“Het wordt hoog tijd dat ouders en leerkrachten hun opvoedende taak ook met betrekking tot de virtuele wereld serieus invulling gaan geven.” Dit is een van de conclusies van het Sociaal Cultureel Planbureau en het Rathenau Instituut in het vierde jaarboek ICT en samenleving: De digitale generatie. Het is een oproep die de laatste tijd steeds vaker klinkt als het mediagedrag van kinderen en jongeren wordt besproken.
De ‘screenagers’ (waartoe iedereen behoort die pakweg na 1980 is geboren) creëren met behulp van de digitale media een eigen leefwereld waarin ze van alles doen en maken en daarbij voortdurend in verbinding staan met vrienden en bekenden. Oftewel: life takes place onscreen. Maar ondertussen hebben de ‘analoge generaties’ steeds meer moeite om aansluiting te vinden bij het virtuele leven van hun nakomelingen. Het is even slikken als je kinderen liever een WK-wedstrijd op hun Gamecube ‘naspelen’ dan de wedstrijd live op de televisie volgen, als ze direct na school achter de computer kruipen om te MSN’en met de vriendjes waarmee ze de hele dag op school hebben gezeten, of als ze hun zakgeld uitgeven aan noodzakelijke attributen in een online game.
De nieuwe media zijn een wezenlijk onderdeel van het leven van kinderen en ouders zullen hard hun best moeten doen om hun kinderen een beetje te begrijpen en in gesprek te blijven over wat ze doen, maken en beleven in hun virtuele domein. Immers, kinderen hebben in dit domein hetzelfde nodig als in de fysieke wereld: een goede opvoeding. Ze moeten leren wat veilige plekken zijn en waar ze beter niet kunnen komen, wat leuke en geschikte games zijn, waar en hoe ze betrouwbare informatie vinden, hoe ze zich sociaal moeten gedragen en wat ze wel en niet over zichzelf moeten publiceren.
Maar hoe pak je dat aan als ouders? Kinderen beschermen tegen eventuele schadelijke effecten is tot een jaar of zes nog een optie, maar daarna is het zaak dat ze leren om kritisch en bewust om te gaan met media. Ze moeten zoals de Raad voor Cultuur het vorig jaar formuleerde ‘mediawijs’ worden en daarbij heeft het onderwijs een belangrijke taak.
Op zichzelf is dit advies niets nieuws. Een kwart eeuw geleden publiceerde de Unesco de Grünwald Verklaring over media-educatie waarin scholen worden gewezen op hun verantwoordelijkheid om kinderen voor te bereiden op een leven temidden van krachtige beelden, woorden en geluiden. De verklaring bevat een pleidooi voor ‘mediageletterdheid’ en voor een verschuiving in de onderwijsprioriteiten teneinde het kritisch bewustzijn van mediagebruikers te verhogen.
Kijkwijzer
Sinds deze verklaring van begin jaren tachtig is het medialandschap niet alleen flink uitgedijd maar ook sterk veranderd als gevolg van onder meer digitalisering, mondialisering en individualisering. De invloed van de media is sterk toegenomen maar vreemd genoeg is aan de oproep van de Unesco en aan vele vergelijkbare oproepen daarna nauwelijks gehoor gegeven.
Terwijl de overheid de opleiding en vorming van burgers tot volwaardige informatie- en mediagebruikers wel als haar verantwoordelijkheid ziet, ontbreekt het aan een gefundeerde, integrale visie op de uitwerking daarvan. Voor mogelijke schadelijkheid van de media wordt gewaarschuwd via de Kijkwijzer en projecten zoals Digibewust, maar voor het mediawijs maken van kinderen is veel meer nodig.
Zoals ook de Raad voor Cultuur aangeeft, gaat het om het aanleren van verschillende vaardigheden. Kinderen moeten leren begrijpen hoe media werken, hoe media-inhouden geconstrueerd zijn en hoe ze in een context geplaatst kunnen worden. Ze moeten ook leren hoe ze betrouwbare informatie vinden en hoe ze de kwaliteit van informatie bepalen, maar ook hoe ze zelf media-inhouden kunnen maken en publiceren.
Mediakunstenaars
Gelukkig hebben verschillende culturele en kunsteducatieve instellingen de afgelopen jaren mediawijsheid als thema opgepikt. De Mediafabriek, Waag Society, Cinekid, IDFA (www.idfa.nl) het Nationaal Instituut voor Filmeducatie, Beeld en Geluid maar ook bibliotheken, publieke omroepen en mediakunstenaars hebben projecten ontwikkeld voor het onderwijs.
Kinderen leren in deze projecten beelden analyseren, ze leren hoe nieuwsberichten gemaakt worden, wat het effect is van een bepaald camerastandpunt of van bepaalde muziek onder filmbeelden en hoe je verhalen kunt vertellen in beelden. Steeds meer wordt hierbij de ‘hands on-methode’ gebruikt, oftewel leren over media door zelf mediaproducties te maken.
Het zijn vernieuwende projecten met veel potentie, maar de aansluiting tussen deze cultuurinstellingen en het onderwijs is niet eenvoudig en menig initiatief is de afgelopen jaren om die reden gestrand. De ontwikkelaars hebben vaak te weinig kennis van en ervaring met het onderwijs om een project direct geschikt te maken voor gebruik in de klas en veel leerkrachten ontberen de kennis en ervaring om zonder veel voorbereidingen een project direct in te zetten. Het gevolg is dat de zo noodzakelijke ontwikkeling van leermethoden en leerlijnen op het gebied van mediawijsheid zeer moeizaam tot stand komt.
Om hier verandering in te brengen is het belangrijk dat de uitwisseling en kennisoverdracht tussen het onderwijs en de wereld van cultuur en media verder wordt geïntensiveerd en wellicht ook geïnstitutionaliseerd. Als zij zich tezamen verdiepen in de digitale generatie, zullen ze in staat zijn om gepaste methoden en materialen te ontwikkelen om kinderen mediawijs te maken. Tegelijkertijd zouden er meer kindvriendelijke, publieke mediadomeinen gefaciliteerd moeten worden en kwaliteitsmedia meer gestimuleerd en duidelijker gecategoriseerd moeten worden. Naast de eventuele schadelijkheid (Kijkwijzer) zou juist de geschiktheid van mediaproducties voor verschillende leeftijdsgroepen centraal moeten staan.
Pas als ouders en leerkrachten beschikken over voldoende instrumenten, kunnen zij hun opvoedende taak met betrekking tot de virtuele wereld goed uitvoeren.
Pingback: Somethin’ New » Mediaopvoeding, hoe pak je dat aan?