Het Jaarboek ICT en Samenleving van het SCP besteedt dit jaar aandacht aan de online mores van de ‘Digitale Generatie’ – ook wel bekend als Generatie C (content) Generatie M (Media) de Myspace-generatie, of de MSN-generatie. In meer wetenschappelijke termen: het demografische cohort dat na 1980 is geboren. Het internet, zo schrijven de samenstellers van deze bundel, is voor hen wat voor eerdere generaties de ruimte achter het fietsenhok was: een plek waar ze elkaar ontmoeten, waar ze – dat hoort immers bij de leeftijd – experimenteren met identiteiten, waar wordt gepest en verkeringen ontstaan en weer uitgaan, waar jongeren ideeën en informatie uitwisselen en met elkaar delen.
Het internet is voor deze generatie zo vooral ook een publieke sfeer. Al is het een bijzondere publieke sfeer: ouders, docenten en andere opvoeders lopen zo achter bij alle ontwikkelingen, dat ze werkelijk geen idee hebben wat zich daar afspeelt, laat staan dat ze zich in de discussies kunnen mengen, blijkt uit het jaarboek. Cultuuroverdracht vindt er vooral horizontaal plaats: jongeren nemen meer dan ooit elkaar de maat. Het aloude ‘generatieconflict’ zou zelfs plaats hebben gemaakt voor een ‘generatiestilte’.
Wat voor een publieke sfeer is dat dan precies, die bestaat uit hyves, msn-lijsten, myspaces en sugababesprofielen? Is het, zoals critici beweren, een plek waar iedereen zich terugtrekt in zijn eigen idiosyncratische subcultuur, waar iedereen maar plompverloren zegt wat die denkt (in vakterminologie: ‘het Pim Fortuyn-syndroom’), en die een gevaar vormt voor de democratie waarin toch juist massamedia als kranten en televisie zo’n belangrijke structurerende rol spelen?
Wie dat beweert, zo stellen de auteurs, maakt de denkfout door de nieuwe media puur vanuit het perspectief van de oude media te beschouwen. Het digitale medialandschap biedt ook zonder centrale structuren wel degelijk nieuwe mogelijkheden tot bindingen tussen groepen, tot uitwisselingen en confrontatie. De fora van websites als Maroc.nl worden bijvoorbeeld ook door autochtonen bezocht, en dat zijn heus niet alleen ruziezoekers op zoek naar een digitaal opstootje. Maar helemaal vanzelf gaat die uitwisseling ook weer niet. Actieve opstelling van forumbeheerders is nodig om de ergste querulanten uit elkaar te trekken of zelfs helemaal van het forum te weren – iets wat overigens voor veel sites geldt waar lezers vrijelijk mogen reageren – zie ook dit eerdere artikel op DNR)
Over integratie op internet later meer. Eerst maar even een paar feiten. Het overgrote deel van alle tieners maakt inmiddels intensief gebruik van het internet. Van de jongeren tussen de 9 en 15 jaar besteedt 60 procent het grootste deel van zijn tijd aan het internet. Televisie volgt op grote afstand met 28 procent. MSN-en is veruit de populairste activiteit op internet. Status verkrijg je bij deze generatie door een zo lang mogelijke lijst met MSN-contacten – lijsten met 100 virtuele vrienden zijn geen uitzondering.
Over het gebruik van traditionele media (of zelfs maar de websites van kranten en tijdschriften) lezen we vrijwel niets in deze bundel. Er is vooral gekeken naar al het gegame, gechat, geblog en ge-IM. Met deze – voor tieners wellicht niet al te verrassende – conclusie: voor jongeren draait vrijwel alles om ‘Vitamine R’: het onderhouden van sociale Relaties. Interessanter is dat deze generatie zeer gericht is op het zelf maken van content, dan wel het uitlokken van reacties. Het network-ethos wordt deze houding ook wel genoemd, en die wordt in de conclusie samengevat met deze quote uit een eerder onderzoek van bureau Qrius:
‘met deze nieuwe communicatiemiddelen komt het principe van sharing mee; volwassenen houden kennis en informatie vaak voor zichzelf en bouwen zo een voorsprong op, jongeren hebben de neiging om kennis en informatie te delen’
En alhoewel dat positief lijkt, klinkt er hier en daar ook enige bezorgdheid door in het jaarboek. Die publieke sfeer waarin jongeren worden verleid tot het zelf creëren van content en het delen van informatie is een zeer commerciële omgeving, waarin bedrijven als Microsoft de regels bepalen. Zijn jongeren mediawijs genoeg om door de strategieën van slimme reclamebureau’s heen te prikken? Moeten ze daartoe worden opgeleid?
Andere auteurs vragen zich af of een overmaat van digitaal contact wellicht tot gevoelens van depressie of eenzaamheid kan leiden. Nee, zegt het grootste deel van de jongeren. Het commentaar dat ze bijvoorbeeld op hun superdudes- of sugababesprofiel krijgen van leeftijdgenoten, geeft ze juist meer zelfvertrouwen. Aan de andere kant is er wel degelijk een risicogroep die online niet mee kan komen. Vaak zijn dat dezelfde jongeren die er ook op het fysieke schoolplein wat verloren bijstaan. De nieuwe media kunnen de problemen van de oude media niet oplossen.
Ook niet wanneer het gaat om integratie van minderheden, zo blijkt uit twee artikelen die gewijd zijn aan het mediagebruik van allochtone jongeren. Zo’n tien tot twintig procent van alle allochtonen is vooral op de eigen cultuur gericht en doet weinig moeite te integreren. Dat beeld is ook op internet terug te vinden. Daar tegenover staat dat 51 procent van de Turkse jongeren vooral op Nederland georiënteerde websites bezoekt, bij de Marokkanen is dat 63 procent. En nog eens respectievelijk 34 en 22 procent bezoeken zowel Nederlandse sites als websites die vooral op de eigen cultuur zijn gericht. Voor de auteurs het bewijs dat er op internet – in de termen van de Amerikaanse socioloog – Robert Putnam niet alleen aan bonding (het aangaan van banden met de eigen groep) – wordt gedaan, maar ook bridging (het onderhouden van banden met leden van andere groepen) plaats vindt.
Die conclusie lijkt mij iets te snel getrokken. Het feit dat iemand kennis neemt van de opvattingen van andere groepen in de samenleving betekent niet ook meteen dat er duurzame relaties (sociaal kapitaal) worden gevormd. Ik vraag me zelfs – nu moet ik toegeven dat ik begin met speculeren – af of de auteurs met het gebruik van de oppositionele termen ‘bonding’ en ‘bridging’ niet in de door henzelf gesignaleerde val trappen: het gebruiken van oude termen voor een veranderende samenleving en een veranderend publiek domein.
In de mediasamenleving lijkt er steeds minder sprake van een door iedereen gedeeld publiek domein, en van gedeelde normen en waarden die altijd door iedereen worden gedeeld. Ik zie eerder de opkomst van verschillende domeinen die elkaar soms tijdelijk kunnen overlappen. Daarbij gaat het niet zozeer om het slaan van permanente bruggen, maar eerder om het vinden van een manier om je tijdelijk tot de ander te kunnen verhouden. Om – in de geest van Putnam – een nieuwe term te introduceren: bending.
Dat is ook precies wat er vaak gebeurt op sites als Maroc.nl. Het is bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk om deze site in te delen in een van de categorieën van de onderzoekers: is het een op Nederland gerichte site of eentje die vooral gericht is op de eigen cultuur? De site neemt een tussenpositie in: veel van de discussies gaan over deze vraag: hoe kun je Marokkaan zijn in de Nederlandse samenleving? Hoe kun je je verhouden tot de ander zonder jezelf te kort te doen? Hoe kun je – eventueel tijdelijk – beide posities tegelijkertijd innemen? In een goede beheersing van dat network-ethos zou naar mijn idee de toekomst van de publieke sfeer gezocht moeten worden.
4 reacties