De krant moet kiezen
Kranten moeten zich weer gaan concentreren op hun kerntaken: nieuws en achtergronden. Dat betogen Warna Oosterbaan (redacteur NRC Handelsblad en bijzonder hoogleraar Journalistiek en Samenleving aan de Erasmus Universiteit Rotterdam) en Hans Wansink (parlementair redacteur en commentator van de Volkskrant) in onderstaand essay.
Hebben betaalde kranten nog wel bestaansrecht? Ja, want alleen daar is de kwaliteitsjournalistiek mogelijk die in een moderne samenleving noodzakelijk is. Maar dan moeten de kranten wel stoppen met de steeds verder voortschrijdende verbreding van hun redactionele formules. De toekomst is aan de compacte krant.
Het gaat niet goed met de kranten. Dat is geen nieuws en op zichzelf niet meer dan het decor van deze beschouwing. Het gaat ons om iets anders. Onder druk van rendementseisen en het primaat van de klantenbinding worden verkeerde conclusies getrokken. Er wordt niet in kwaliteit en de diepte van de berichtgeving geïnvesteerd, maar in de breedte en de aantrekkelijke vorm ervan. Van een bedrijf waar frank en vrij verslag wordt gedaan van het reilen en zeilen van de samenleving begint de journalistiek de trekken aan te nemen van een organisatie waar de kopij volgens de uitkomsten van het laatste marktonderzoek wordt geproduceerd. En dat in een tijd waarin de wereld ingewikkelder wordt en de behoefte aan nuchtere analyse en onafhankelijke informatie toeneemt.
Een voorbeeld. Frits van Exter, hoofdredacteur van Trouw, meldde dit voorjaar dat bij zijn krant 20 arbeidsplaatsen moeten verdwijnen. Een paar maanden later kwam hij met een nieuwe onheilstijding: Van Exter ziet zich gedwongen het eigenzinnige katern Letter & Geest op te doeken, een gezichtsbepalende bijlage die niet gemaakt wordt om de lezer te behagen, maar om het debat over controversiële thema’s op het scherpst van de snede te voeren.
Dat is altijd aardig gelukt. Letter & Geest lanceerde kort na 11 september 2001 Ayaan Hirsi Ali met haar beroemde pleidooi voor een verlichte islam: ‘Laat ons niet in de steek. Gun ons een Voltaire’. Een andere ontdekking was de Britse psychiater Theodore Dalrymple, de criticus van de cultuur van het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel die de onderklasse gevangen houdt. Letter & Geest fungeerde als vrijplaats voor conservatieve intellectuelen die publiceerden over ‘het gif van de islam’ en de onwil van ‘slap links’ zich daartegen te wapenen.
Er was meer slecht nieuws. Ook dit jaar daalden de krantenoplagen. In 2005 werden er per dag weer 150.000 minder gedrukt dan in het jaar daarvoor en het totale aantal betaalde kranten bevindt zich nu voor het eerst sinds 1970 onder de 4 miljoen. Daar staat wel tegenover dat de gratis kranten nog steeds aan het groeien zijn – in 2005 was de gezamenlijke oplage van Metro en Spits ongeveer 800.000.
In de Randstad moesten als gevolg van de fusie tussen het Algemeen Dagblad en zeven regionale kranten zo’n 150 banen van redacteuren van de diverse kranten verdwijnen – en daar zal het niet bij blijven. De Telegraaf riep zijn vaste buitenlandse correspondenten terug. De 17 kranten die gebruik maken van de diensten van de Gemeenschappelijke Pers Dienst zien die diensten onder invloed van bezuinigingen steeds meer verschralen. Bij het Dagblad van het Noorden moeten tien redacteuren weg.
Nieuws is overal
Die fusies, teruglopende oplagen en ontslagen zijn bewijzen van het functieverlies van het betaalde dagblad. Nieuws is tegenwoordig overal, en de krant is zijn vooraanstaande positie in de nieuwsvoorziening kwijtgeraakt. Nieuws komt uit de autoradio, het is te zien op het televisiescherm in het benzinestation, op de homepage van de internetprovider, op teletekst. Het staat in de Metro en de Spits en het wordt vertoond op vele televisiejournaals. Wie wil weten wat de laatste stand van zaken in een Kamerdebat, bij een oliebrand of een aanslag is, kan meteen terecht bij een van de gespecialiseerde nieuwssites, zoals die van Nu.nl, BBC of CNN.
Die ontwikkelingen zijn een bedreiging gaan vormen voor wat we kortweg ‘serieuze journalistiek’ noemen: onderzoek, verslaggeving en analyse van de belangrijke politieke, economische en sociale veranderingen in Nederland en de wereld, en de opinievorming daarover. Kranten zijn door hun fysieke vorm daarvoor bij uitstek geschikt. Hun bereik is geringer dan dat van de televisie, maar ze kunnen veel meer informatie bevatten. De complete tekst van een Journaaluitzending past op een halve krantenpagina.
Nieuws en duiding vormen als ‘publieke kennis’ de grondstof waarop burgers, functionarissen en activisten hun oordelen en handelen baseren. Politiek nieuws herinnert ons eraan dat we bestuurd worden, het bevestigt het functioneren van de democratische orde. De kerntaak van de journalistiek is het controleren van de woorden en de daden van mensen met macht. Door het verzamelen, verifiëren en publiceren van onwelkome of soms pijnlijke informatie onderscheidt de journalistiek zich van andere vormen van communicatie, van voorlichting bijvoorbeeld.
In dat verifiëren zijn kranten van oudsher goed. Zij hebben de ruimte en ze beschikken over gespecialiseerde redacteuren. Serieuze kranten stellen kiezers in staat zich een oordeel te vormen over maatschappelijke vraagstukken en de politieke antwoorden daarop. Redacteuren van serieuze kranten zijn ‘veredelaars’: door aan het kale nieuws achtergrond, analyse en commentaar toe te voegen, bieden zij hun lezers context en duiding. Door het debat te stimuleren dragen kranten bij aan de betrokkenheid van de burgers bij de publieke zaak.
Serieuze journalistiek vereist in de eerste plaats onafhankelijkheid, zowel ten opzichte van de staat als van maatschappelijke organisaties en bedrijven. Serieuze journalistiek is arbeidsintensief: een correspondentennet › onderhouden, onderzoeksjournalistiek bedrijven en een staf van competente journalisten in stand houden is duur. Bij tegenwind wordt daarop vaak bezuinigd. Frank Kalshoven, economisch columnist van de Volkskrant, constateerde onlangs in een rapport dat Het Parool, het Algemeen Dagblad en Trouw hun economische verslaggeving tot minimale proporties hebben teruggebracht. Alleen bij de Volkskrant, NRC Handelsblad, De Telegraaf, Het Financieele Dagblad en Elsevier zijn nog economen in dienst. In de bouwfraude-zaak was er nog concurrentie tussen verschillende redacties, maar in de schandalen rond Ahold en Shell was alleen NRC Handelsblad in staat tot zelfstandig onderzoek. ‘De smalle basis van de economische journalistiek is nog wankel ook’, schrijft Kalshoven.
Nu het minder goed gaat met de exploitatie van de kranten staan de kernfuncties van de journalistiek op twee manieren onder druk. In de eerste plaats doordat de uitgevers kranten opheffen, fuseren of laten opgaan in een groter geheel. Dat leidt tot een minder pluriforme pers. In de tweede plaats doordat bij de overblijvende kranten de redactionele formules worden aangepast: meer beeld, meer lifestyle, meer speciale bijlagen voor doelgroepen.
Bij de fusie tussen het Algemeen Dagblad en zeven regionale kranten (Rijn en Gouwe, De Dordtenaar, Rotterdams Dagblad, Haagsche Courant, Utrechts Nieuwsblad en Amersfoortse Courant) versterkten deze twee tendensen elkaar. De nieuwe krant heeft steeds minder ruimte en journalistieke capaciteit voor het kritisch volgen van de macht. In plaats daarvan rukt de feel good verslaggeving op en wordt de bereidheid om de agenda van de voorlichters te volgen steeds groter. De kranten worden breder, maar een onomkeerbare vervlakking van de journalistiek kan daarvan het resultaat zijn. Dat kan er op zijn beurt toe leiden dat de journalistiek een onaantrekkelijk beroep wordt voor het talent dat nu aan universiteiten en hogescholen studeert.
Gouden tijdperk
De omstandigheden waarin dagbladen in binnen- en buitenland moeten werken zijn in korte tijd ingrijpend veranderd. Achteraf kunnen we het laatste kwart van de vorige eeuw het ‘gouden tijdperk’ van de dagbladjournalistiek noemen. Door een bijzondere samenloop van omstandigheden was de krant tussen 1975 en 2000 koning. Voor het contrast met de huidige situatie een korte schets van dat tijdperk.
Vergeleken met voorgaande generaties waren de lezers van de jaren zeventig beter opgeleid, minder gebonden aan een levensbeschouwelijke zuil en meer betrokken bij de publieke zaak. Ze hadden steeds minder behoefte aan bevestiging van hun overtuiging door een krant die gebonden was aan een partij, een religie of een vakbond. Ze hadden steeds meer behoefte aan betrouwbare informatie die hen in staat stelde zelf een oordeel te vormen.
In die behoefte werd voorzien door een nieuwe generatie van hoogopgeleide onafhankelijke journalisten. De inhoud van de kranten werd steeds meer door de journalisten bepaald en steeds minder door de uitgevers. De advertenties stroomden binnen, naast de rubrieksadvertenties (auto’s, reizen, seks en relaties, huizen) vooral de personeelsadvertenties en de productadvertenties. De uitgevers werden slapend rijk en raakten gewend aan hoge winstmarges van rond de 15 procent. Daardoor werden kranten interessant voor ondernemers (Wegener) en later ook voor investeringsmaatschappijen (het Britse Apax, dat krantenbedrijf PCM overnam) die in commercieel opzicht veel ambitieuzer waren dan de uitgevers van de vorige generatie. De monopoliepositie van de kranten had ook consequenties voor politieke partijen en andere maatschappelijke organisaties.
Door het wegvallen van hun ‘eigen’ dagbladen en omroepverenigingen, konden ze hun kiezers en leden voortaan alleen nog via onafhankelijke kranten en omroepen bereiken.
Het gouden tijdperk van de dagbladjournalistiek was gegrondvest op de gelukkige combinatie van lezers die geïnteresseerd waren, adverteerders die op de kranten waren aangewezen en journalisten die zich ontworsteld hadden aan een verzuilde beroepsuitoefening en een nieuw professioneel elan hadden gevonden. Burgers, bedrijven, politieke partijen en maatschappelijke organisaties – ze konden niet om de kranten heen.
Rekensom
Dat is niet meer zo. Voor de adverteerders werd het een eenvoudige rekensom. De kans om zestig procent van de doelgroep met een reclame-uiting vijf keer te bereiken – een vuistregel uit de reclamewereld – was in de audiovisuele media groter dan in de betaalde dagbladen, en dus verdwenen de adverteerders naar de televisie. Zo treffen de consumenten en de adverteerders elkaar steeds vaker in de gratis kranten, op het internet en bij het televisiescherm. De burger en de overheid vinden elkaar in de gratis huis-aan-huisbladen, die een willige afnemer zijn van de producten van de communicatie-afdelingen van de gemeenten.
Op deze podia is veel minder sprake van kwaliteitsjournalistiek. Het totaalprogramma dat een kwaliteitskrant biedt wordt daar niet aangeboden. In plaats daarvan specialiseren de nieuwe media zich in informatie voor niches en doelgroepen.
Bij de burgers nam de belangstelling voor de publieke zaak af. De belangrijkste verklaring daarvoor is de toegenomen welvaart en de daaruit volgende individualisering. Hoe sterker de besteedbare inkomens stegen, des te minder zochten de burgers hun heil bij maatschappelijke organisaties. De oriëntatie op collectieve middelen, collectieve actie en collectieve organisaties werd ingeruild voor een oriëntatie op de markt, op individuele actie. Zoals de Amerikaanse mediasocioloog Daniel Hallin het in een interview met NRC Handelsblad zei: ‘Als mensen zich afvragen: hoe krijgen onze kinderen een betere toekomst?, dan denken ze niet aan het soort veranderingen waar politieke partijen of overheden voor kunnen zorgen. Ze denken dan in de eerste plaats aan hun eigen inspanningen.’
De belangstelling voor de politiek en dus ook voor het nieuws en de verslaggeving daarover is afgenomen. In plaats daarvan groeide de interesse voor onderwerpen die met de privésfeer te maken hebben: gezondheid, emoties, consumentenzaken en carrièreplanning. Maar ook voor het privéleven van politici, kunstenaars, sportmensen en andere publieke persoonlijkheden. Deze trends versterken elkaar. Voor deze onderwerpen verschenen al snel gespecialiseerde tijdschriften en ook in de bestaande media werd voor deze onderwerpen steeds meer plaats ingeruimd. Ook daardoor verminderde de belangstelling voor de publieke zaak.
Dat alles manifesteerde zich vooral bij de generatie die rond 1970 is geboren en die tot de lichte verbijstering van hun ouders minder lazen en ook minder belangstelling hadden voor de politiek. Het resultaat van dat alles was dat de oplagen van de betaalde kranten daalden (in de periode 2001-2005 met bijna 11%). De relatie tussen stijgende welvaart en dalende krantenoplagen is overigens overal op de wereld te zien: uit de cijfers van het meest recente rapport van de World Association of Newspapers valt te leren dat kranten lezen in de rijkste landen praktisch overal terugloopt (VS, Duitsland, Denemarken) terwijl het in opkomende economieën (India, China, Polen) juist toeneemt (World Press Trends 2006).
Ontnuchterende ervaring
Voor de krantenredacties was het een ontnuchterende ervaring. Ze waren opgegroeid in de zekerheid dat er een vaste relatie bestond tussen de oplagen en het opleidingsniveau van de bevolking: hoe meer hbo- en universitaire diploma’s, des te meer krantenabonnementen. Aan het einde van de vorige eeuw kwamen de eerste barsten in dat model, en het is nu wel zeker dat het model niet meer werkt. De nieuwe generaties gedragen zich anders; ze redeneren praktischer. Ze zijn geneigd bij de inrichting van hun leven een utilitair perspectief te hanteren: ‘wat heb ik eraan?’ Jongeren zijn dan ook veel minder onder de indruk van argumenten als: krantenlezen hoort, krantenlezen moet.
De media-onderzoekster Irene Costera Meijer heeft die nieuwe benadering van het nieuws in haar boek ‘De toekomst van het nieuws’ heel treffend beschreven. Uit interviews met honderden jongeren komt het beeld naar voren van een generatie die het meer gaat om het opdoen van indrukken dan om het vergaren van informatie, die emoties belangrijker vindt dan feiten en het persoonlijke interessanter vindt dan het publieke. Het is een generatie die zegt nieuws wel belangrijk te vinden, maar die nauwelijks nieuwsuitzendingen volgt en nauwelijks kranten leest, en zijn informatie overal vandaan haalt: uit soaps, reality-shows, internet, sms, RTL Boulevard, teletekst, etc.
Voor Costera Meijer is dat aanleiding te pleiten voor een journalistieke aanpak waarin het nieuws direct wordt gekoppeld aan de persoonlijke ervaringen van de lezer en de kijker. Het is een voor de hand liggende conclusie, maar dat type journalistiek heeft twee belangrijke nadelen. Ten eerste leidt deze ‘warme’ benadering onvermijdelijk ook tot een andere selectie. Lang niet alle onderwerpen uit de publieke sfeer zijn in de persoonlijke en invoelbare mal te persen. Ten tweede zouden bij een algemene toepassing van dit principe de mensen die wél prijs stellen op feitelijke en complete berichtgeving en koele analyses niet of nauwelijks bediend worden.
Dit gevaar is niet denkbeeldig. Het recept van Costera Meijer kan aanleiding geven tot verwaarlozing van de klassieke functies van de serieuze journalistiek. De invloedrijke bladendokter Leon de Wolff gaat in zijn boek De krant was koning nog een paar stappen verder. Hij meent dat journalisten in de allereerste plaats moeten voorzien in de behoeften van hun lezers. Het zelfbeeld van de journalist als waakhond van de democratie getuigt in zijn ogen van valse romantiek.
Bij uitgevers, hoofdredacteuren, maar ook bij ‘gewone’ journalisten vinden denkbeelden als die van Costera Meijer en De Wolff een willig oor. Zie de geleidelijke verschuiving in de richting van meer ´soft´ nieuws, die we over de volle breedte van de dagbladwereld kunnen waarnemen. Zie het oprukken van formats als het persoonlijke interview met de Bekende Nederlander. Zie vooral ook de toegenomen aandacht voor emoties, lifestyle en consumentenzaken en de gretigheid waarmee redacties de meningen en ervaringen van hun lezers, kijkers en luisteraars inzamelen. Zie de overal optredende trend naar verbreding van redactionele formules. Speciale bijlagen voor bepaalde doelgroepen zijn daar de meest in het oog springende voorbeelden van, maar er zijn ook subtielere varianten.
In de meeste gevallen betekent verbreding ook verdunning: minder prioriteit voor politieke en maatschappelijke verslaggeving, onderzoeksjournalistiek, financieel en buitenlands nieuws. Bij een gelijkblijvend of krimpend redactioneel budget is de arbeidsintensieve kwaliteitsjournalistiek de dupe van de verbreding.
Versmalling
Daarom pleiten wij voor iets heel anders: voor de versmalling van de redactionele formules. Naast de catch all kranten die met de audiovisuele media willen concurreren en zoveel mogelijk groepen proberen te bedienen, moeten er weer kranten komen die zich concentreren op hun kerntaken: nieuws en achtergronden. Er zijn drie zwaartepunten: politiek, economie en cultuur. Op elk van die terreinen zouden de prioriteiten opnieuw bepaald moeten worden. Dat is geen eenvoudige opgave, maar het trefwoord zou noodzakelijkheid moeten zijn.
Wat moet de burger weten? Verder helpt het al enorm als de franje er wordt afgeknipt. Het privéleven van sterren, politici en tv-presentatoren kan aan gespecialiseerde media worden overgelaten. Lifestyle en luxe hoeven alleen behandeld te worden als dat voor het begrip van de economie noodzakelijk is. Voor consumentenzaken is er al een Consumentengids. De redactie hoeft alleen belangrijke tentoonstellingen, boeken en films te bespreken. Twee columnisten per dag is misschien wel genoeg.
Idealiter krijg je dan kranten, die alles bevatten wat een burger moet weten en die zo compact zijn dat de kans dat ze gelezen worden ook toeneemt. De huidige praktijk, waarbij de kranten steeds dikker worden terwijl de gemiddelde leestijd steeds verder afneemt, is erg moeilijk uit te leggen. Compacte kranten zouden in het gefragmentariseerde media-aanbod weer een baken kunnen worden. Ze zouden het publieke domein kunnen heroveren, het terrein dat nu uiteen dreigt te vallen in niches voor doelgroepen en subculturen.
Versmalling van redactionele formules is minder exotisch dan het lijkt – zie het experiment met nrc.next, een compacte krant voor een nieuw publiek, zonder bijlagen. In vier maanden groeide de oplage van deze krant naar 58.000 exemplaren.
De lezers stellen een compacte krant meer op prijs dan veel krantenmensen denken. Toen NRC Handelsblad op donderdag 15 juni 2006 ten gevolge van een computerstoring met een dunne noodeditie kwam en de hoofdredactie en de directie zich daarvoor uitvoerig excuseerden, reageerden verscheidene lezers met de opmerking dat ze het helemaal niet erg zouden vinden als ze elke dag zo’n dunne krant op de mat zouden vinden. In de woorden van drs. H. I. van Dommelen, ‘abonnee sinds vele jaren’: Een geweldige verbetering, de noodeditie van de NRC.’
Het voorbeeld van nrc.next maakt bovendien duidelijk dat ‘de moederkrant’ al lang niet meer het enige platform voor het bedrijven van serieuze journalistiek is. Juist omdat jongere lezers andere eisen stellen kan profilering een zinvolle strategie zijn. Dat geldt ook voor het beter benutten van audiovisuele media en het internet. Een digitaal kanaal is tegenwoordig met betrekkelijk geringe kosten te verwezenlijken. Serieuze journalistiek is niet gebonden aan krantenpapier. Publicatie in papieren en digitale ‘afsplitsingen’ voor diverse groepen afnemers veronderstelt wel het in stand houden van volwaardige redacties met gespecialiseerde journalisten. Tegelijkertijd worden die redacties gedwongen zich rekenschap te geven van de logica van de nieuwe media en de eisen die de afnemers aan die media stellen. Juist als het gaat om verrijking van het kale nieuws door verificatie, duiding en context valt er in het digitale universum nog steeds een wereld te winnen.
De missie van de journalistiek
In de Verenigde Staten publiceerden Bill Kovach, voorzitter van het Comittee of Concerned Journalists en Tom Rosenstiel, directeur van het Project for Excellence in Journalism, een leidraad met negen principes die gezamenlijk de missie van de journalistiek moeten vormen:
1. De eerste verplichting van de journalistiek is het dienen van de waarheid.
2. Haar eerste loyaliteit ligt bij de burgers, niet bij organisaties.
3. Het wezen van de journalistiek als discipline is verificatie van feiten en beweringen.
4. De beoefenaren moeten onafhankelijk zijn van degenen die zij ‘verslaan’.
5. Journalistiek moet dienen als een onafhankelijke inspectie van de macht.
6. Zij moet een forum voor openbare kritiek en debat verschaffen.
7. Zij moet ernaar streven zaken van belang te presenteren als interessant en relevant.
8. Zij moet het nieuws begrijpelijk maken en in de juiste verhoudingen plaatsen.
9. De journalisten moeten hun eigen geweten kunnen volgen.
Bron: Bill Kovach en Tom Rosenstiel, The Elements of Journalism, pp. 12-13.
Dit essay verschijnt op 5 augustus 2006 in M, het magazine van NRC Handelsblad. In de Volkskrant verscheen een samenvatting onder de kop ‘Maak kranten niet dikker, maar dunner!‘










17 reacties:
4 augustus, 2006
Schitterend essay en o zo belangrijk, nét in deze tijd waarin er zoveel gebeurt en nog staat te gebeuren.
Het dilemma blijft natuurlijk wel. Als je met een doelgroep blijft zitten die vooral entertainment wil, dan wordt het moeilijk genoeg betalende abonnees te vinden die een échte krant draaiende kunnen houden. Daarom ben ik persoonlijk voor no-strings-attached overheidssubsidiëring van kwaliteitsmedia. Zoiets kun je niet alleen aan de martkwerking overlaten, vrees ik.
Misschien is het wel cultureel. Onze democratie is verworden tot een oppervlakkige massacultuur, zo lijkt het wel. Niet te moeilijk doen, want dan ben je elitair. “Intellectueel” is een vies woord. Grijstinten zijn uit de tijd, want zwart tegen wit verkoopt vlotter. Op zoek naar succes (word rijk!) en glorie (word beroemd!) verzwakken we onszelf steeds verder.
Ik hoop ooit een tijd mee te maken waarin “de elite/kwaliteit” en “de massa/kwantiteit” mekaar aanvullen en corrigeren zoals het een degelijke democratie betaamt.
Maar ja, ik ben een naïeve dromer…
4 augustus, 2006
In dit verhaal zitten veel rake gedachten. Ik ben het helemaal eens met de gedachte dat dagbladen teveel tegelijk willen zijn (en doen) en dus keuzes moeten maken. Ze worden teveel geleid door behoud van rendement en houden daardoor krampachtig vast aan hun
@Guy: Subsidiëren is volgens mij nooit een oplossing. Dat maakt afhankelijk en bevordert het navelstaren: het versterkt de positie van bestaande partijen en maakt de drempel voor nieuwkomers hoger. Creativiteit en vernieuwing wordt daardoor tegengegaan.
En echte vernieuwing komt eigenlijk altijd alleen maar van nieuwkomers…
Off topic:
Als niemand de juiste prijs wil betalen is er blijkbaar geen behoefte aan. Dat is ook democratie. Als dat leidt tot verzwakking van de cultuur geeft dat dus ook de kans voor vernieuwing. Misschien is onze cultuur over zijn hoogtepunt heen ? Heerst er een collectief gebrek aan uitdagingen.
4 augustus, 2006
Ik zie ook wel wat in de hoofdlijn van dit betoog. De krant als een soort dagelijks high-brow opinieblad. De krant was mede door haar distributie-mechanisme altijd een mooie bundeling van verschillende diensten: nieuws, service-informatie, achtergronden, weerberichten, etcetera. De krant was een totaalpakket, van alles wat voor iedereen. Maar op internet valt dat totaalpakket uit elkaar. Voor de filmladder of het weerbericht hoef je op internet niet meer bij de krant terecht. Voor shownieus is er SBS6, en de beste prijskwaliteit verhouding voor wasdrogers vind je bij de consumentenbond.
En alhoewel je als uitgever ook zou kunnen overwegen om juist in zo’n totaalpakket te blijven investeren en daarvoor partnerschappen af te sluiten met toeleveranciers, beargumenteren journalisten Wansink en Oosterbaan dat de krant terug moet naar de basis: de serieuze journalistiek op het gebied van economie, cultuur, politiek. Dat is immers een belangrijke functie in de democratische samenleving.
Dat zou een slimme zet kunnen zijn. Al is het ook een lastige: ook buiten de krant zijn – zij het niet op alle terreinen – inmiddels veel specialisten. Op het gebied van moderne kunst bijvoorbeeld lees ik bijvoorbeeld inmiddels liever de weblog we-make-money-not-art dan de kunstpagina van een van beide kranten. Die is veel meer up-to-date. Het komt er dan op aan of de krant het juiste talent aan zich weet te binden. Extra lastig is dat Nederlandse kranten in het webtijdperk ook internationaal moeten concurreren. Ik vermoed dat juist de elite die geinteresseerd is in achtergronden en opinie, ook gemakkelijk de weg vindt naar de Economist of NYT.
@ gijs: Ik ben niet op voorhand tegen subsidiering. Ik zie niet in waarom subsidie een redactie zoveel afhankelijker maakt dan wanneer het voor inkomsten afhankelijk is van adverteerders? Een samenleving kan er toch voor kiezen om zaken die voor die samenleving van belang zijn, zoals een kritische onafhankelijke pers, (voor een deel) uit algemene middelen te betalen?
4 augustus, 2006
@administrator: Wie bepaalt welke organisatie een subsidie krijgt ? Wie bepaalt of die organisatie(s) goed functioneren, dwz kritisch genoeg zijn dan wel te selectief kritisch zijn ? Subsidie maakt dergelijke organisaties in wezen tot semi-overheid. Als er geen markt is (want daarom willen we subsidiëren), zullen andere semi-overheidsorganen die taak moeten overnemen. Volgens mij leidt dat tot een van elkaar afhankelijke en dus in zichzelf gekeerde opzet.
Meer algemeen staat mij overigens bij dat onderzoek steeds weer erop duidt dat met subsidies zelden (ooit ?) het beoogde resultaat wordt bereikt. Melkert-banen, koeiemelk, film-cv’s, rente-aftrek, wijn in Frankrijk: uiteindelijk ontstaan perverse effecten. Als ondernemer (drukkerij / twee uitgeverijen) heb ik veel mooie voorbeelden voorbij zien komen. Uiteraard pak ik graag wat mee, maar beslissingen baseer(de) ik er nooit op.
En ik blijf van mening: de maatschappij bestaat uit individuen. Als die individuen allemaal ( = samenleving !) besluiten dat ze iets niet meer willen betalen, dan moet het dus ophouden te bestaan. Dat is democratie: de meerdheid beslist. Een filosoof-koning is een fundamenteel andere benadering.
4 augustus, 2006
Misschien komt het omdat ik van die generatie ben die zich minder aan de krant en politiek gelegen laat liggen (geboren rond 1970), maar ik zie in dit hele essay werkelijk niets nieuws, nergens een spannend inzicht. Het is een eindeloze herhaling van zetten – commentaar dat ook al te lezen is in de jaren 20 (onder invloed van radio), in de jaren 70 (o.i.v. toenemende mediaconcentratie en ‘vertrossing’), en in de jaren 90 (internet). Telkens maar weer hetzelfde: een nagenoeg kritiekloos eerbetoon aan de allerheiligsten der allerheiligen: die bijna zonder uitzondering uit witte mannen bestaande dagbladjournalisten.
Als ik internet of televisiejournalist was, zou ik werkelijk woedend zijn. Want dan zou ik elke dag, nee, elk uur weer proberen relevante verhalen te vertellen, talloze achtergronden bloot te leggen in reportages en documentaires waar de kijker/klikker ZELF de bronnen kan zien en horen (zonder te vertrouwen op het dagbladjournalistieke excuus van de “anonieme bron”) , zou ik mooie documentaires maken die ook nog geld verdienen en Oscars winnen, multimediareportages maken en de dialoog met de samenleving aan gaan die ik zo graag wil dienen.
Maar nee hoor, dat is allemaal bijzaak, entertainment, adverteerdergedreven, popiejopie.
Ik zeg: WEG met die krant als dit de motivatie is voor haar bestaan. Achtergronden alleen in de krant? Hebben deze schrijvers ooit wel eens vergeleken welke diepgang je verkrijgt van 2 pagina’s zelfingenomen gewauwel in een AD of Vk (sorry heren) magazine ten opzichte van pak ‘m beet 1 zoektocht online, dan wel een avondje achtergrondtelevisie kijken dat je eerder opnam op je DVR?
Ik citeer: “Door een bijzondere samenloop van omstandigheden was de krant tussen 1975 en 2000 koning.” Precies! een bijzondere samenloop, een ANOMALIE.
We leven in een beeldcultuur – dat deden we altijd al, maar gedurende een korte tijd hebben we ons aan laten praten dat iets lezen op de een of andere manier intrinsiek ‘beter’ (want ‘dieper’, ’serieuzer’ enz.) is dan iets zien.
Wat een ontstellende, zelfingenomen en vooral naieve onzin. Ik wil dolgraag de krant redden, maar dan wel liefst met diepgaand en kritisch respect en kruisbestuiving met andere media (en de collega’s welke daar hun werk doen – overigens veelal jongere, vrouwelijke en soms zelfs nieuwe autochtone collega’s want daar zijn er veel meer van online en op tv).
6 augustus, 2006
zie http://www.nrcombudsman.nl voor commentaar op het stuk van Wansink en Oosterbaan
7 augustus, 2006
Interessante analyse die ik volledig onderschrijf. Ook Philip Meyer, auteur van The Vanashing Newspaper en keynote-speaker tijdens de VVOJ-conferentie Onderzoeksjournalistiek in Mechelen (B) in het najaar, kwam tot gelijkaardige conclusies.
Ik lees dit artikel eerder als een pleidooi voor kwaliteitsjournalistiek dan een pleidooi voor het redden van een krant.
Om in te gaan op het al of niet subsidiëren van kranten(redacties) kan ik het volgende zeggen. Rechtstreeks subsidiëren van kranten door de overheid mag niet van de EU, tenzij in heel uitzonderlijke gevallen.
Tegelijk bestaan er in ons Nederlands taalgebied twee Fondsen: het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten in Amsterdam en het Vlaamse Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Deze fondsen staan ter beschikking van iedereen die gedegen onderzoeksjournalistiek wilt bedrijven en het maakt journalisten zelfs onafhankelijk van hun redactie en medium.
Ides
8 augustus, 2006
knappe analyse. Journalisten en andersoortige krantenmakers, doe daar uw voordeel mee!
8 augustus, 2006
Om me heen (media-volgende studenten en jong-werkenden) hoor ik steeds vaker teleurstelling over ‘t holle geluid wat kranten nu laten zien. De brede covering met minder diepgang, ‘t ‘personalizen’. De analyse vind ik prima, en er ligt idd een journalistiek gat in de huidige markt (beperking tot onafhankelijke journalistiek met de peilers politiek, economie, cultuur).
In het stuk klinkt alleen te veel een jank-geluid door! (”We verliezen de grip”), wat ik vaker hoor in de traditionele (offline) journalistiek. Er lijkt vanuit een torentje te worden geschreven, maar wordt er ondertussen doorgeleerd?
De tegen-trend van de softnieuws-periode zet zich vroeg of laat in, maar ik vraag me sterk af of…dat geluid bijvoorbeeld ‘t best kan worden ondervangen door zij die zojuist geschoren zijn…of dat ‘n offline tabloid-formaat de geschikte vorm is….of er wel ruimte is voor verschijning in dagelijkse editie….of social news-networks de verdiepende component er al niet te veel uithalen….etc. Ben benieuwd wie in ‘t gat stapt. De conservatieve, ietwat sentimentele journalist, geef ik geen schijn van kans.
9 augustus, 2006
Een interessant en belangrijk stuk uit de NYT heeft hier geen enkele aandacht gekregen:
http://select.nytimes.com/mem/tnt.html?pagewanted=1&tntget=2006/08/07/business/worldbusiness/07free.html&tntemail0=y&emc=tnt
9 augustus, 2006
Wat een afschuwelijk essay. Ongelofelijk dat heden ten dage nog steeds zulke socialistiese jaren”70 prietpraat verkocht wordt. “Kerntaken van de journalistiek”, “wat de burger moet weten”, “loyaliteit ligt bij burgers, niet bij organisaties” e.d. Je moet wel een hele dorre vegateriar cq sandaaldrager zijn om zulke lariekoek te verkondigen.
Hebben deze halfgeleerde kletsmajoors wel eens op hun eigen redactie rondgekeken? Alsof daar de bloem der natie rondloopt. En dat zou voor de burgers moeten bepalen wat goed voor ze is? Dat zooitje dat al overschrijvend hun eigen kolommen volleutert? Denken ze nou werkelijk dat een NRC-journalist goed nadenkt als hij ’s ochtends een uurtje heeft om te reageren op het nieuws, voordat de krant sluit. Journalisten zijn trouwens per definitie mislukkelingen, ook degenen die met het juiste likwerk een leuke bijverdienste op de universiteit voor zichzelf weten te regelen. En ook de kletsmajoors die commentaren schrijven die alleen hun eigen moeder leest.
En dan hebben deze schrijvers de arrogantie om te zeggen dat er objectief bepaald kan worden “wat de burger moet weten”. Ik neem aan dat ze willen dat de burger goed op de hoogte is van de parlementsverkiezingen in Tazjikistan en politiek geneuzel in Den Haag. Dat is wel het laatste wat de burger MOET weten, als hij uberhaupt iets MOET weten. Iedereen met een beetje besef van de werkelijkheid snapt dat nieuws entertainment is. Je hebt er vrijwel nooit iets aan, alleen bij een spelletje Triviant of een ingewikkelde VPRO-kwis. Hun NRC en Volkskrant is simpelweg het enterntainment voor de linkse elite en de grootverdieners in de grachtengordel en de villadorpen.
Ergerlijk is ook hun lippendienst aan onafhankelijk van organisaties e.d. Ja, NRC en Volkskrant-lieden zijn keurig onafhankelijk van rechtste partijen en het grootkapitaal, maar ze zijn over het algemeen knechten van linkse partijen, milieuorganisaties en andere klagers. Wat is er onafhankelijk aan, als je veertig jaar lang tot je pensioen je eigen politieke opinie probeert op te dringen aan je lezers? Dan ben je misschien onafhankelijk van organisaties, maar slaaf van je bekrompen mening. Zo, wat een tijdverspilling weer om hierop te reageren
11 augustus, 2006
Hoe serieus moet ik het betoog van Oosterbaan en Wansink nemen? In de derde alinea’s staat meteen een flinke uitglijder die mij de lust tot verder lezen ontneemt. Zo zou Trouw het ‘eigenzinnige’ katern Letter & Geest opdoeken. Niks is minder waar. Het katern gaat gewoon verder, ook de formule waarmee het naam maakte blijft gehandhaaft.
11 augustus, 2006
[...] Ariejan Korteweg, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, reageert op het essay ‘De krant moet kiezen’ van Warna Oosterbaan en Hans Wansink. Een krant die over veel verschillende zaken schrijft, past bij de lezer van nu die eveens een brede interesse heeft, betoogt Korteweg. [...]
22 augustus, 2006
[...] De problemen van kranten zijn niet met één bladformule op te lossen, betoogt Leon de Wolff in reactie op het essay van Warna Oosterbaan en Hans Wansink. [...]
10 september, 2006
Vervlakking in de journalistiek
Een wat late reactie op het uitstekende artikel van Warna Oosterbaan en Hans Wansink in M van NRC Handelsblad in augustus. Een reactie ook met enige aarzeling omdat ik al ruim dertig jaar in de keuken van de dagbladjournalistiek kan kijkens middels functies achtereenvolgens Het Rotterdams Parool (bestaat niet meer), Dagblad Scheepvaart (bestaat niet meer), Het Vrije Volk (bestaat niet meer), Rotterdams Dagblad (bestaat niet meer als zelfstandige krant) en – enkele dagen nog – het nieuwe krantenbedrijf AD Media (bestaat over een aantal jaren waarschijnlijk ook niet meer).
De kern van de conclusies van Oosterbaan en Wansink ligt in de zin dat’de kranten worden breder, maar een onomkeerbare vervlakking van de journalistiek kan daarvan het resultaat zijn.’
Dat sprak mij zeer aan. Ik heb eind vorig jaar als financieel-economisch redacteur bij het Rotterdams Dagblad met tegenzin gebruik gemaakt van de – gunstige – vrijwillige uittreedregeling voor ouderen bij de fusie met het AD.
Tot mijn grote teleurstelling zijn de nieuwe AD Media misschien wel het beste (en grootste) voorbeeld van vervlakking van de journalistiek waarin populariteitsonderwerpen de boventoon voeren. Overigens lijkt dat de laatste tijd langzaam maar zeker wat te veranderen.
Het dieptepunt in deze nieuwe formule is de AD Poll op pagina 2 waarin hoofdredacteuren op vaak onzinnige stellingen de lezer laat stemmen ( ja, nee of weet niet).
Door de hoofdredacteur Jan Bonjer van AD Media en de ook in de analyse in M opgevoerde ‘bladendokter’ Leon de Wolff is bewust voor deze formule, zogenoemd dichtbij de lezer, gekozen. De journalisten van het AD moeten daarop inspelen. Voor afgewogen meningsvorming en wat dieper gravende reportages en analyses is geen of nauwelijks plaats meer.
Pogingen van collega’s (en ook van mij) in de voorbereidende vergaderingen van het nieuwe AD om in het concept meer diepgang, duiding en kwaliteitsjournalistiek te krijgen werden onder tafel geveegd. Bonjer destijds: ,,Trouw is voor ons niet het voorbeeld hoe je een tabloid moet maken maar is gewoon Trouw zoals Trouw was op het grote krantenformaat.” Het nieuwe AD moest inspelen op de nieuwe snelle informatie-maatschappij.
Misschien hebben Bonjer en De Wolff gelijk dat grote groepen lezers – en dan vooral de lager-opgeleiden – geen behoefte meer hebben aan diepgaande en kwalitatieve verhalen in een dagblad. Maar ook zij hebben met hun dichtbij-de-lezer-formule het afgaande tij niet kunnen keren. De AD Media zijn in een halfjaar bijna 80.000 lezers kwijt geraakt en helaas helaas lijkt dit proces nog door te gaan. Bovendien moeten ze opboksen met hun relatief dure betaalde abonnementen tegen enigszins vergelijkbare producten als de gratis kranten Spits! en Metro. Als een Nederlander iets gratis kan krijgen, zal hij er niet zo gauw voor gaan betalen!
Blijft over de markt voor krantenlezers – allen wat meer opgeleid – die wel behoefte hebben aan kwaliteit en diepgang en wars zijn van Popi-Jopie verhalen. Ik schat die markt nog langdurig op een paar miljoen lezers die bereid zijn in de ochtend en avond voor hun netjes op de deurmat bezorgde krant te betalen. Deze dagbladen zullen langzaam maar zeker hun formule wel moeten veranderen in de door Oosterbaan en Wansink bepleite versmalling van de redactionele formules, zoals NRC Next kennelijk al zeer succesvol heeft aangetoond. Richt je met kwaliteit en diepgang op nieuws en achtergronden en laat alle randverschijnselen over de samenleving en zogenoemde service (’oneigenlijke kopij’) over aan andere media of weekproducten. Deze dagbladen ontkomen er ook niet aan dat zij in hun prijsvorming niet te veel uit de pas gaan lopen.
Een goede opiniërende en afgewogen krant moet door onafhankelijke en gemotiveerde journalisten – en dat hoeven er echt niet zoals bij AD Media er 500 te zijn – worden gemaakt, niet worden bepaald door de lezers. De laatsten moeten hun mening kunnen vormen, niet eisen dat hun krant hun mening vertegenwoordigt.
J.C. Roodenburg
23 september, 2006
[...] Terug naar af? Eventueel verlies aan journalistieke kwaliteit is onontkoombaar, als je van plan bent om je publiek te dienen, en daarmee dus het hoofd boven water probeert te houden. Video-items van drie minuten. Makkelijk scrollbare tekst die niet achttien kantjes beslaat. Of niet? De auteur van dit artikel pleit ervoor dat kranten zich er niks van aan moeten trekken, en juist teruggaan naar af. Weg met al die franje. Geen websites erbij. Geen berichten waar ‘t publiek juist zo van smult, zoals de royalty- en roddelverslaggeving. Een versmalling van de redactionele formules dus. Maar – en dit is mijn mening – dan heb je het in ‘t huidige tijdperk niet helemaal begrepen vrees ik. En begrijp me niet verkeerd: ik zou het ook mooi vinden als er een krant was die zich puur op binnenlands nieuws richtte, eentje op buitenlands nieuws, een krant voor financieel nieuws, etcetera. Dit zou de journalistieke kwaliteit zeker ten goede komen. Maar het zou een te dure vorm van nieuws zijn voor de consument. [...]
23 november, 2008
[...] Onlangs verscheen het boek De krant moet kiezen van Warna Oosterbaan (redacteur NRC Handelsblad en bijzonder hoogleraar Journalistiek en Samenleving aan de Erasmus Universiteit) en Hans Wansink (redacteur Volkskrant). Het is een vurig pleidooi voor de terugkeer van diepgang bij de kranten. Ze keren zich tegen het marktdenken dat op dit moment bij veel kranten heerst en laten zien dat de krantenlezer behoefte heeft aan achtergrondinformatie en duiding. Ik heb het boek zelf nog niet gelezen maar het essay (uit 2006!) waar dit boek op gebaseerd is wel. [...]