‘Een gecamoufleerd doolhof met dubbele bodems’

Journalistiek, voorlichting en commercie – Schuivende grenzen revisited

Schuivende grenzen luidde de titel van het boek dat Mirjam Prenger en ondergetekende twee jaar geleden schreven over de relatie tussen journalistiek, voorlichters, pr-diensten en reclamemakers, gezien in het licht van de toenemende druk van commerciële belangen. De basis van het boek werd gevormd door een uitvoerige literatuurstudie en de resultaten van een onderzoeksproject van studenten van de Masteropleiding Journalistiek van de Universiteit van Amsterdam. Het rapport, waarnaar veelvuldig wordt gevraagd maar dat al lang niet meer te krijgen is, is nu beschikbaar (pdf) op de site van De Nieuwe Reporter.

Hoewel Schuivende grenzen een verkennend karakter had, kreeg het boek verrassend veel aandacht. Zo putte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een aantal rapporten, waaronder Focus op functies, er veelvuldig uit. Uit de reacties bleek dat de studie in een grote lacune voorzag en bovendien gevoelige snaren wist te raken, niet alleen in journalistieke kringen, maar ook bij sommige voorlichters en wetenschappers. Zo meende Betteke van Ruler, hoogleraar Communicatiewetenschap aan de UvA, dat hier sprake was van een aanval op de sector voorlichting en communicatie – een verwijt dat gemakkelijk kon worden weerlegd, omdat het rapport zich primair richt op de vraag hoe journalisten met deze snel groeiende sector omgaan of zouden moeten omgaan.

Uitgangspunt van het project vormde de opvatting, dat het vraagstuk van de persvrijheid niet ophoudt bij het politiek-juridische domein. Als het daarom gaat, scoort Nederland goed, zoals onlangs weer eens bleek uit het onderzoek van het transnationale Freedom House. Van censuur, sancties, intimidatie of geweld is in Nederland nauwelijks sprake. Persvrijheid heeft evenwel ook betrekking op vraagstukken als redactionele onafhankelijkheid, economische controle, mediapolitiek en vrije nieuwsgaring, om nog maar te zwijgen van belangenverstrengeling en de groeiende macht van wat Henk Hofland in 1988 omschreef als het ‘gecamoufleerde doolhof met dubbele bodems’ van voorlichters, pr-diensten en reclamemakers.

Juist die minder opvallende kanten van het vraagstuk wilden wij nader onderzoeken, in 2003-2004, samen met een zevental studenten die in hun laatste fase van hun Masteropleiding Journalistiek zaten.* Dit project resulteerde in Schuivende grenzen, uitgegeven door de NVJ en Prometheus, met steun van het Bedrijfsfonds voor de Pers, en gepresenteerd op 3 mei 2004, op de dag van de persvrijheid, in aanwezigheid van minister Piet Hein Donner – die vervolgens een opzienbarende voordracht hield, vol vermaningen en bedenkingen tegen het gebrek aan ernst en zelfbeheersing in de media.

Openbaarheid
In het rapport wordt vastgesteld dat de vrijheid en de onafhankelijkheid van de journalist in Nederland in de huidige beroepspraktijk door een aantal ontwikkelingen worden ondermijnd of dreigen te worden aangetast.

Ten eerste wordt geconstateerd dat de in de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) beoogde openbaarheid in de praktijk nog niet is gerealiseerd, zowel door capaciteitsproblemen en een zekere willekeur in de uitvoering als door nieuwe belemmeringen, zoals het beleid van het Openbaar Ministerie. De aanbevelingen van de Commissie-Wallage (2001), waarin gepleit wordt voor enorme investeringen in een ‘pro-actief’ voorlichtingbeleid – in plaats van het stimuleren van de transparantie en het publiek debat in de media – getuigen eveneens van een discutabele opvatting van openbaarheid.

De journalistiek heeft nauwelijks een antwoord op het numerieke overwicht (in een verhouding van 1:3) en de voortschrijdende professionalisering van de voorlichtings- en communicatieafdelingen in alle sectoren van de samenleving. Sterker nog: de invloed van deze diensten wordt door de meeste journalisten schromelijk onderschat, met alle gevolgen van dien Dat de bezuinigingen op de redacties de positie van de journalisten op dit punt verder verzwakken, behoeft geen betoog.

Deze conclusies worden geschraagd door de studie van Henri Beunders en Erwin Muller, Politie en media. Feiten, fictie en imagopolitiek, die een jaar later verscheen en waarin een heldere en uitvoerige analyse wordt gepresenteerd van de ingrijpende veranderingen die zich de laatste decennia gelijktijdig op verschillende terreinen – binnen de media, de politie, het openbaar ministerie en de samenleving als geheel – hebben voltrokken. De auteurs laten zien hoe deze ontwikkelingen elkaar nu eens versterkten en dan weer tegen elkaar inwerkten, maar telkens bleken bij te dragen aan een verdere complicering van de verhouding tussen politie, justitie en media.

Belangenverstrengeling
De positie van de journalist lijkt ook verzwakt te worden door de samenwerking van redacties met bedrijven en andere belanghebbenden, zoals blijkt uit het hoofdstuk over de gangbare praktijken in de reisjournalistiek. Uit het onderzoek blijkt dat journalisten niet altijd onafhankelijk zijn bij het verzamelen, vormgeven en doorgeven van informatie, zich soms bewust of onbewust door commerciële partijen laten verleiden en daarnaast ook af en toe opzettelijk informatie weglaten uit commerciële motieven. In al deze gevallen bleef de lezer onkundig van de belangenverstrengeling.

Ten slotte blijkt uit de reeks interviews met hoofdredacteuren dat de publieke functie van de journalistiek in veel gevallen niet langer richtinggevend is voor de keuzes die worden gemaakt. Er wordt meer tegemoet gekomen aan de wensen van adverteerders, zowel in de bestaande katernen als bij het ontwikkelen van nieuwe initiatieven, het belang van lezersonderzoeken is bij de meeste publicaties toegenomen en bij productvernieuwing richt men zich vooral op initiatieven die aansluiten bij de wensen en behoeftes van (potentiële) lezers/doel¬groepen.

Weliswaar zijn de redacties formeel nog steeds onafhankelijk en waken de meeste hoofdredacteuren ook voor belangenverstrengeling, maar tegelijk zijn door het meer marktgerichte denken de grenzen opgeschoven en minder scherp geworden. De vraag is of met name het ‘doelgroepdenken’ – onder meer door het bieden van meer service en consumentenjournalistiek of een nauwere samenwerking met commerciële partijen om de eigen positie te versterken – in de Nederlandse media dezelfde uitwerking op de kwaliteit van de journalistiek zal hebben als in de VS, waar deze ontwikkeling al veel eerder begon.

Het is duidelijk dat deze ontwikkelingen sinds het verschijnen van het rapport niet in kracht zijn verzwakt. Integendeel, de druk is door de toenemende concurrentie en de uitholling van het traditionele economische model van de ‘oude’ media, alleen maar toegenomen. De groeiende rol van de spin doctors en campagnestrategen in de politiek en de opkomst van nieuwe fenomenen, zoals de bureaus die zich openlijk als ‘nieuwsmakers’ afficheren (NRC Handelsblad, 28 oktober 2006), maken duidelijk dat de ‘andere kant’ intussen niet stil zit.

Er is – met andere woorden – alle reden om dit terrein verder te onderzoeken.

Frank van Vree

Frank van Vree ) is hoogleraar Journalistiek en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde geschiedenis en filosofie in Groningen en Leiden en publiceerde o.a. De Nederlandse pers en Duitsland 1930-1939 (Groningen 1989), In de schaduw van Auschwitz. Herinneringen, beelden, geschiedenis (Groningen 1995), De metamorfose van een dagblad. Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant (Amsterdam 1996) en De politiek van de openbaarheid. Journalistiek en publieke sfeer (Groningen 2000). Hij is medewerker van de Volkskrant.

Alle artikelen van Frank van Vree op De Nieuwe Reporter.

  • Frank, dank voor het beschikbaar stellen van het rapport en de oproep tot waakzaamheid. Toch mis ik een aantal wezenlijke zaken in het verhaal:

    – de eigen verantwoordelijkheid van journalisten; je stelt zelf vast dat journalisten de invloed van spin doctors en andere vormen van PR onderschatten. Toch is juist deze houding een vorm van misplaatste beroepsarrogantie welke een belangrijk gevolg is van het marktonafhankelijk denken waar jij zelf voor pleit.

    – de rol van burgerjournalisten (etc.) als expressie van een breedgedeelde scepsis ten opzichte van nieuwsmedia; ofwel: journalisten lijken soms naiever dan de burgers die als publiekssegmenten aan adverteerders worden verkocht.

    – Onderzoek (o.m. van collega Frank Esser) laat duidelijk zien dat de journalistiek in Nederland en daarbuiten de laatste tien jaar steeds interpreterender is geworden (journalisten luisteren steeds meer naar elkaar en zichzelf, komen zelfs meer aan het woord dan bronnen) en daarnaast besteden journalisten in politiek nieuws steeds meer aandacht aan spin doctors en persoonlijke belangen in plaats van achtergronden en onderwerpen van publieksbelang. Dit alles is geen gevolg van commercialisering (sterker nog, het juist een verzet daartegen), maar eerder van een doorgeslagen hooghartige professionalisering.

    Eerlijk gezegd zie ik als het grootste gevaar van marktdenken de manier waarop werkgevers in de media – uitgevers, omroepbedrijven, etc – omgaan met investeringen (vooral om kosten te besparen niet om te in noveren) en jonge journalisten (geen vaste aanstellingen, lage lonen, geen investeringen in loopbaanontwikkeling of bijscholing). Dat alles ondermijnt de positie van de autonome redactie nog het meest – maar dat laat jij (voor zover ik kan overzien) onbesproken.