Ruim een week is verstreken sinds Amerikaanse weblogs aantoonden dat verscheidene persfoto’s van Reuter digitaal zwaar waren gemanipuleerd, resulterend in een discussie die sindsdien behalve op talloze weblogs ook in toonaangevende kranten als de Los Angeles Times en, gisteren en eergisteren, in de Volkskrant is gevoerd. Hoog tijd om de balans op te maken. Belangrijkste conclusie alvast: met het ontslag van manipulerende fotografen is het vertrouwen in de oorlogsjournalistiek niet hersteld. Die moet transparanter, zodat het publiek in staat wordt gesteld te kijken naar andere vormen van journalistieke manipulatie of vooringenomenheid dan de meest in het oog springende.
Eerst de aanleiding. Zaterdag 5 augustus jongstleden plaatste de Amerikaanse blogger Charles Johnson op zijn weblog, de erg populaire site Little Green Footballs, onderstaande Reutersfoto, vergezeld van de simpele vaststelling dat de foto gemanipuleerd is.

Nadere bestudering van de foto’s leert niet alleen dat de rookpluimen digitaal zijn uitvergroot, maar ook dat hetzelfde gebouw meerdere keren voorkomt op dezelfde foto. (Een eenvoudige vergelijking met het origineel is te vinden op de weblog van Arjan Dasselaar.) Niet veel later werd bekend dat ook met een tweede foto, eveneens geproduceerd door de Libanese freelance-fotograaf Adnan Hajj, digitaal is gerommeld. Reuters was onmiddelijk overtuigd en besloot alle ruim negenhonderd foto’s van de inmiddels ontslagen Hajj offline te halen voor nadere bestudering.
De discussie die sindsdien is gevoerd heeft verschillende dimensies en invalshoeken. Ten behoeve van helderheid, een puntsgewijze opsomming van de belangrijkste inzichten.
zich in een prikkelende bijdrage op zijn weblog over de hypocrisie die wordt tentoongespreid in dit debat. Hij stelt – terecht – dat nieuws een geconstrueerde realiteit is: elke foto is gemanipuleerd door de vele keuzes die een fotograaf maakt bij het nemen van een foto, zoals onderwerpkeuze en compositie, waarbij het zelfs gebruikelijk en nastrevenswaardig is om een foto symbolische betekenis mee te geven. We zijn als publiek collectief verontwaardigd als een Amerikaanse militair in werkelijkheid een andere lichaamshouding had dan op een foto is afgebeeld, maar vinden het niet bezwaarlijk dat het origineel feitelijk eveneens (maar vooraf) is gemanipuleerd: de compositie van die foto is opzettelijk en heeft dezelfde, geconstrueerde boodschap als de achteraf gemanipuleerde foto. Is het verschil tussen beide technieken nu werkelijk zo fundamenteel dat het ene volledig geoorloofd is, en het andere volstrekt onverantwoord?Het antwoord op de laatste vraag is natuurlijk ontkennend. Digitale inhoudelijke manipulatie van nieuwsfoto’s is en blijft terecht verboden, daaraan hoeft niet te worden getwijfeld. Maar de enorme stampij die wordt gemaakt over een paar extra rookpluimpjes maakt pijnlijk duidelijk hoe selectief die verontwaardiging is, en dat het publieke oordeel of een foto ‘echt’ of ‘nep’ is wordt gebaseerd op erg oppervlakkige, en – zo valt aan te voeren – deels onjuiste noties van wanneer een foto ‘objectief genoeg’ is en wanneer niet. Dit kan zelfs schadelijk zijn voor de journalistiek: de huidige crisis biedt Reuters en andere mediaorganisaties gelegenheid de gelederen te sluiten, te bezweren dat de foto’s van Hajj een anomalie waren en dat de objectiviteit weer is gewaarborgd, dankuwel alstublieft. Terwijl er ongetwijfeld nog veel méér fouten worden gemaakt, overigens om soms begrijpelijke redenen, waarvoor echter systemen zouden kunnen worden bedacht om ze tegen te gaan of de schade die zij veroorzaken te verminderen.
Hoe? Wel, wat in elk geval alvast een verbetering zou zijn, zo bepleit bijvoorbeeld ook Henk Blanken, is meer transparantie – zeker voor de oorlogsjournalistiek, waar verslaggeving afhankelijk is van lokale en daarom minder betrouwbare fotografen, embedded verslaggevers die onder de – journalistiek beperkende – bescherming van het leger opereren en strijdende partijen die hun persbeleid volledig afstemmen op hun eigen, vanzelfsprekend sterk gekleurde politieke agenda (waarover vorige week alles te lezen was in een special van de Volkskrant). .
Het gaat dus om meer dan foto’s. Een transparantere werkwijze van freelance-fotografen is een prima idee, maar iets meer openheid en discussie over de totstandkoming van alle andere aspecten van het oorlogsnieuws – en nieuws in het algemeen – is misschien wel een nog beter plan. Meer informatie over journalistieke werkwijzen en redactionele afwegingen kan bijdragen aan een betere afstemming van een controlemechanisme dat zich al heeft bewezen: dat van het publiek dat op internet de gevestigde media nauwlettend in de gaten houdt. Nu komen voornamelijk de overduidelijke manipulaties aan het licht, omdat elke leek ze kan waarnemen om er vervolgens luidkeels schande van te spreken – men is domweg niet getraind om kritisch naar andere journalistieke aspecten te kijken, mede omdat daartoe geen gelegenheid wordt gegeven. Wanneer het gebruikelijker zou worden om het publieke debat te voeden met meer informatie over de omstandigheden waaronder journalistiek wordt bedreven, waarbij redactionele besluitvormingsprocessen inzichtelijk worden gemaakt, krijgt het publiek het gereedschap om de journalistiek ook op andere aspecten te controleren. Maak inzichtelijk welke druk regeringen uitoefenen, vertel wie je fotografen zijn, vermeld wanneer een interview wordt aangeboden, bied volledige transcripties of opnames aan van gehouden interviews. Dat vereist wellicht een cultuuromslag, omdat de journalistiek zich daarbij kwetsbaarder moet opstellen, maar het is voor een goed doel: het verhogen van de betrouwbaarheid en kwaliteit van de journalistiek. Want die is met het ontslag van een knoeiende Photoshop-fotograaf niet zomaar hersteld.
Pingback: Pleidooi voor transparantere oorlogsjournalistiek at Dit is Berry