- Wie denkt lezers en kijkers terug te kunnen winnen door te koersen op een ‘verjonging’ van de smaak en de vorm, zou wel eens bedrogen uit kunnen komen.
- Verschillen tussen jongeren en ouderen zijn in velerlei opzichten veel kleiner dan vaak wordt aangenomen.
- Het grote probleem waar de publieke omroep en andere gevestigde media voor staan, ligt niet in verschillen van smaak of kwaliteitseisen tussen ouderen en jongeren, maar in al die andere factoren (uitzendtijden, prijs van het medium, sociale context, dagelijkse routines, keuzemogelijkheden, ander mediagebruik) die leiden tot een snel groeiende differentiëring in mediagebruik
Dit zijn enkele uitkomsten van een debat over Jongeren en de Publieke Omroep dat het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties (Stifo) onlangs organiseerde.
Media en jongeren – we raken er niet over uitgepraat. Het debat wordt meestal gevoerd door ouderen – journalisten, onderzoekers, bestuurders en trendwatchers – met onder handbereik de resultaten van enquêtes, panelgesprekken en marktgegevens. Vanuit dat gezichtspunt was het een aardig idee om de twee groepen nu eens bij elkaar te brengen. Dat gebeurde op 24 maart, in de Balie, onder de titel “Wat vind jij”?
Voor een actief gehoor van meer dan tachtig programmamakers, regisseurs, beleidsmakers en andere omroepmedewerkers discussieerden ruim vijftig jongeren over de kwaliteit en het aanbod van televisiedrama en documentaires op de publieke zenders – genres die voor hun voortbestaan sterk leunen op het Stimuleringsfonds. Om het debat een beetje structuur te geven, werden fragmenten vertoond van twee programma’s die zich op de jongerencultuur oriënteren, de documentaire SNEAKERS van Femke Wolting en de televisieserie SHOUF SHOUF! Van Tim Oliehoek. Niet alleen de panelleden, allen jonger dan 25 jaar, maar ook de zaal kon haar stem laten horen, in de vorm van elektronische stemmingen, waarvan de uitslagen direct in de discussie konden worden meegenomen.
Wat uit de uiterst levendige discussie en de stemmingen zonneklaar bleek, was dat de verschillen tussen jongeren en ouderen in velerlei opzichten veel kleiner zijn dan vaak wordt aangenomen – een gegeven waar overigens ook in ander recent onderzoek al op gewezen is. Weliswaar gaan jongeren heel anders met media om dan veel ouderen – zoals de rest van hun hele leven er anders uitziet – maar als het gaat om wat zij ‘belangrijk’, ‘serieus’ en ‘kwalitatief goed’ vinden, blijken de verschillen grotendeels parallel te lopen aan een ‘normale’ verdeling naar sociale en culturele achtergrond en opleiding.
De uitkomsten van de stemmingen en de debatten in De Balie bevestigden dit beeld. De verschillen waren buitengewoon klein wanneer het ging om genrevoorkeuren en kwaliteitseisen. Zo onderschreven deze jongeren, waarvan de meesten afkomstig waren van HBO of universiteit, precies zoals de andere aanwezigen, in overgrote meerderheid de stelling dat een goede documentaire stof tot nadenken moet geven en nieuwe perspectieven moet openen, dat nieuws niet moet worden ‘opgeleukt’ maar dat het de moeite waard is wanneer er met vormen geëxperimenteerd wordt. Het debat aan tafel verschilde daarom wat betreft het soort van argumenten die in de discussie over de vertoonde fragmenten naar voren werden gebracht, soms nauwelijks van de discussies die binnen het Fonds zelf worden gevoerd.
De middag met de jongeren in De Balie maakte eens te meer duidelijk dat er geen enkelvoudige oplossing is voor het ‘afhaken’ van jongere lezers van de kranten en de kijkers van de publieke omroep, noch wat de inhoud, noch wat de vorm betreft. De groep is te heterogeen en hun ‘afhaken’ heeft vaak veel minder met vorm en/of inhoud te maken. Wie denkt lezers en kijkers terug te kunnen winnen door te koersen op een ‘verjonging’ van de smaak en de vorm, zou dus wel eens bedrogen uit kunnen komen. Anders gezegd: wie de vorm en de inhoud aanpast aan een veronderstelde behoefte aan meer verstrooiing en eenvoud, loopt het risico op alle fronten zijn geloofwaardigheid te verliezen.
‘De’ jongeren bestaan niet, zomin als ‘de’ volwassenen als het gaat om voorkeuren en oordelen. Meer dan ooit is het noodzakelijk te denken in niches, doelgroepen waarvan de kenmerken, zoals ook bleek tijdens deze middag, worden bepaald door een hele verzameling relevante factoren: uitzendtijden, prijs van het medium, sociale context, dagelijkse routines, keuzemogelijkheden, ander mediagebruik. Nrc.next is een mooi voorbeeld van een ‘eigenwijze’ vernieuwing, waarin deze inzichten duidelijk te herkennen zijn.
Het grote probleem waar de publieke omroep en andere gevestigde media voor staan, ligt niet in verschillen van smaak of kwaliteitseisen, maar precies in al die andere factoren die leiden tot een snel groeiende differentiëring in mediagebruik – een proces dat met de verbreiding van snelle verbindingen pas de laatste jaren in een echte stroomversnelling is geraakt. Dáár ligt de grote uitdaging voor de publieke omroep en de culturele sector. Maar het is de politiek die daarvoor de noodzakelijk kaders zou moeten scheppen – en op dat punt is er vooralsnog weinig hoopvols te bespeuren.
Dit is een aangepaste en sterk bekorte versie van een slotwoord bij de conferentie Wat vind jij?
3 reacties