang te gaan.
Met andere woorden: zodra we iets uitkleden, ‘deconstrueren’ en mooi vastleggen in een heldere definitie beperken we de creatieve ruimte van een begrip of trend. Laat ik een balletje opgooien: kan het zo zijn dat de meeste ontwikkelingen waar we het hier over hebben – convergentie, internet, mobiele/draadloze technologie, multimedia, interactiviteit, enz. – het voor een heleboel journalisten mogelijk maken om weer te gaan ’spelen’ met hun vak, wat binnen de bestaande formules en definities van RTV- dan wel gedrukte media steeds moeilijker is geworden?
Ofwel: laten we niet ons hoofd breken wat de diepe achtergronden en definities van wat ‘goede’ of ’slechte’ journalistiek is online/offline, maar laten we (zoals de oorspronkelijke opdracht aan Jaap was) die verslaggevers die speels met hun vak om gaan vooral huldigen en toejuichen en verder vooral hun gang laten gaan?
31 maart, 2006
Daar ben ik het zeer mee eens. Ik pleit ook niet zozeer voor het formuleren van definities, eerder voor het durven loslaten van dogma’s, het relativeren van vanzelfsprekendheden. De ontwikkeling van nieuwe begrippen moet vervolgens niet plaatsvinden vanuit leunstoel of schrijftafel – zelf experimenteer ik ook graag met weblogs, podcasts en video. Volgende artikel duik ik diep in de praktijk, da’s alvast beloofd :-)
2 april, 2006
tsja, tsja, tsja. ik kom hierop terug, heb nu geen tijd, maar het lijkt me dat er toch weinig vanuit practische diepte-ervaringen met internet journalistiek wordt gepraat. in ieder geval bewijst de irak-oorlog ten enen male dat we niet kunnen zonder de verhalen van dappere insiders. dat media in nederland hier geen gebruik van -durven- maken vind ik nogal veelzeggend, en ook bevreemdend. de enige .nl journalist die ik ken die hier beter mee omgaat is erdbrink, vanuit teheran. en ook dat is een land dat zich ‘opent’ door de grote ‘blog-cultuur’ die er is gecreëerd en die er nog steeds groeit, met slag en stoot.
30 september, 2009
Waar blij je nu, cecile? Prachtig om dit eens terug te lezen ;)