Nieuwe beroepscode Raad voor de Journalistiek gelekt

Afgelopen week werd bekend dat de journalisten Kees Haak en Jan van Groesen zichzelf tot nieuwe Nederlandse media-ombudsmannen hadden gekroond, naar verluidt “om zich teweer te stellen tegen een nieuwe crisis in de journalistiek”. Deze zou bezworen moeten worden door onder meer een nieuwe ethische beroepscode op te stellen als aanvulling op reeds bestaande richtsnoeren als de Code van Bordeaux, de Gedragscode voor Nederlandse Journalisten van het Genootschap van Hoofdredacteuren en de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek (RvdJ). Laatstgenoemde plaatste bij monde van voorzitter Herstel zo zijn vraagtekens bij het initiatief van Haak en Van Groesen, zo viel eveneens op DNR te lezen.

Al langer was bekend dat de RvdJ eveneens overwoog een dergelijke code – althans: een codificering van de historisch gegroeide bundeling algemene uitgangspunten – op te stellen. Daar wordt door RvdJ-lid Kees Buijs inderdaad hard aan gewerkt, zo blijkt nu. DNR beschikt over een conceptversie, die hier (PDF) is te dowloaden.

Grasduinen
Deze RvdJ-code bestaat vooralsnog – er schijnt alweer gewerkt te worden aan een nog veel uitgebreider document – uit een serie van vijfentwintig do’s en vooral don’ts, die een stuk uitvoeriger en concreter is dan bevoorbeeld de code van het Genootschap van Hoofdredacteuren. Zelf gebruikt de RvdJ tot op heden alleen het toetsingscriterium: “of de journalist de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is”.

Zoals de Raad zelf al meldde op haar website, zouden voornamelijk praktische redenen ten grondslag liggen aan de wens om een concrete code op schrift te stellen. In uitspraken werd gewoonlijk verwezen naar eerdere besluiten, en gaandeweg onstond onder de leden van de Raad consensus over een toenemend aantal uitgangspunten over journalistieke ethische gedragingen. Er schuilt een onbetwistbare logica in het idee om deze punten dan gewoon eens op te schrijven: wie een geschil aanhangig wil maken hoeft dan niet urenlang door het archief te grasduinen op zoek naar vergelijkbare zaken, en journalisten weten ook gelijk waar ze aan toe zijn.

Pieter Storms
Kees Buijs, lid van de Raad voor de Journalistiek en opsteller van de code, verklaart desgevraagd dat het Genootschap van Hoofdredacteuren “geen enkel bezwaar” had tegen een dergelijke codificering van uitgangspunten, “zolang die maar niet de werking zou krijgen van een af te dwingen of op te leggen beroepscode”. Het is echter de vraag of een code, die toch echt bestaat uit zinnen met de gebiedende wijs als dominante werkwoordsvorm, niet als vanzelf – zo niet de jure, dan toch de facto – de werking krijgt van een beroepscode die journalisten de regels voorschrijft. En of deze het debat over journalistieke ethiek eerder zou doen stollen dan verlevendigen, aangezien het opschrijven van degelijke regels reeds bereikte consensus zou impliceren.

Maar ook die argumentatie wijst Buijs van de hand. “Als journalisten bang zijn dat ze iets wordt voorgeschreven, begint de discussie pas goed. Wij zetten alleen maar onze opvattingen over wat wij goede journalistiek vinden eens op een rijtje; wanneer journalisten met andere opvattingen voor de Raad komen, krijg je gewoon een leuke discussie aan tafel. Want wij dwingen niemand om er net zo over te denken als wij.” Maar hoewel hij zulke gevallen niet uitsluit (”Pieter Storms heeft heel andere opvattingen dan wij”) denkt hij dat het uitzonderingsgevallen zullen zijn: volgens Buijs bestaat er onder de Nederlandse journalisten een hoge mate van overeenstemming over ethische regels, al worden ze vervolgens niet altijd opgevolgd.

Een andere tegenwerping, zoals eerder in een opiniestuk (helaas niet meer online) voor NRC Handelsblad verwoord door de hoogleraar mediarecht Gerard Schuijt, luidt dat een al te concreet geformuleerde code beroepsethiek “in de sfeer van het recht zou kunnen trekken”: rechters zouden dan sneller geneigd zijn om uitspraken van de Raad voor de Journalistiek over te nemen, veronachtzamend dat zij een geheel eigen afweging dienen te maken. Buijs denkt dat het niet veel uitmaakt: “Rechters kennen onze jurisprudentie toch al en gebruiken die ook in hun vonnissen. Daar hebben zij geen code voor nodig.”


14 reacties:

[...] Tussen de bedrijven door (erg druk met nieuwe banen bij LUX en School voor de Journalistiek) heb ik kans gezien een stukkie te schrijven voor De Nieuwe Reporter, over de beroepscode voor journalisten die Kees Buijs aan het opstellen is voor de Raad voor de Journalistiek. Er komt later ook nog een follow-up van mijn hand in de vorm van een beschouwend essay, of zoiets, zit er nog een beetje mee te stoeien… Lees het artikel in elk geval hier. Categorie: Interessant   |   Tags: de Nieuwe Reporter. [...]

Mark Deuze
19 september, 2006

Weg met die code. Vooral als deze gebaseerd is op wat een stelletje senioren vinden van wat nieuwkomers in de journalistiek (overwegend vrouwen en gelukkig steeds meer ‘nieuwe autochtone’ jongens en meisjes) wel en vooral niet mogen doen.

Vooral ook omdat de overwegingen voor zo’n code op een beperkt geheugen rusten: “volgens Buijs bestaat er onder de Nederlandse journalisten een hoge mate van overeenstemming over ethische regels, al worden ze vervolgens niet altijd opgevolgd.” Eerst maar eens een boek lezen (of online kijken: zie resultaten bij tabel III: Methoden van nieuwsgaring (percentage antwoorden ‘is gerechtvaardigd’).

Dat er een permanente en kritische discussie over ethiek gevoerd moet worden: zeker. En dat gebeurt ook! Zijn deze mensen ooit bij een redactievergadering geweest? Ooit een week met een freelancerscollectief meegelopen? Ooit in de studio van NOS of RTL gezeten vlak voor de uitzending?

Dat dit alles gecodificeerd kan of moet worden op basis van een verzonnen nep-consensus? Nee, dat soort 19de eeuwse uniformiteit gaat zo voorbij aan de realiteit van het journalistieke werk in de 21ste eeuw, het is in feite diep triest.

Arthur Graaff
19 september, 2006

Een helder overzicht van de uitspraken van de RvdJ is natuurlijk prima. Maar \’journalistiek\’ als \’waakhond van de democratie\’ kan niet aan dit soort regels gebonden worden. Want wie bindt? En de freelancers? Mogen die geen vraag meer stellen aan het kamerlid of de minister, omdat ze het antwoord wel eens zouden kunnen vervormen omdat ze zich niet geconformeerd hebben aan de richtlijn? De RvdJ kan alleen maar \’fatsoenlijke journalistiek\’ propageren – meer niet.

hans verploeg
20 september, 2006

Wie weg is is gezien en heeft geen invloed meer, ook niet op de alom gerespecterde Kees Buijs en zijn collega’s in de Raad voor de Journalistiek. Die constatering wordt een jaar na mijn vertrek bij de NVJ nogmaals bewaarheid. Jarenlang heb ik samen met het bestuur van de NVJ, de oprichter van de Raad voor de Journalistiek in 1948, met succes gestreden tegen een beroepscode of een voorstadium daarvan. Ook de code van het Genootschap de hoofdredacteuren is door het NVJ-bestuur nooit omarmd. Trouwens, nog al wat hoofdredacteuren zien ook geen brood in de Genootschapscode.
De argumentatie van mijn voorganger bij de NVJ en later media-professor Gerard Schuyt is voor een deel ook terug te vinden in de afwijzende opstelling van de journalistiek in Noord West Europa tegenover codes anders dan eigen redactieafspraken. Normen en waarden in het vak drijven grotendeels met de ontwikkelingen in de samenleving. Codes van vandaag worden een keurslijf morgen, de collega’s in landen met nieuwe demcocratien die meteen hun vrijheid gingen vastleggen in ellenlange codes kunnen daarover mee praten. Het collectieve geheugen bij de NVJ, ruim vertegenwoordigd in de Raad en de schragende instantie, de Stichting Raad voor de Journalistiek blijkt kort te zijn. Daar komt bij dat in 2004 er met de overheid door de NVJ en de dagbladuitgevers de afspraak gemaakt dat het drieluik van zelfregulering volstaat voor de media: de Raad voor de Journalistiek, het Mediadebatbureau en de wetenschappelijke Nieuws- en Eventmonitor. Verder geen maatregelen is het devies.
De aanzet tot een code zoals nu vanuit de Raad geeft de advocaten van klagers over de media een extra instrument om met een uitspraak van de Raad – dat is nu al het geval – of straks zonder een uitsprak van de Raad en dat is nieuw meteen naar de civiele rechter te stappen en een schadevergoeding van de journalist en of diens medium te vragen met een verwijzing naar de “code” van de Raad voor de Journalistiek.
Hans Verploeg
oud algemeen secretaris NVJ, Commissaris ADN Media, voorzitter Free Voice

Daphne Koene
22 september, 2006

Het past in het debat over journalistieke mores om te discussiëren over de (on)wenselijkheid van een algemene ‘journalistieke gedragscode’. De Raad voor de Journalistiek is echter niet van plan om een dergelijke code vast te stellen, anders dan kennelijk door sommigen wordt gedacht en/of gevreesd.
Zoals de voorzitter van de Raad schreef in het voorwoord van ons jaarverslag over 2005, is ‘terecht ook voor codificering gewaarschuwd, omdat in het geval van wetgeving de vrijheid van meningsuiting onder druk kan komen te staan’.
Waar een werkgroep van de Raad zich momenteel mee bezighoudt, is te bezien hoe de uitgangspunten die de Raad in zijn uitspraken heeft vastgelegd, overzichtelijk kunnen worden samengevat en gerubriceerd. Op die wijze wil de Raad zijn uitgangspunten toegankelijker maken voor het publiek. En wellicht dat ook de beroepsgroep daar baat bij heeft.
Daphne Koene,
secretaris Raad voor de Journalistiek

Jacqueline Wesselius
22 september, 2006

Dit is een interessante discussie: die gaat dus over iets dat niet bestaat, waar geen sprake van is en wat door degene die aan de bron staat (i.e. Daphne Koene, secretaris van de Raad voor de Journalistiek) heftig ontkend wordt.
Waar de Raad wél mee bezig is: het expliciet maken van de criteria op grond waarvan de uitspraken zijn gedaan. Hetgeen totaal iets anders is dan een beroepscode – wat men daarvan ook moge vinden.

Een eerste regel in de journalistiek, camarades, is toch, dacht ik: check, check & countercheck. En een tweede regel: hoor en wederhoor. Beide uitgangspunten zijn in deze discussie ver te zoeken.

Un peu de sérieux, mes amis!

Theo Dersjant
22 september, 2006

Deze laatste reactie, van Jacqueline, begrijp ik niet helemaal. Of beter: helemaal niet! In relatie met de berichtgeving over de Stichting Media Ombudsman Nederland (MON) is mr. A. Herstel, voorzitter van de Raad voor de Journalistiek, uitgebreid aan het woord gekomen. Ook over de code (dat woord is nadrukkelijk in die context gebruikt) van de Raad. Dichter bij de bron is niet mogelijk.
Maar doet de naam ertoe? Het argument van Hans Verploeg is nu juist dat je dergelijke codificering niet op papier moet zetten, omdat er vanaf dat moment, of je het wilt of niet, een juridisch effect van te verwachten is. Korter gezegd: papieren regels perken de journalistieke vrijheid in. En of je dat dan een code of ‘het expliciet maken van criteria op grond waarvan de uitspraken zijn gedaan’ noemt, is om het even. Sterker, het laatste lijkt mij een mooi nieuw eufemisme voor een set ethische gedragsregels.

Jaap
22 september, 2006

Graag voeg ik toe dat Kees Buijs het inderdaad geen code noemt, maar wel degelijk een \”codificering\” van de algemene uitgangspunten van de RvdJ (het interview staat op audio, ik heb het nog even gecheckt). Het bedoelde karakter van de code (niet afdwingend, maar een uitkristallisering van de historisch gegroeide algemene uitgangspunten) wordt bovendien uitgelegd in het bovenstaande interview.

En kom, Theo Dersjant heeft natuurlijk gelijk. De RvdJ publiceert straks een flink document met tientallen ethische gedragsregels voor journalisten en dat is gewoon een beroepscode! Verwacht je nu echt dat we dat \”de explicitering van de criteria op grond waarvan de RvdJ uitspraken doet, voor het gemak geformuleerd als concrete gedragsregels\” gaan noemen? Natuurlijk zijn dat geen afdwingbare beroepseisen omdat het een vrij vak is, et cetera, maar dat maakt in de praktijk (qua functionaliteit, qua perceptie, qua alles) geen fluit uit. Kom, ik ben dan best zo aardig om het bedoelde verschil weer te geven, maar in een volgende zin heb ik een beknopt verwijswoord nodig en dat wordt dan gewoon \”beroepscode\” (\”codificering\” is net zo goed een eufemisme), en dat neem ik niet terug.

Jacqueline Wesselius
23 september, 2006

‘Dichter bij de bron kan niet’, schrijft Theo over Herstel. Wat zou je zeggen van Daphne Koene, secretaris? Zie haar reactie hierboven (ja, als je die dan weer gaat uitleggen zodat-ie in jouw straatje past, kom je wel een heel eind).
Maar helemaal los daarvan: je mag als Raad voor de Journalistiek, begrijp ik uit bovenstaande discussie, wél uitspraken doen, maar je mag niet duidelijk maken – en zeker niet op schrift stellen – waaróm je die uitspraken doet, op grond waarvan en met welke interne coherentie. Waarom, collega’s, zijn we in Nederland toch zo ontzettend bang om de regels, waaraan we ons allemaal zeggen te houden (zoals hoor en wederhoor, om maar wat te noemen) zwart op wit te zetten? Tal van de ons omringende landen doen het wel en ik heb niet de indruk dat de persvrijheid daar beduidend geringer is dan bij ons. Kijk eens naar de Scandinavische landen, die zijn in een aantal opzichten een stuk strenger dan wij (met name waar het respect van andermans privacy aangaat) en staan niettemin aan de top van persvrije landen.
Sorry hoor, maar op mij komt die angst over als tamelijk benepen. Het is nu in dit land ook al zo (gelukkig) dat je mag zeggen en schrijven wat je wilt, TENZIJ je de wet overtreedt (racisme, discriminatie, aanzetten tot geweld enz…). Waar zijn we nou in vredesnaam zo bang voor?! Dat we worden herinnerd aan wat we zelf ooit onderling afgesproken hebben?

Jasper
24 september, 2006

Een code voor de journalist met de grenzen van het betamelijke beschreven is natuurlijk al een oud proces. Het is deel van de strijd die de journalist, als vrije beroepsbeofenaar, al tijden voert voor een erkenning van de bijzondere positie van de journalist. En dat is, als consument van journalistieke producten zeg ik dat, eerlijk gezegd een onzinnige strijd. Een journalist is slechts in een opzicht bijzonder. Zij heeft een vrijere toegang tot de media om haar creaties de wereld in te schieten. In geen enkel opzicht verder is de journalist bijzonder. Zij is een gewone burger, met de gewone rechten die elke burger heeft, en met de gewone plichten die iedere burger heeft.
Natuurlijk zijn er privileges die de journalist wel, en een andere willekeurige burger niet, heeft, maar dat blijven privileges.
Het reguleren van het journalistieke gedrag is niet alleen in tegenspraak met de tijdgeest -minder regels, nog minder regels, helemaal geen regels- maar impliceert ook een fictie van de statische maatschappij waar de journalist in opereert. Bovendien leidt regelgeving tot een groter gevaar, risicomijdend gedrag. Journalisten zijn nu al geneigd om zich te richten naar de uitspraken van de RvdJ, ook waar die de journalistieke opdracht, het verschaffen van nieuws en daarmee een belangrijke schakel zijn in de wortel van de democratie, het toetsen van de verantwoordelijkheid, in de weg staan. Dit om de schande van een vingertik van de RvdJ uit de weg te gaan.
De beste journalistieke principes, hoor en wederhoor, beschrijven wat men ziet en niet wat men vindt en respect voor het journalistieke onderwerp zijn, in een open samenleveing, tijdloos, en hoeven niet expliciet opgeschreven te worden. Als die behoefte bestaat, is dat eerder een teken van de armoede van de journalistiek, dan een gemis dat het functioneren van de journalistiek in de weg staat.
Wat is dan de toegevoegde waarde van een ombudsman als er geen heldere regels zijn? Die is, zelfs als er geschreven regels zijn, op zijn best minimaal. De journalistiek is immers NIET verplicht zich iets aan te trekken van de ombudsman. De ombudsman heeft eigenlijk, net als de RvdJ, geen enkele sanctie mogelijkheid. Journalist is, gelukkig, geen beschermd beroep, en iedere poging dat er van te maken, staat weer haaks op de vrijheid die een journalist moet hebben, zijn beroep uit te oefenen.

Een eenvoudiger idee is dat de journalist zich laat leiden door gezond verstand en het gegeven dat de journalist, in bijna alle gevallen, machtiger is dan het onderwerp van haar beschouwing. Arbritrage, met een heldere publiciteitsplicht, is dan een stuk beter, zeker daar een arbiter de vrijheid heeft om juist aan de gezond verstand criteria te toetsen, dan regelgeving. Voorwaarde is natuurlijk dat alle partijen a priori af spreken zich te schikken naar de arbiter, of het arbitraal college.

Regelgeving werkt niet. De discussie over het embargo en de beslotenheid van de troonrede en de begroting laat dat duidelijk zien. Journalisten treden de regel, niet publiceren tot het embargo, met voeten, en zijn vervolgens verontwaardigd dat dan de stukken niet meer op voorhand worden vrijgegeven. (Voor alle helderheid, natuurlijk zijn niet alleen de publicisten debet aan die situatie, maar zij zijn wel de personen die zich niet aan de afspraak houden. Lekken van anderen kunnen zij negeren, of mee nemen in de berichtgeving na het embargo. Er is geen enkel belang gemoed met het breken van het embargo, behalve de geilheid op een rpimeur. Die geilheid ledit tot een hoererij van de journalist die beschamend is in een bechaafd land.)

Resumerend, een nobel idee dat slecht uitgevoerd dreigt te gaan worden. Als consument ben ik bang dat mijn informatievoorziening danig in de war geschopt gaat worden. Een verschraling van de publieke journalistieke functie, welke uiteindelijk leidt tot een grote verarming van de samenleving.

stefanie
24 september, 2006

Nieuwe media-ombudsman tegen nieuwe crisis in journalistiek.Tegen of verantwoordelijk voor de crisis? Welke rechtsgeldigheidheid heeft deze zichzelf benoemde media-ombudsman? Is het een betaalde functie en door wie? Is de opvolging al geregeld? Moet de journalist zeker rekening houden met de nieuwe media-ombudsman? Is het ook mogelijk voor journalisten deze media-ombudsman partij weg te stemmen?
Ik sluit me aan bij de mening van Mevrouw Wesselius,die zegt: dat je in dit land (gelukkig) mag zeggen en schrijven wat je wilt,TENZIJ je de wet overtreedt.Waar zijn we nou in vredesnaam zo bang voor?
Mijn conclusie is dan ook, na bovenstaande mening gelezen te hebben: we kunnen gerust af zien van de nieuwe media-ombudsmannen.

[...] Tijdens een chique ceremonie in de De Industrieele Groote Club – denk jazzband, bovengemiddeld goede champagne en uitzicht op de Dam – riep [De Redactie] de hoofdredactie van nrc.next uit tot moedigste hoofdredactie van Nederland. “In een medialandschap waar de aandacht steeds meer uitgaat naar entertainment kan je twee dingen doen. Of je begint een gratis dablad, gericht op de massa, zoals DAG. Of je geeft als krant een spiksplinternieuwe titel uit die zich concentreert op de inhoud”, aldus juryvoorzitter en media-ombudsman Kees Haak. Directeur van [De Redactie], Jaap Dik, constateerde dat journalisten in Nederland niet als helden erkent worden. De prijs voor de moedigste hoofdredacteur moet daar verandering inbrengen. [...]

[...] Op diezelfde site noemde ik een dik jaar geleden een vorige code, niet zoals nu een initiatief van het Genootschap van Hoofdredacteuren maar van de Raad voor de Journalistiek (RvdJ), stom. Toen Henk Blanken me pakweg een jaar geleden in een Utrechts kroegje me vroeg wat ik zou vinden van een nieuwe, internet-bestendige journalistieke code, zei ik ‘m al dat mijns inziens elke journalistieke code stom is. En dat vind ik nog steeds, ook de conceptversie van laatste loot aan de stam der journalistieke codes, al is-ie zeker weten een flink stukkie beter dan de (bij mijn weten) rap in vergetelheid geraakte pennenvrucht van de RvdJ. [...]

[...] Op diezelfde site noemde ik een dik jaar geleden een vorige code, niet zoals nu een initiatief van het Genootschap van Hoofdredacteuren maar van de Raad voor de Journalistiek (RvdJ), stom. Toen Henk Blanken me pakweg een jaar geleden in een Utrechts kroegje me vroeg wat ik zou vinden van een nieuwe, internet-bestendige journalistieke code, zei ik ‘m al dat mijns inziens elke journalistieke code stom is. En dat vind ik nog steeds, ook de conceptversie van de laatste loot aan de stam der journalistieke codes, al is-ie zeker weten een flink stukkie beter dan de (bij mijn weten) rap in vergetelheid geraakte pennenvrucht van de RvdJ. [...]


Laat een reactie achter »