Het had zo mooi kunnen zijn: twee dagen wegdromen bij ‘nieuwe kansen’ en wonderoplossingen voor de mondiale crisis in de dagbladsector. Maar daar kwam uit Utrecht Carl Rohde roet in het eten gooien. Na zijn inleiding over trends onder jongeren moeten de verzamelde dagbladuitgevers de wanhoop nabij zijn geweest. Dachten ze net dat ze de aansluiting met de komende generaties konden bewerkstelligen, bleek het allemaal toch veel moeilijker. Dag twee van ‘The World Digital Publishing Conference & Expo’ (World Association of Newspapers) in Londen.
Carl Rohde (Universiteit van Utrecht, cultuursocioloog, trendwatcher en directeur van ‘Sign of the Time’) wist binnen korte tijd het gezelschap dagbladuitgevers en hoofdredacteuren op de kast te krijgen door hen te laten zien welke trends zich op dit moment onder de nieuwe generatie ontwikkelen.

‘Jongeren hebben het verlangen ergens bij te horen. Thuis is voor hen de plaats waar hun vrienden zijn. Dat is dus een ander thuis dan wij dat kennen. En jongeren willen het gevoel hebben 24 uur per dag ‘connected’ te zijn. De mobiele telefoon is daarbij een ‘supportline’ voor vrienden. Televisie is voor de nieuwe generatie ‘retro’. Te passief. Jongeren van nu willen interactie, kicks. Een film is te passief, ze hebben geen invloed op de inhoud. Virtuele werkelijkheden als SecondLife zijn daardoor veel populairder, want interactief. Deze jongeren zitten dan ook liever achter de computer dan achter de televisie. Tot voor kort waren jongeren cynisch, maar door bloggen zie ik dat cynisme afnemen.’
Volgens Rohde zijn er sociologen die voorspellen dat in de toekomst iedereen naast zijn eigen leven er nog een ‘virtueel leven’ op nahoudt.
De inleiding van Rohde zorgde voor nogal wat onrust onder de deelnemers aan de WAN-conferentie. Hoe immers kunnen traditionele dagbladen, die weliswaar tegenwoordig ‘multi-platforms’ bieden, die nieuwe generatie aan zich binden? De krant is bij uitstek niet interactief en de meeste websites nodigen weliswaar uit tot consumeren, maar niet tot participeren. ‘Zorg voor interactiviteit’, was het antwoord van Rohde. ‘Laat jongeren het gevoel krijgen dat ze ergens bij horen.’
New York Times
De inleiding van Rohde was een van de weinige hoogtepunten op een tweede congresdag die vooral in het teken stond van marketing. Al was de dag boeiend begonnen. Neil Chase, die de integratie van de web-redactie van de New York Times met de ‘papieren’ redactie leidt, liet zien hoe voorzichtig dergelijke processen zouden moeten verlopen. ‘Wij willen helemaal geen journalisten die alles kunnen. Sterker: sommige reporters hebben wij in dienst genomen omdat ze in één ding heel erg goed zijn. Sportjournalisten bijvoorbeeld. In plaats van ze voor te schrijven dat ze nu ook ineens voor het web moeten werken, vragen we onze verslaggevers wat ze willen. Daar komen goede ideeën uit. Geef dus geen opdrachten, maar nodig uit! Bij sommige journalisten is nogal wat angst dat ze straks geen tijd meer overhouden omdat ze ook voor de website moeten werken. Wij zeggen tegen die journalisten: we zijn er niet om je werk te verpesten. We bieden ze hulp bij dat werk. Bovendien zijn onze reporters heel erg competitief. De redactie in Bagdad krijgt de papieren krant niet te zien. Maar ze zien wel de website en die van de concurrent. En als de concurrent een mooi stuk uit Bagdad heeft, willen ze vaak zelf ook! Ons credo: volg je specialisten. Hun sterkte kan ook de sterkte van een website worden. Immers: er zijn zoveel goede websites ‘out there’. Wat ons onderscheidt is dat we New York Times-reporters hebben. Wij willen een website waar onze journalisten zelf van houden. Vandaar ook dat we het belangrijk vinden in ‘bylines’ te vermelden wie welk stuk schreef. En: lieg niet over de werkdruk. Probeer eerder werkdruk weg te nemen. De New York Times heeft een culinair recensent. Die schreef iedere week een groot artikel en een kleiner stuk. Nu schrijft hij alleen een groot artikel voor de krant en vult een weblog. Je moet die werkdruk dus serieus nemen en tijd vrijmaken.’

De New York Times kent overigens voor het internet een mooie ‘mix’ van oude en nieuwe techniek. Een deel van de buitenlandcorrespondenten beschikt over een eenvoudige digitale videocamera waar een tekst op kan worden ingesproken. De reactie in New York maakt vervolgens met behulp van foto´s uit het fotoarchief een ‘filmpje’ dat er gelikt en gedocumenteerd uitziet. Weinig kosten voor een mooi resultaat. Vooral historische onderwerpen lenen zich voor zo’n aanpak.
Participatie
Pete Clifton, BBC Bews Interactive, kondigde aan dat websites te statisch dreigen te worden. ‘Video en audio zijn de toekomst. Tekstpagina’s hebben hun langste tijd gehad.’ Daarbij zoekt de BBC nadrukkelijk participatie van het publiek. ‘Er loopt daarbuiten namelijk altijd wel iemand rond die meer van een onderwerp afweet. Voor ons betekent dat niet dat we met minder journalisten gaan werken. De informatie die we van buiten krijgen moet immers nog altijd worden gecheckt.’
Voor de komende jaren lijken de ontwikkelingen dan ook voorspelbaar. Uitgevers zullen steeds actiever proberen geld te verdienen met de websites. De online/activiteit wordt meer dan alleen maar een uithangbord voor de papieren krant: de webstek moet de inkomstendaling van het ‘oude medium’ gaan opvangen door gesegmenteerde en gespecialiseerde content ‘achter de decoder’ te zetten. Interactiviteit, deels via mobiele telefonie, zal een steeds prominentere rol gaan spelen. En een moderne internetsite van een dagbladuitgever kan eigenlijk al niet meer zonder veel bewegend beeld en geluid. De Amerikaanse krant The Bakersfield Californian liet in Londen zien dat ook lokale medium op dat gebied veel mogelijkheden hebben. De website van de krant heeft een toptien van muziek van plaatselijke bands en artiesten (mp3).
Uitgevers zullen gedurfder moeten zijn bij het in de markt zetten van nieuwe initiatieven. Tegelijk moeten ze daar niet te veel geld voor uitgeven, zodat ze zich enkele mislukkingen kunnen veroorloven. Geslaagde testen kunnen eenvoudige worden uitgebouwd. En tot slot zullen de uitgevers de portemonnee moeten trekken om originele software te (laten) ontwikkelen. Want juist die software bepaalt of een goed plan ook goed uitgevoerd wordt.
Eén reactie