De vier dubieuze clichés over internet en journalistiek

Ik noem het altijd het ‘IT-prekerssyndroom’, en het is weer ‘in’. Over de relatie van internet en journalistiek kan dan alleen maar in grote woorden worden gesproken. Grote omwentelingen, machtsverschuivingen, ze vliegen je om de oren. Dat is ergens ook logisch, want als je claimt dat het allemaal zo schokkend niet is, ben je saai en nuchter. Geen goeroe. Want visionairs zijn niet saai en nuchter.

Het mechanisme mag begrijpelijk zijn, maar ik zit er als internetjournalist – 10 jaar in het vak – wel eens meewarig naar te kijken: voorspellen is een leuke bezigheid, maar een beetje rekening houden met de feiten van vandaag hoort daar naar mijn smaak wel bij. Doordat er simpelweg te weinig bruikbaar onderzoek wordt gedaan naar het gebruik van ‘nieuwe media’ is het niet vreemd dat er inmiddels een aantal dubieuze clichés zijn uitgesleten. En omdat ik inmiddels net wat teveel symposia heb meegemaakt waarin ze instemmend door de lucht vlogen, wil ik er een viertal even uitlichten.

Laat ik meteen met de belangrijkste gedachtefout beginnen. Velen claimen dat door de nieuwe technieken iedereen uitgever of journalist wordt. Vaak worden er twee verschillende zaken mee bedoeld. Allereerst, nieuwsconsumenten maken tegenwoordig zelf wel uit waar ze hun nieuws vandaan halen. Ze nemen dus de nieuwsselectie in eigen hand en daarmee zijn ze zelf journalist geworden. Tenminste, dat is het verhaal. Maar ik zie niet in waarom het zo revolutionair is dat mensen in plaats van één krant lezen nu snuffelen in de nieuwsbak van verschillende media. Uiteraard is het voor abonnementenverkopers lastig, voor de mediabureaus ingewikkeld, maar het betekent voor het wezen van de journalistiek nu niet bepaald een doodsklap. De feiten moeten immers nog door journalisten geleverd worden, RSS-feeds of niet.

Hobby-Kuifjes

De tweede meer revolutionaire betekenis die aan de “iedereenjournalist-theorie” wordt vastgehangen, is het feit dat nieuwsconsumenten nu zelf steeds meer nieuws kunnen produceren. Door middel van nieuwe technische mogelijkheden als het laagdrempelige weblogsysteem, de internetfora en de interactieve community’s wordt de grote schare der hobby-Kuifjes gemobiliseerd.
Dat beeld wordt ons journalisten nu al tien jaar met een waarschuwende vinger voorgehouden, maar ik moet er de eerste geweldige voorbeelden nog van zien. Kan iemand mij vijf amateursites noemen die het afgelopen jaar een uniek journalistiek item brachten? In werkelijkheid is het een prachtige fantasie die stoelt op een volstrekt onbegrip van hoe de journalistiek werkt en hoe de gemiddelde mens in elkaar steekt.

Maatschappij bestaat bij gratie van taakverdeling

Uiteraard is het technisch mogelijk dat de journalistiek overspoeld wordt door de feitenkennis van een bevolking. Die zijn immers in theorie opgeteld veel deskundiger en alwetender dan die 15000 journalisten. Maar als het technisch kan, is het nog niet direct werkelijkheid. Niet alleen is de mens lui, zoals Gert Jan Bogaerts, chef internet van de Volkskrant onlangs niet onterecht betoogde, maar een maatschappij bestaat nu eenmaal bij de gratie van de taakverdeling. Als mijn bakker nu even het brood bakt, dan zorgt mijn automonteur dat ik nog naar de eerder genoemde symposia kan. Ik kan het met heel veel oefenen wellicht ook zelf, maar waarom zou ik? Het heeft weinig met luiheid te maken dat ik ervoor kies om dat wat efficiënter te regelen. Voor mijn bakker en automonteur geldt dat ook, zij hebben ongetwijfeld geen enkele ambitie om journalist te spelen. Laat staan dat zij over de tijd of vaardigheden beschikken. Ooit al eens een slager bij een nieuwtje over zijn vleesleverancier hoor- en wederhoor zien toepassen? Ooit je moeder een verhaal zien checken of een alinea zien herschrijven? Ik vermoed hier een beroepsdeformatie van wetenschappers en journalisten: zij en hun sociale omgeving bezitten een bepaald interesseveld en opleidingsgraad en zien overal schrijvers en debateerders om zich heen. Het is echter heilzaam op straat tien willekeurige mensen te vragen naar hun mediagedrag.

Het tweede misverstand hangt met de eerste nauw samen. Doordat het monopolie van de journalist is doorbroken, zou de professionele journalistiek voor haar bestaan moeten vechten. Journalisten sterven uit, als oude mijnwerkers, dat is de trieste sage. Ik zou niet weten wat, behalve winstbeluste directeuren en aandeelhouders van grote mediabedrijven, het gevaar zou moeten zijn. Ik geef toe dat de economische waarde van journalistiek onder druk staat, maar dat is natuurlijk niet het resultaat van een afnemende vraag. Met de hoeveelheid tijdschriften in de kiosk, het aantal krantenabonnementen en TV-zenders in het achterhoofd, er wordt meer professionele journalistiek geproduceerd, geconsumeerd en geherkauwd dan ooit tevoren. Er zijn ook meer journalisten dan ooit. In een informatiemaatschappij ontstaat juist de behoefte om van vakmensen een samenvatting te krijgen van de gebeurtenissen, om van hen te horen hoe het zit.

Reuma van tante Ans

Zijn weblogs dan irrelevant? Hoe zit het dan met de veelgehoorde bewering – misverstand nummer drie uiteraard – dat weblogs de macht in medialand gaan overnemen?
Ik zal zeker niet beweren dat de weblogbeweging niets om het lijf heeft. Het is een zegen dat de lezer of kijker op grote schaal terugpraat, dat niet alleen de kleine kring der professionals het debat voert. Maar we vergeten vaak dat 99,9% van de weblogs journalistiek volkomen irrelevant is en gaat over het konijn of de reuma van tante Ans; als ze dat al langer dan een paar maanden volhouden.
De rest betrekt het nieuws van de gevestigde journalistiek en geeft er commentaar op. Dat betekent dat het debatcircuit wel veel groter is geworden en dat de platformfunctie van de traditionele media er een belangrijke concurrent heeft bij gekregen. Maar er is, een handvol amateursites uitgezonderd, geen sprake van eigen nieuwsgaring. De concurrentie van de weblog bestaat simpelweg uit de tijd die het van de mediaconsument afsnoept.

Wat er wél gebeurt

Laat ik de vraag eens van de andere kant benaderen: wat gebeurt er nu wel? Twee ontwikkelingen spelen naar mijn mening door elkaar. De journalistiek heeft nooit een informatiemonopolie gehad, maar daarvan is nu helemaal geen sprake meer. Jan Marijnissen richt zich met zijn weblog nu ook rechtreeks aan zijn kiezers, Greenpeace heeft een online nieuwsbrief en Shell zet de jaarverslagen zelf ook op de site. Daarmee wordt Jan Marijnissen of de webredacteur van Shell geen journalist, maar het betekent wel dat de bronnen zich ook rechtstreeks aan de lezers kunnen richten. Juist de grote vlucht die de communicatie- en voorlichtingsbranche neemt maakt het informatielandschap steeds complexer. Het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, zij ruiken de grote kans mensen aan zich te binden door de kritische journalistiek te omzeilen.

Daarbovenop is het voor mij helder dat de laagdrempelige en goedkope technieken om journalistiek te publiceren en te distribueren vooral de kleinschalige producties bevoordelen. Het is niet vreemd dat de grootste succes in de online journalistiek behaald worden door de lokale journalistiek (let op: vaak gepensioneerde journalisten!) of de doelgroepensites. Internet kan een massamedium zijn, maar faciliteert bij uitstek een versplintering. Steeds kleinere doelgroepen hebben de beschikking over een eigen redactioneel medium. Dat is niet – en dat beschouw ik maar even als het vierde misverstand – hetzelfde als zeggen dat massamedia uitsterven. Waarom, als het mogelijk word je als journalist op steeds kleinere doelgroepen te richten, het onmogelijk grote groepen te bereiken? Waarom zou het één het ander uitsluiten?

Journalist onmisbaarder dan ooit

De professionele journalistiek zal naar mijn vaste overtuiging juist inhoudelijk kunnen profiteren van het stijgen van de deskundigheid op deelgebieden. De rol van de journalist zal daardoor ongetwijfeld langzaam veranderen. Hij/zij wordt veel meer een samenvatter, een richtingwijzer, een bronnenduider, een spin in het steeds complexere web dat informatiemaatschappij is gaan heten. De journalistiek verandert, maar het is mijn vaste overtuiging dat journalisten – mits onafhankelijk – zich over de toekomst van het vak geen zorgen hoeven te maken. De journalist wordt juist onmisbaarder dan ooit. Ik geef toe, dat klinkt wat saai en nuchter. Maar ik heb mijn ambitie om goeroe te worden dan ook al lang laten varen…

Erik van Heeswijk is freelance internetjournalist (www.capablanca.nl) en vice-voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten

20 reacties

  1. Ik ben het met je eens. De rol van de journalist zal veranderen zoals je in je laatste alinea schrijft.

    Echter nog 2tal toevoegingen / citaten die mij aan het denken hebben gezet over de rol van de journalist.

    “The role of the publisher is beginning to shift from creator of content to manager of markets.”

    “Journalism needs to become a community service rather than a profit centre”

  2. Over die taakverdeling heb je vanzelfsprekend gelijk. Maar daar spreek je jezelf in je verhaal tegen: want als je geinteresseerd bent in wijn, videogames, marketing, strips, breien of wat dan ook kom je snel bij blogs terecht. Waarom het moeilijk is een groot publiek te bereiken, vraag je? Het punt is dat om een groot publiek te bereiken, je een groot publiek moet aanspreken, dus op een grote gemene deler. Dat is wat in de krant staat, een selectie van nieuws dat voor ‘iedereen interessant’ wordt geacht. Maar daar geloof ik niks van: ik sla de helft over, en de tijd die ik uitspaar besteed ik op internet met het lezen van blogs die naadloos aansluiten op mijn interesses. En die zijn juist geschreven door experts. Journalisten zijn mensen die met behulp van training en vaardigheden over alle onderwerpen zouden moeten kunnen schrijven. Nou, heb je ooit wel eens een krantenartikel gelezen over een onderwerp waarvan je zelf toevallig veel wist? Doorgaans zijn die artikelen domweg slecht.

    “De journalistiek verandert, maar het is mijn vaste overtuiging dat journalisten – mits onafhankelijk – zich over de toekomst van het vak geen zorgen hoeven te maken.”

    Ik ben benieuwd naar je analyse van organisatievormen. Elke samenleving neigt ernaar om instituties en regels te vervangen door andere wanneer die beter werken. Als je bij wijze van gedachte-experiment een media-infrastructuur voor Nederland zou mogen ontwerpen, zou je dan kiezen voor grote panden voor dagbladen waar honderden redacteuren op elkaar zijn afgestemd om kranten te maken? Of televisiestations die content van productiemaatschappijen bundelen en door tv-kanalen versturen? Lijkt mij niet.

    De grootste denkfout die door critici van weblogs e.d. wordt gemaakt, is heel snel te roepen dat er in een informatiesamenleving altijd behoefte is aan duiding door professionals, en dat weblogs niet journalistiek zijn. Want nee, bij de slager wordt geen wederhoor toegepast. Maar daar heb je al iets: wederhoor. Hoor en wederhoor is een principe dat zijn nut voornamelijk heeft in een wereld waarin professionele poortwachtende journalisten bepalen wie toegang heeft tot het publieke debat. Webloggers checken hun feiten niet omdat verantwoordelijkheid voor de betrouwbaarheid van informatie bij de bron komt te liggen ipv bij de weblogger, omdat bij gelijke toegang tot het publieke debat verantwoordelijkheid voor informatie verschuift naar elke respectievelijke bron; wederhoor is om diezelfde reden minder belangrijk, want als je iets wil corrigeren dan plaats je een comment of een eigen weblogposting. Dan kun je roepen dat het geen professionele journalistiek is, maar dan is de belangrijkste constatering dat je referentiekader verouderd is.

    Communicatie vindt op andere manieren plaats in een nieuwemediawereld, en dat heeft consequenties voor de journalistiek: voor journalistieke normen en waarden, en ook voor de verdeling van journalistieke taken en de inrichting van de media-infrastructuur. Want last time I checked ging er in 1 jaar tien procent van de oplages van de dagbladen af. Die honderden redacteuren die eruit moeten bij Wegener: wie gaat ze vertellen dat ze niet hoeven vrezen voor de toekomst van de professionele journalistiek?

    Ja, er is altijd behoefte aan duiding, bewegwijzering, et cetera. Maar het bruggetje naar de constatering dat de huidige professionele beroepsgroep niets heeft te vrezen is mij te makkelijk gemaakt.

  3. Hoewel ik Erik’s woorden zou kunnen afdoen als onvermijdelijk gezien zijn identiteit als NVJ-bestuurslid (dan kan je moeilijk beweren dat onder bepaalde omstandigheden beroepsjournalisten overbodig zijn) – maar dat zou flauw zijn… en voorbij gaan aan het feit dat het fantastisch is dat iemand met een nieuwe media achtergrond en een heldere visie op het vak vice-voorzitter van de NVJ is. Dus dan maar een paar inhoudelijke kanttekeningen.

    Allereerst: journalistiek wordt zeker niet overbodig MITS ze maar evolueert, vernieuwt en verfrist – economisch zowel als creatief, intellectueel zowel als commercieel. Ik ben het met Erik eens dat iedereen die roept dat journalistiek sowieso tot uitsterven gedoemd is inderdaad zomaar wat roept.

    Erik’s visie op die noodzakelijke verfrissing is m.i. juist het probleem: het reikt niet diep genoeg, maar gaat uit van een benijdenswaardige overtuiging dat er met het basismodel van journalistiek op zich niets mis is. Sterker nog – de Journalistiek is “onmisbaarder dan ooit”. In de jaren twintig van de 20ste eeuw riep de voorzitter van de Nederlandsche Journalisten Kring dat ook om te waarschuwen tegen de komst van vrouwen in de journalistiek en de opmars van radio en andere nieuwerwetsigheden. Hielp toen niet, helpt nu ook niet. Groot verschil met toen: het duurde sinds 1930 nog zo’n 50 jaar voordat vrouwen daadwerkelijk een rol gingen spelen op redacties. Nu duurt het 5 jaar tot een aangekondigde verandering al tot de dagelijke werkelijkheid hoort. En mijn voorspelling is dat verandering OP ZICHZELF de nieuwe permanente conditie is, of wordt.

    Ondanks dit alles blijven veel journalisten en hun belangenbehartigers dit soort kreten – “nu hebben mensen ons pas echt nodig!” – regelmatig slaken. Zo’n uitspraak is daarmee strategisch: bedoeld om een fundamentele overpeinzing van het hoe en waarom van het vak uit te sluiten, dan wel exclusief voor te behouden aan vakgenoten (want die zijn tenslotte “onmisbaar” – de rest roept maar wat, zijn “goeroes” die je vooral niet serieus moet nemen).

    Kijk, niet alleen volgt tante Sjaan op de hoek, slager Mohammed of tiener Johnny het nieuws niet meer – president Bush doet dat ook niet. Journalistiek is (en was altijd al) MISBAAR – nu meer dan ooit.

    De “Iedereen Is Journalist”-theorie van het leven in een ‘redactionele samenleving’ gaat uit van een ‘vloeibaar moderne’ maatschappijvisie, waarin vastgesteld wordt dat vandaag de dag informatiebeheer een noodzakelijke overlevingsstrategie voor elke burger van onze ‘kenniseconomie’ is – een burger waarvan verder verwacht wordt dat zij zelf, volstrekt individueel, verantwoordelijk is voor alles wat haar aan gaat: sociale zekerheid, werkgelegenheid, pensioensvoorziening, opleiding, nieuws, enzovoorts. In die context is de opmerking ‘iedereen is journalist’ geen aanklacht tegen (goede of slechte) journalistiek, maar juist de bevrijding van journalisten uit het harnas van de 20ste eeuwse massamedia.

    Het feit dat de opvattingen ingebed in nieuwe media profetieen of goeroe-voorspellingen primair worden gezien als bedreigend in plaats bevrijdend, zegt veel over de spagaat waarin mediaberoepen zich tegenwoordig terugvinden. Goede journalisten zoals Erik snappen ook wel dat ze iets moeten met nieuwe media en een snel veranderende samenleving, maar zijn min of meer gedwongen hun antwoord op deze trends te formuleren binnen de bestaande, doorgewinterde en door vallen en opstaan gevestige manier van dingen doen binnen de beroepsgroep. En juist DAAR wringt de schoen, daaruit blijkt het hoge ‘zombie’-gehalte van de eigentijdse massajournalistiek – en daarom reikt een min of meer kritische zelfreflectie vaak niet diep genoeg.

  4. Een verfrissend geluid, Erik! De huidige mediadiscussie hangt inderdaad van vooroordelen aan elkaar. Tegelijk ben ik het met Mark eens dat de traditionele journalistiek zeker ook goed aan zelfreflectie moet doen. Verandering van het medialandschap (en dan met name de digitalisering) vereist een andere, snellere manier van schakelen met je publiek.

    Jaap daarentegen vertegenwoordigt mijns inziens het naieve goeroedenken: waarom zou je informatie over wijn, videogames, marketing of strips bij uitstek van blogs kunnen halen? Ikzelf lees alle marketingbladen die er zijn (en schrijf voor eentje daarvan: Adformatie), terwijl ik in mijn vrije tijd diverse bladen over strips consumeer: Stripschrift, Myx, Zone 5300, ZozoLala en soms The Comics Journal. Om nog maar te zwijgen over het aanbod van gamesbladen – maar dat is toevallig mijn hobby niet. Prima dat er weblogs over bestaan, maar het is te kort door de bocht om die als primaire bron te noemen. Sterker nog: ze schrijven vaak al die vak- of hobbybladen braaf over. Echte hobby-Kuifjes dus.

  5. Oh, maar ook tijdschriften lijken mij prima geschikt om in specifieke informatiebehoefte te voorzien, hoor. Mijn punt was dat Erik slechts spreekt over de behoefte aan journalisten in de toekomst, maar niet kijkt naar het verband tussen veranderende communicatiepatronen en media&organisaties. Toegegeven, het zou inderdaad naief zijn te veronderstellen dat al die bladen zouden verdwijnen en dat alles op internet gebeurt, dat zal ik niet doen. Maar het is eveneens naief om de onmiskenbare trend niet de onderkennen dat steeds meer communicatie en informatieconsumptie via internet plaatsvindt en dat communicatieprocessen zich daar op heel andere wijzen voltrekken.

    Ik denk dat het ook naief zou zijn om te veronderstellen dat journalisten bepaalde magische vaardigheden hebben waaraan dan ook nog per definitie behoefte zou zijn; dat is, om aan te sluiten bij Mark, ook gewoon een strategische zet: benadrukken van professionaliteit als rechtvaardiging voor een bevoorrechte positie in de samenleving, als onmisbaar element in de democratie. Die denktrant plaatst de journalistiek boven alle maatschappelijke en technologische veranderingen, terwijl ze er deel van uit maakt. De journalist die daarvoor de ogen sluit lijkt me in professioneel opzicht wel degelijk ten dode opgeschreven.

  6. Madeleen Koldewe (student journalistiek) schreef op 19 mei 2006 om 10:52

    Ik denk ook dat de professionele journalistiek niet zal verdwijnen door weblogs ed., maar juist zal actualiseren. Journalisten moeten met de tijd mee, dat is waar. Voor een deel ben ik het eens met Jeroen. Traditionele media zou meer aan zelfreflectie moeten doen. Toch gaat al een groot deel mee met de digitalisering. De Volkskrant, NRC, Elsevier en meer hebben een weblog en een prima site. Volkskrant heeft daarnaast ook de Nieuwskraker. Via de kraker kan de consument op ieder gewenst moment het laatste nieuws op vragen. Daaruit kun je afleiden dat de traditionele media, in dit voorbeeld de Volkskrant, meegaan met de tijd en leren van de ‘amateurs’ of burger, hoe je het ook wil noemen.
    Niet iedereen gaat nog mee. Happinezz is tijdschrift van het jaar geworden en doet niets met de site. Er staat niets nieuws op en er is geen discussieplatform.
    Daarnaast denk ik dat als de professionele media meer gebruik zou maken van de mogelijkheden van het net, print niet uit het straatbeeld zal verdwijnen de komende twintig jaar. Lange teksen zijn prettiger te lezen in print dan op het beeldscherm. Tijdschriften zullen niet verdwijnen in mijn visie.
    Wat betreft kranten; Nieuws kan iedereen van het net af halen. Hierdoor zullen kranten steeds meer de kant van opiniebladen opgaan, denk ik. Ze zullen minder korte nieuwsberichten opnemen, waardoor er ruimte voor langere diepgravendere artikelen vrij komt.
    De evolutieleer zal hier ook van toepassing zijn. Wie mee gaat met zijn tijd zal overleven. Maar dat betekent niet dat professionele journalistiek uitsterft.

  7. ‘Magische vaardigheden’ hebben journalisten niet – en moeten ze ook niet pretenderen te hebben. Maar laten we de vergelijking met de bakker en de automonteur doortrekken: ik kan ook best een brood bakken en een vriend van me kan zelfs aan auto’s sleutelen, maar we laten dat toch liever over aan degenen die daarvoor zijn opgeleid – zij doen het sneller en efficienter, zodat ik tijd hou om mijn eigen dingen te doen.

  8. Madeleen Koldewe (student journalistiek) schreef op 19 mei 2006 om 11:09

    Ik ben het eens met Jaap dat als een journalist zich niet openstelt voor de technologische veranderingen hij zal uitsterven. De evolutieleer blijft van toepassing in deze tijd. Maar dat betekent niet dat de professionele journalistiek ten dode is opgeschreven.
    Natuurlijk moeten de traditionele media met hun tijd meegaan. Dit gebeurt ook al wel. Kijk maar eens naar de Volkskrant, NRC, Elsevier. Allen hebben een prima site plus weblog. Daarbij heeft de Volkskrant ook de nieuwskraker, waardoor de consument op ieder gewenst moment het laatste nieuws kan opvragen.
    De professionele journalistiek leert van de amateur, of burger. En zal er ook op inspelen. De aankomende journalisten zijn opgegroeid in het digitale tijdperk. Het is een proces waar tijd overheen gaat. Ik denk dan ook dat weblogs e.d. de professionele journalistiek niet zullen vervangen maar actualiseren.

  9. Laten we dan man en paard noemen: je besteedt het vullen van kranten en tijdschriften graag uit aan professionals, zodat jij je eigen ding kan doen. Dat is inderdaad efficiënt; het sluit aan bij GJ Bogaerts’ betoog dat de mens te lui is om het allemaal zelf te doen. Dat is het heerlijke wereldbeeld van professionele journalisten: zij vervullen een taak die aan hen is uitbesteed niet alleen omdat ze zo goed zijn, nee hoor, vooral omdat mensen het zelf niet zullen doen. Maar hoe verklaar jij vanuit dat schoenmaker-blijf-bij-je-leest-wereldbeeld dan het bestaan van Wikipedia? Of het bestaan van miljoenen weblogs?
    Weblogs kunnen in bovenstaand wereldbeeld maar 1 ding zijn: hobbyplatforms. Lekker overzichtelijk: je hebt professionele journalistiek waar je wat aan hebt en hobbykuifjes zoals Tante Sjaan. Dat is wat jij lijkt te zeggen, en het is zeker de tweedeling die Erik van Heeswijk maakt.
    Nou, op het gevaar af van naief goeroeïsme te worden beticht, dat verhaal kennen we eigenlijk wel (zie ook deze verzuchting van Martijn de Waal), en doet geen recht aan de realiteit, waarin mensen de vervelende neiging hebben actief met informatie om te gaan in plaats van ze in hapklare brokken te consumeren, waar er ook professionele weblogs en podcasts opkomen, kranten uitvogelen hoe ze zich het beste kunnen voegen naar de sociale netwerkstructuur van internett, er interessante synthesen tussen oude en nieuwe journalistiek ontstaan, en er vanuit gezond optimisme en een afkeer van bejaarde dogma’s wordt gekeken hoe de journalistiek zichzelf kan vernieuwen.

  10. @Jaap: Blogs en nieuwsmedia, dat is inderdaad en/en. Natuurlijk vervullen de weblogs een nieuwsfunctie. Maar zonder de nieuwsmedia zouden de blogs veel groot nieuws niet kunnen coveren, om de simpele reden dat ze niet van het bestaan ervan op de hoogte zijn gebracht (door de media).

    Natuurlijk kunnen bloggers wel degelijk nieuws coveren, onder meer ook via pod- en vodcasts. Maar ze coveren niet alles. Zo lopen er geen amateur-vloggers rond in Irak, om maar iets te noemen. Het wordt dus – zoals we allebei hierboven betogen – een nieuwe synthese tussen oude en nieuwe journalistiek.

  11. Het gaat inderdaad om het zoeken naar de synthese. Maar over Irak: er zijn juist zat Irakese bloggers die vanuit hun perspectief in het Engels verslag doen van wat er aan de hand is, en zijn een erg belangrijke aanvulling op het ‘embedded journalism’ van Westerse journalisten die afhankelijk zijn van militaire krachten en moeilijk tot de haarvaten van de Iraakse samenleving kunnen doordringen. Beroemdste is Healing Iraq, en op Iraq Blogcount wordt een overzicht van andere Iraakse blogs (ook veel van Iraakse migranten) bijgehouden.

  12. Kijk, zo word ik weer positief verrast!

  13. Erik van Heeswijk schreef op 19 mei 2006 om 15:45

    Iedereen dank voor het commentaar, stimulerend. Ik geloof wel dat het hard nodig is dat ik mijn positie nog een keertje toelicht. Want voor je het weet word je met je 32 jaar en tien jaar ervaring in de internetjournalistiek een conservatieve belangenbehartiger genoemd, met een tekort aan zelfreflectie. Even spijkers met koppen.

    Ik ben uiteraard niet voor niks journalist geworden op het grensvlak met de nieuwe media: ik geloof werkelijk dat internet de journalistiek in meer zal veranderen dan alles daarvoor. Ik kan een heel eind meegaan in wat Mark Deuze de redactionele gemeenschap noemt en zie ook heus wel dat de komst van weblogs betekent dat ook deskundigen zich in de discussie kunnen mengen, dat journalisten worden gecontroleerd en dat dat belangrijke ontwikkelingen zijn. Sterker nog: ik weiger tegenwoordig te discussiëren met journalisten die er niet van overtuigd dat nieuwe media een belangrijke invloed op de journalistiek heeft. Die neem ik niet meer serieus, daar verspil ik mijn tijd niet meer aan, die emancipatiefase heb ik gehad.

    Waar ik me nog wel druk over maak is dat naar mijn smaak de gehele discussie verkeerd wordt gevoerd. Teveel argumenteert men in termen van wat filosofen noemen ‘ de contraire tegenstelling’: het is niet (meer) dit, dus dan moet het tegenovergestelde aan de hand zijn. Dat leidt tot gemakkelijke beeldvorming en discussies waar de feiten geen enkele rol meer in lijken te spelen. Het worden karikatuiren en onvervalste drogredeneringen, zoals: Er komen meer media voor kleine doelgroepen, dus dan bestaan massamedia helemaal niet meer. Professionele journalisten hebben geen informatiemonopolie (meer), dus dan hebben ze geen functie meer en sterven uit. Of ook: het is technisch mogelijk om zelfstandig te publiceren, dus is iedereen journalist.

    Het is te gemakkelijk om de bestaande journalistiek inertie te verwijten, een te langzame evolutie en daarna maar de revolutie uit te roepen. Ik waardeer Mark Deuze buitengewoon maar zinsneden als deze kunnen naar mijn smaak echt niet voor een zichzelf respecterend wetenschapper: “Kijk, niet alleen volgt tante Sjaan op de hoek, slager Mohammed of tiener Johnny het nieuws niet meer – president Bush doet dat ook niet.” Het precies het type redenering dat ik bedoel: de journalistiek staat onder druk, dan zal niemand er vast nog gebruik van maken… Mark, afgelopen week had 90% van de Nederlanders een mening over de kwestie Hirsi Ali en Verdonk, hadden ze dat van weblogs meegekregen (bezoek ze maar eens, zij vervullen hun rol als meningenplatforms!!!)? Wil je nog heel even opzoeken hoeveel mensen nog een krant thuis ontvangen en actualiteiten op TV kijken, voordat je het helemaal afschrijft?

    Ik snap inderdaad dat de bestaande journalistiek een antwoord moet formuleren op de razendsnelle ontwikkelingen. Maar als Mark Deuze zegt dat het hele wezen van de journalistiek niet meer klopt en daaruit zelfs het ‘ zombie’-gehalte van de journalistiek uit afleidt, wat bedoelt ie daar dan mee? De scheiding tussen inhoud en commercie is achterhaald? Tussen feit en mening? Dat journalisten betaald worden? Waar bestaat dat wezen van de journalistiek dan uit, wat kan er echt niet meer en waar blijkt dat eigenlijk uit?

    Uiteraard hebben betaalde journalisten geen ‘magische eigenschappen’ maar doen ze simpelweg hun werk, dat heeft weinig met de luiheid van de nieuwsconsument te maken. Ik zie niet in wat daar zo moeilijk te begrijpen is. Een mens kan nu eenmaal niet alles tegelijkertijd doen en ‘huurt’ door een abonnement iemand in die dat met ervaring doet. Dat heet een beroep. Zo bestaan bakkers, stratenmakers, politici, advocaten en wetenschappers ook bij de gratie van het feit dat er voor ieder mens maar 24 uur in een dag zitten en we niet alles zelf kunnen doen.
    Dat zegt dus juist helemaal niet dat ik vind dat webloggers per definitie helemaal niets te melden hebben, ze bij hun eigen leest moeten blijven of niet zelf informatie van betere kwaliteit kunnen verzorgen. Ik zeg alleen maar dat ze opgeteld geen vervanger zijn van de professionele journalistiek. De meeste weblogs zijn niet journalistiek relevant (en dat mag in dit land!) en de procent die het wel is vervult een heel andere rol. De beste weblogs zijn deskundigen op deelgebieden (lokaal of inhoudelijk) Zo schreef ik: “De professionele journalistiek zal naar mijn vaste overtuiging juist inhoudelijk kunnen profiteren van het stijgen van de deskundigheid op deelgebieden. De rol van de journalist zal daardoor ongetwijfeld langzaam veranderen.”

    Tot slot is mijn constatering dat journalisten steeds onmisbaar worden geen “strategische, bedoeld om een fundamentele overpeinzing van het hoe en waarom van het vak uit te sluiten.” Als dat zou was, was ik in de tijd dat ik dit artikel schreef wel iets nuttigers gaan doen. Ik geloof dat ik met stromen van artikelen over dit onderwerp op dat voordeel van de twijfel nog wel mag rekenen. Nee, het is een diepgevoelde overtuiging, juist omdat ik ook zie dat we naar een informatiemaatschappij (of ‘’redactionele samenleving’) toe gaan, waarin journalisten als informatiemanagers (om maar eens een vreselijk woord te gebruiken) een nog belangrijkere rol kunnen spelen dan ze nu al doen. Want er is simpelweg meer informatie om te ‘managen’ .
    Dat heeft weinig met een gebrek aan zelfreflectie te maken.

    NB Dat hoor ik vaak: dat mensen “de vervelende neiging hebben actief met informatie om te gaan in plaats van ze in hapklare brokken te consumeren”. Enig idee hoeveel mensen een weblog onderhouden of er discussiëren ten opzichte van de mensen die er simpelweg consumeren? Gezien mijn jarenlange ervaring met redactionele commnunity’s en weblogs: een procent actievelingen is een uitstekende score…

  14. Dank voor je respons, Erik – goed voor het debat hier. Een enkel woord naar aanleiding van je terechte kritiek.

    “Ik waardeer Mark Deuze buitengewoon maar zinsneden als deze kunnen naar mijn smaak echt niet voor een zichzelf respecterend wetenschapper: “Kijk, niet alleen volgt tante Sjaan…” Oeps. Gelijk heb je, Erik. Maar ach, zoveel zelfrespect heb nu ook weer niet :-)

    “Maar als Mark Deuze zegt dat het hele wezen van de journalistiek niet meer klopt en daaruit zelfs het ‘ zombie’-gehalte van de journalistiek uit afleidt, wat bedoelt ie daar dan mee?” Die is lastiger. Toch maar een poging!

    Vanzelfsprekend besef ik ook wel dat er op dit moment heel veel gaande is in de journalistiek, dat er op tal van redacties hevig wordt gedebatteerd, geinnoveerd – en tegelijkertijd ook veel collega’s worden ontslagen of simpelweg niet meer worden aangenomen. Dat draagt bij aan mijn passie voor een diepere zelfreflectie, min of meer in de stijl van voormalig UvA-collega Irene Costera Meijer, die de fundamenten van de journalistiek aan de kaak stelt – uitgaande van de identiteit van de individuele journalist, wiens werk mij het naast aan het hart ligt.

    Beseffende dat ik nu nog steeds niet zoveel concreets heb gezegd… ik haal de inspiratie voor mijn zombie-verwijzing uit het werk van de Duitse socioloog Ulrich Beck, die tekeer gaat tegen het type wetenschap dat alles wat er gaande is in de wereld nog netjes probeert in te kaderen volgens de traditionele institutionele lijnen: dit hoort bij politiek, dit bij de persoonlijke levensfeer, dit is mening, dat is feit, en de rest is economie. Onzin, roept Beck, dat is zombie-sociologie bedrijven, weg ermee. De veranderende wereld willen vangen in termen van de instituten en definities die juist aan het disintegreren zijn is, op z’n best, een tijdelijke overlevingsstrategie en op z’n slechtst ontneemt het mensen (journalisten, goeroes, welwillende burgers, allochtonen, whatever) de mogelijkheid met echte vernieuwingen of oplossingen te komen. Dat bedoel ik met ‘strategische’ reflectie.

    Een vloeibaar modern wereldbeeld – schatplichtig aan nog zo’n socioloog, Zygmunt Bauman – stelt dat de wereld een zootje is, waarin alles door elkaar heen loopt en de verantwoordelijkheid om er wijs uit te worden steeds meer het individu in de schoenen wordt geschoven. Zoekt U het zelf maar uit. Die lijn doortrekkende naar de journalistiek verklaart de intrede van de burgerjournalist en het m.i. reddeloze van klassieke journalistieke redeneringen als “nu zijn we dan toch echt onmisbaar!” Want Erik, in alle oprechtheid, als je zelf geen journalist zou zijn: wat is nu precies de overtuigingskracht van het argument dat ‘beroepsjournalistiek’ juist onmisbaar wordt omdat er steeds meer informatie in de wereld beschikbaar is? Journalistiek is onmisbaar in een situatie van informatieschaarste: als we niet bij de feiten en meningen kunnen komen, maar daar journalisten voor nodig hebben. Ten dele is dat nog zo – onderzoeksjournalistiek, maar welke omroep of uitgever investeert daar nog in – maar de meeste informatie die journalisten verkopen is elders voor niets dan wel direct “from the horse’s mouth” te verkrijgen.

    Die rederening volgende, is het gegeven dat veel mensen nu een mening over Verdonk mening hebben maar tegelijkertijd niet weten dat Berlusconi de verkiezingen in Italie verloren heeft geen bewijs voor de misbaarheid dan wel onmisbaarheid van professionele nieuwsmedia, maar is juist tekenend voor de volstrekte willekeur van ons informatie- en waarheidsgedrag.

    De journalist bepaalt niet (meer) wat ‘feiten’ of ‘meningen’ zijn, dat doen sociale en technologische netwerken – en aan die discussie moet de journalistiek deelnemen op basis van de kenmerken en waarden van die netwerken, niet uitsluitend die van de aloude, min of meer ‘kenbare’ samenleving. Dat is het verschil tussen een zombie-journalistiek en een vloeibare journalistiek.

    Tot slot: “Zo bestaan bakkers, stratenmakers, politici, advocaten en wetenschappers ook bij de gratie van het feit dat er voor ieder mens maar 24 uur in een dag zitten en we niet alles zelf kunnen doen.” Tja, dat is wel waar, maar gaat voorbij aan de maatschappelijke ontwikkeling naar individualisering, zelfredzaamheid en disintegratie van sociale systemen die er vroeger voor zorgden dat veel dingen in de samenleving voor de meeste mensen over het algemeen redelijk geregeld en gedaan werden. Die zekerheden zijn overhoop gehaald – door neoliberale politiek, door de allesverzengende marktwerking, door de mondige burger…

    De stelling “iedereen is journalist” is met andere woorden eerder een retorische dan een letterlijke: het stelt je (wel, mij) in staat verder te kijken dan mijn institutionele journalistiek neus lang is. Neemt niet weg dat jouw overtuiging de meest nuttige en noodzakelijke is voor een redactie of journalistenopleiding om het gevoel te behouden, dat wat we doen er toe doet. Niet?

  15. Pingback: MediaBlog »

  16. Erik van Heeswijk schreef op 22 mei 2006 om 15:50

    “De stelling “iedereen is journalist” is met andere woorden eerder een retorische dan een letterlijke: het stelt je (wel, mij) in staat verder te kijken dan mijn institutionele journalistiek neus lang is.”

    Ah, kijk, dan kan ik er ook weer enigszins mee leven. Maar dat het een retorisch hulpmiddel is, is vast niet iedereen duidelijk Mark! Bovendien, hoe lang is je neus en hoe lang mag die zijn? Laat ik ook eens citeren: De filosoof leibniz zei al lang geleden dat vooruitgang betekent dat we het goede moeten behouden en het kwade moeten wegsnijden.

    In dat kader: wat is er eigenlijk mis met die institutionele neus of de ‘nieuwe journalistiek’ en wat is er goed aan? Wat is mogelijk en wat is realistisch? Dat zijn naar mijn smaak de wezenlijke vragen en ik hoop altijd maar van harte dat e ze netjes uit elkaar kunnen houden, want meestal ontaardt de discussie in een wetenschappelijke janboel. Ik zal mijn best doen hier regelmatig mijn geluid daarover te laten horen. Ik ga me ondertussen verdiepen in de ‘vloeibare journalistiek’ en de ‘redactionele samenleving’…

  17. Allard Kallansee schreef op 29 mei 2006 om 09:09

    “De journalistiek verandert, maar het is mijn vaste overtuiging dat journalisten – mits onafhankelijk – zich over de toekomst van het vak geen zorgen hoeven te maken”.

    Hoe kijk jij aan tegen de uitzending van Zembla over Ayaan Hirsi Ali ? Van Dongen en Driehuis lijken niet erg onafhankelijk. Het is pijnlijk (als een voormalig Zembla fan) te ontdekken dat al hun “onthullingen” oud nieuws waren. Als Jos van Dongen 5 minuten op het internet had gezocht, had hij zich een reis naar Kenia kunnen besparen. Nu denk ik dat van Dongen best kan internetten en daarom trek ik zijn onafhankelijkheid ook in twijfel.

    Nu mag je best oude feiten verzamelen, maar zeg dat er dan tenminste bij. Door het format (bv de reis naar Kenia, het filmen van namenlijsten van een school)lijkt het net alsof Jos van Dongen allerlei zaken ontdekt.

    Het zou aardig zijn als een journalist de handschoen oppakt en “Zembla” eens aan een onderzoek onderwerpt. Wie zijn van Dongen en Driehuis ? Wat zijn hun banden met de PvdA ? Waarom verzwegen zij dat de door hun genoemde feiten over Ayaan her en der in de media aan bod zijn geweest ?

    Als journalisten elkaar ook onderzoeken en politiek gedreven broddelwerk publiekelijk afstraffen, maak ik mij ook geen zorgen over de toekomst van het vak.

    Ps ik ben geen VVD’er en ook niet iemand uit het “Ayaan kan niets fout doen” kamp.

  18. Pingback: Voorlopige literatuurlijst at Jaap Stronks

  19. Pingback: Meeneemtentamen: Opdracht 1 « R604

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>