Ode aan de onderzoeksjournalistiek

Ad van Liempt pleitte tijdens het jubileumcongres van de Utrechtse School voor Journalistiek (9 november) voor een ‘Ad Bos-fonds’ voor onderzoeksjournalistiek. Deels te vullen met geld dat de overheid opstreek door boetes in de bouwfraude-affaire – die aan het licht kwam door onderzoeksjournalistiek. Bijgaand zijn inleiding.

Een potsierlijk gezicht was het wel een beetje, achteraf. Het moet in het najaar van 1976 geweest zijn, hartje Utrecht. Een sliert van tientallen mensen loopt over de Drift, in het kielzog van een gedistingeerde, parmantig voortstappende heer. De stoet gaat naar de City-bioscoop op de Voorstraat, vlak om de hoek. De man voorop koopt de kaartjes, 42 of daaromtrent. De groep stommelt naar binnen en vult de verder geheel lege bioscoopzaal.

Het betrof hier een groot deel van de redactie van het Utrechts Nieuwsblad. De man voorop was hoofdredacteur Max Snijders en hij begeleidde zijn redacteuren naar de film All the Presidents Men. Robert Redford en Dustin Hoffmann in de rol van Woodward en Bernstein, de twee onderzoeksjournalisten van de Washington Post die twee jaar eerder de machtigste man van de wereld tot aftreden hadden gedwongen. Althans, in kort bestek – het was uiteindelijk de Amerikaanse politiek die de doorslag gaf, maar twee journalisten hadden met hun onderzoekswerk in het Watergateschandaal het politieke graf van president Richard Nixon gedolven.

Achteraf kun je zeggen dat dit het finest hour van de internationale journalistiek was. Dat rare quasi-artistieke vak waar zoveel gerookt en gedronken werd, beoefend door gesjeesde studenten, met een maatschappelijk aanzien van ver onder de onderwijzer – dat rare vak had zijn tanden laten zien en had daar bovendien heel hard mee gebeten en de machtigste man van de wereld mee uitgeschakeld. Het zelfvertrouwen van het vak steeg razendsnel en raakte – maar dat zie je vaker – al snel aan de zelfoverschatting.

Mooie film was het trouwens, inspirerende film. Hij miste zijn uitwerking niet. Wij, journalisten van het Utrechts Nieuwsblad, zouden vanaf dat moment niet meer met ons laten spotten. In onze regio zou vanaf dat moment geen wethouder meer veilig zijn voor onze naspeuringen. Al moesten we er anonieme getuigen voor ontmoeten in duistere parkeergarages (jammer dat we die toen eigenlijk nog helemaal niet hadden in Vinkeveen, Vianen en Veenendaal). We waren er helemaal klaar voor om anonieme tips met brisante informatie uit de brievenbus te vissen; gemeentesecretarissen met dubieus verkregen stukjes grond, wethouders met nauwe banden met wegenbouwers, politiecommissarissen met dubieuze oorlogsverledens – we zouden ze achtervolgen tot in de hel. Vervuld van die geest kwamen we de bioscoop uit.

Welbeschouwd bleef het de jaren na die film vrij stil. We schreven hier en daar wel eens een wethouder weg en we onthulden af en toe wel eens een geheim rapportje – maar voor het grote werk leken we toch niet in de wieg gelegd, daar aan de Drift.
Toch was dat maar schijn. In 1979 begon die regionale krant op z’n eigen gebied en op z’n eigen manier voorzichtig in de voetsporen te treden van de Washington Post. Centrale figuur was Louis Engelman, die eerder dit jaar afscheid nam als docent van de jarige School voor Journalistiek. Hij schrijft er zelf over in het interessante obekje “Onthullingsjournalistiek”, dat de liefhebber zeker eens uit de mediatheek moet halen. Het is vijftien jaar oud, het werd uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van deze school.

“Het is X…”
Het beslissende telefoontje voor Engelman kwam op een augustusavond, zijn vrouw nam het aan. “Het is X. Hij wil met je praten.” Het was het begin van een maanden durend onderzoek naar misstanden in de onroerend goedwereld in Utrecht en omgeving. Huisjesmelkers, louche notarissen, spectaculaire speculatiewinsten waren de ingrediënten van een onnavolgbaar maar pikant netwerk, dat de krant, na maanden speurwerk, in lange verhalen onthulde.
Daarna volgde, inderdaad, het voor een deel verzwegen curriculum vitae van de hoofdcommissaris van politie – de geruchten dat hij zijn opleiding tijdens de oorlog op de nazi-politieschool van Schalkhaar had genoten bleken niet alleen wáár, hij had zich daar ook nog vrijwillig gemeld voor de officiersopleiding. De onthullingen leidden tot felle discussies, binnen en buiten de redactie, maar niet tot enige maatregel – of het moest een koninklijke onderscheiding voor de betrokkene zijn.

Er is, nog iets later, uiteindelijk een Utrechtse huizenhandelaar veroordeeld omdat hij een knokploeg had ingeschakeld om de journalist Louis Engelman in elkaar te slaan. De twee leden van de knokploeg kregen al wroeging vóór de daad, waardoor Engelman ongedeerd bleef en aangifte kon doen. Ik was daar zijdelings bij betrokken, als chef nieuwsdienst van de krant en heb dus van heel dichtbij deze schaduwkant van de onderzoeksjournalistiek kunnen observeren. De spanning van het vak kan soms extreem oplopen, zeker als het veiliger wordt geacht je vrouw en kind tijdelijk elders onder te brengen. Want onderzoeksjournalistiek is geen vak voor bange mensen.

In de afgelopen 25 jaar heeft de Nederlandse journalistiek een aantal flinke klappers gemaakt inzake het onthullingswezen, maar ook weer niet genoeg om van een bloeiende tak van ons vak te kunnen spreken. Er is wel eens incidenteel een staatssecretaris ten val gebracht, zoals de al vergeten Evenhuis door NRC Handelsblad, over een omstreden hypotheek, of zoals Robin Linschoten, die zelf de consequenties trok als verantwoordelijke voor vermeende geldsmijterij bij de uitkeringscontroleur CTSV.
De val van een minister als rechtstreeks gevolg van een publicatie is bij ons al een stuk zeldzamer. Uit de afgelopen periode zou je het vertrek van Bram Peper met enige fantasie het gevolg kunnen noemen van journalistiek speurwerk – ik geloof dat hij daar zelf anders over denkt. En in ieder geval is het aftreden van landbouwminister Braks, in 1990, rechtstreeks terug te voeren op onthullingen over de visfraude, die in het NOS Journaal waren gedaan.

Verder hebben journalistieke onthullingen een concern van wereldfaam aan het wankelen gebracht. Publikaties in de NRC en in een boek van Jeroen Smit leidden tot een enorme deuk in het vertrouwen van beleggers in het bedrijf Ahold en uiteindelijk, deze week zelfs, tot de verkoop van US Food Services – waar het allemaal was begonnen. Zeer ingewikkeld speurwerk van hoog niveau, waarin topjournalisten aantoonden dat ze de sterkste tegenstanders met de beste advocaten niet alleen partij kunnen bieden maar zelfs in grote moeilijkheden kunnen brengen. Dat zijn allemaal redenen tot voldoening voor ons vak en het zouden evenzovele aansporingen moeten zijn om van onderzoeksjournalistiek onze speerpunt te maken.

Maar om de een of andere reden komt het daar niet van. Ik zei het al, het is een hard vak, met veel spanningen en niet geheel veilig. Het kan ook een onaangenaam vak zijn, waarin de confrontaties met machtige tegenstanders het uiterste vergen van je zenuwgestel.
Een aantal schokkende voorbeelden daarvan zijn te vinden in het Jaarboek Onderzoeksjournalistiek 2004. Daarin wordt de serie publicaties van NOVA en Het Financieele Dagblad over Aegon behandeld en dan vooral over de banden tussen Aegon en zijn tussenpersonen.
Citaat 1:

“Veel mensen wilden uitsluitend met ons praten op voorwaarde van anonimiteit en vertrouwelijkheid. Als bekend wordt welke personeelsleden van Aegon met ons praten, verliezen ze hun baan.”

De stemming zit er al snel goed in.

Citaat 2:

“Mensen die wel on the record met ons willen praten zijn daarna met schadeclaims door Aegon bedreigd. In het kader van deze intimidatietactiek heeft Aegons spindoctor Jan Driessen ook wekenlang het gerucht verspreid dat Aegon een schadeclaim van 130 miljoen euro bij NOVA en het Financieele Dagblad wilde indienen.”

Ik zou zeggen: on-Nederlandse toestanden.

Citaat 3:

“Op de dag van de eerste NOVA-publicatie ontaardde het contact met Jan Driessen in puur gescheld van zijn kant. Enkele minuten voor aanvang van de NOVA-uitzending dreigde het hoofd juridische zaken van Aegon met een dusdanige schadeclaim dat we het programma wel konden opheffen.”

Powerplay in de polder. Let wel: aan de publicaties in de beide media was een onderzoek van twaalf maanden vooraf gegaan. Er is weinig fantasie voor nodig om te begrijpen onder welke enorme pressie de betrokken journalisten en hun hoofdredacties in die periode hebben geleefd. Onderzoeksjournalistiek is oorlog.

Vraag dat maar aan Oscar van der Kroon en Jos van Dongen, de twee journalisten van Zembla die verantwoordelijk zijn voor de moeder van alle Nederlandse onthullingen, de uitzending over de bouwfraude.
Ook hier was sprake van onderzoek van ongeveer een jaar. Centraal daarin stond een maandenlang contact met Ad Bos, zelf onderdirecteur van een grote bouwondernemer, die als klokkenluider fungeerde. Hij wilde eigenlijk niet naar de media lopen, maar naar justitie. Daar bleek het onmogelijk om hem meer dan 50.000 gulden te betalen voor zijn schaduwboekhouding, de smoking gun van de bouwfraude. Hij vroeg veel meer geld, omdat hij wist dat hij na zijn daad nooit meer in de bouwwereld terecht zou kunnen – en dat kwam uit.
De onderhandelingen met justitie liepen dood op een mengsel van schraperigheid en gebrek aan creativiteit bij het Openbaar Ministerie en de ervoor verantwoordelijke politieke top van justitie. Uiteindelijk lukte het Van der Kroon om Bos over te halen gratis zijn verhaal te doen in Zembla.

Voor de Zemblaverslaggevers was het een enerverend jaar waarin de pressie van de kant van de bouwers en hun advocaten soms hoog werd opgevoerd. Op de dag voor publicatie kwam de klap op de vuurpijl. Een van de meewerkenden aan de uitzending, kamerlid Rob van Gijzel, had aan zijn partijgenoot minister Netelenbos voor de goede orde meegedeeld waar Zembla, met zijn medewerking, mee zou komen. Van Gijzel had de volle laag gekregen van de bewindsvrouw. Dat het de canard van de eeuw was, dat ze niet begreep dat hij daar ingelopen was, dat hij voor het hele land voor gek zou staan en dat ze uit onderzoek wist dat die Ad Bos een querulant was met een steekje los. Van Gijzel schrok, Zembla schrok – iedereen schoot in de stress. Het was toch een minister die dat zei, je kon je toch niet voorstellen dat iemand zo ongegeneerd zou kunnen bluffen.
Powerplay in de polder, deel 2.
Het bleek uiteindelijk bluf en met een stalen gezicht kondigde Netelenbos de volgende dag, na Zembla, een diepgaand onderzoek aan.

Voorwaarden
Uit deze en de voorgaande voorbeelden vallen wel enige conclusies te trekken – voorwaarden waaraan wie zich aan onderzoeksjournalistiek waagt moet voldoen.
Om te beginnen een koel hoofd vol stressbestendigheid. En natuurlijk moet een onderzoeksjournalist een doorzetter zijn, vasthoudendheid koppelen aan een soort weloverwogenheid, want je merkt bijna elke dag dat de werkelijkheid toch net een slagje anders ligt dan je denken zou.
Je moet over zodanige sociale vaardigheden beschikken dat je met letterlijk iedereen kunt opschieten en zelfs een vertrouwensband kunt opbouwen. Daarnaast moet je kennis van zaken hebben, of althans ontwikkelen. Je moet bovendien praktische juridische kennis hebben, of die snel kunnen aftappen bij een collega of een mentor: je moet kunnen terugvallen op iemand die weet wat er volgens wet of jurisprudentie wel en niet kan. Een bedrijfsjurist kun je in uitzonderlijke gevallen eens raadplegen, maar die heeft vaak andere belangen. Het gaat om snel beschikbare, praktische juridische kennis.

En dan zijn er nog een aantal andere factoren onmisbaar: je moet rugdekking hebben. De hoofdredactie moet achter je staan en moet je op beslissende momenten steunen, zeker naar buiten. Intern kan die hoofdredactie beter maar streng zijn en scherp, maar voor de buitenwereld is rugdekking van het grootste belang.

Louis Engelman schrijft in zijn verhaal van vijftien jaar geleden over een dreigement van de Utrechtse makelaars. Zij overwogen hun woningadvertenties uit het Utrechts Nieuwsblad terug te trekken als die krant niet zou stoppen met z’n onrust veroorzakende publikaties. Hoofdredacteur Snijders – u weet wel, die van die bioscoopkaartjes – antwoordde dat ze dat vooral moesten doen, maar – ik citeer – “dat de krant dan nog wel met ze wilde praten voor een verhaal waaruit blijkt dat de Utrechtse makelaars de persvrijheid in deze stad om zeep willen helpen”. Van die boycot is niets meer vernomen.

Daarnaast moet een redactie een klimaat scheppen waarin onderzoeksjournalistiek gedijt. Dat betekent dat de krant of het televisieprogramma een hek zet rond de onderzoeksjournalisten, dat ze niet voortdurend voor de actualiteit ingezet moeten worden. Als dat wél gebeurt is de kans op opvallende verhalen van lange adem verkeken. Ook moet een redactie investeren in het voorkomen van haat en nijd tussen de onderzoeksjournalisten en de rest. Inderdaad, soms moet iedereen een stapje harder lopen voor het dagelijks product, terwijl een onderzoeksjournalist zich aan de lange termijn wijdt. Maar daar staat tegenover dat een mooi verhaal of een onthullende reportage de eigen krant of het eigen programma prestige verleent en een gemeenschappelijk gevoel van trots creëert. Als de Tweede Kamer een spoeddebat wijdt aan een onthulling van NOVA, voelt iedere NOVA-medewerker zich daar een beetje verantwoordelijk voor. En dan hoort iedere NOVA-medewerker bereid te zijn om in ruil voor dat prestige een extra klusje op te knappen – dat is het ideale beeld.

Alleen in zo’n klimaat kan een onderzoeksjournalist de druk verdragen die onvermijdelijk met het vak verbonden is. Die druk kan niet gemakkelijk worden overschat. De onderzoeksjournalist draagt de last van de collectieve verwachting op zijn schouders en krimpt ineen als een collega quasi-geinig vraagt welke minister hij nu weer tot aftreden gaat dwingen.

Dure tak van sport
Ik kom nu op een minder florissant punt in mijn betoog: we hebben in Nederland, samen met België, weliswaar een bloeiende en actieve vereniging van Onderzoeksjournalisten, maar in de media is daar toch niet veel van terug te vinden. Onderzoeksjournalistiek is een dure tak van sport en bij krimpende budgetten zie je ook de tijd teruglopen die journalisten aan hun verhalen en reportages mogen besteden. In sommige sectoren is van onderzoeksjournalistiek al helemaal geen sprake – op de zeven Nederlandse commerciële tv-netten zou ik alleen het programma van Peter R. de Vries onder onderzoeksjournalistiek willen rekenen, en heel af en toe RTL Nieuws. Dat is een onheilspellende situatie die de scheefgroei in het Nederlandse medialandschap treffend illustreert.
Bij de publieke omroep is de situatie beter, maar niet glorieus. De recente gedeeltelijke onttakeling van Netwerk heeft de situatie er niet beter op gemaakt. De trend is: sneller, goedkoper, liefst gratis. Dat geldt ook voor tal van kranten, vooral in de regio. Er zijn al hoofdredacties die precies bijhouden hoeveel regels elke redacteur per maand schrijft – of dat onthullende regels zijn doet daarbij nauwelijks ter zake. Dat is geen vrolijk beeld en het is naar mijn mening ook volstrekt onnodig. De praktijk wijst uit dat ook in kwantitatief opzicht onderzoeksjournalisten vaak heel veel produceren: het is wel heel lang stil bij ze, maar daarna leveren ze grote producties met vaak heel veel follow-ups, waarmee ze soms in produktiviteit de collega’s naar de kroon steken.

Maar op de een of andere manier gaat de trend de andere kant op. Steeds meer light journalism. Lifestyle, human interest, – engelse termen voor terreinen die niet tot de harde kern van ons vak behoren. De steeds duidelijker accenten op die verstrooiende delen van de krant en de tv hebben de neergang van veel media tot dusver niet gestopt.

Waarom de steven dan niet gewend? Waarom niet meer aandacht voor het wezen van de journalistiek, het onthullen van relevante feiten die volgens anderen, belanghebbenden, beter geheim hadden kunnen blijven. Er is moed voor nodig, maar dat is naar mijn mening wel de kant waar de journalistiek heen moet.
Van het alledaagse, het gemakkelijk vindbare zullen we in de toekomst wel op de hoogte blijven – daar zijn nieuwe media met hun kleine staven en hun snelle werkwijze vast heel goed in. Maar nauwgezet, intensief speuren in archieven, in dikke dossiers, in de kleine lettertjes naar ongerechtigheden, naar vormen van machtsmisbruik en wangedrag van de boven ons gestelden – dat blijft vakwerk. En daar zou ons vak zich meer op moeten richten. In de opleiding, maar ook in de praktijk. Er ligt toekomst in de onthulling – daar ben ik vast van overtuigd.

Ik wil hier een poging doen om de weifelmoedige directies en hoofdredacties een duwtje te geven. Ik wil er voor pleiten om een groot en tamelijk rijk fonds te stichten ter bevordering van de onderzoeksjournalistiek in ons land door alle denkbare redacties. Dat fonds zou gevoed moeten worden uit de opbrengsten van het enorme kapitaal dat de Staat der Nederlanden heeft overgehouden aan de activiteiten van Zembla en de durf van eerdergenoemde klokkenluider Ad Bos.
De boetes die de NMa en Justitie inmiddels hebben opgelegd en geïnd gaan naar mijn berekening de 200 miljoen te boven, al is het beeld nogal verward.
Eén ding staat vast: de staat had naar dit geld kunnen fluiten als Zembla en Bos de bouwfraude net zo sloom hadden behandeld als het Openbaar Ministerie, toen Bos daar met zijn schaduwboekhouding aanklopte.

Het is niet meer dan billijk dat de staat in ruil daarvoor 100 miljoen euro (dus ongeveer de helft van het geld dat ze dankzij Zembla en Bos is toegevallen) in een fonds stopt waarvan het rendement ten goede komt aan journalistieke onderzoeksprojecten. Met een beetje gisse belegger moet het rendement jaarlijks ergens tussen de 3 en de 5 miljoen belopen. Een onafhankelijke Commissie van Wijzen beoordeelt de aanvragen van redacties voor concrete onderzoeksplannen en wijst de subsidies toe, of dat nu aan De Telegraaf, Vrij Nederland of NU.nl is. Dat moet natuurlijk allemaal netjes geregeld worden, met reglementen en toezicht op adequate besteding van het geld.
Maar zo’n fonds zou er moeten komen, als een stimulans voor de journalistiek en dan vooral voor de ware, de pure journalistiek en daarmee voor de democratie.
De naam lijkt me geen probleem: het Ad Bos-fonds.

4 reacties

  1. Duns schreef op 10 november 2006 om 23:07

    Prachtig artikel, … ik zou willen dat ik het zo kan schrijven.

    Maar dat laatste stuk, over het Ad Bos Fonds, kan ik niet helemaal volgen.

    Ik dacht dat die Zembla journalisten elke maand keurig op de 21ste hun salaris hebben ontvangen. En dat dit salaris is opgehoest door de belastingbetaler.

    Naar nu blijkt hebben die Zembla-journalisten hun werk gedaan. Dat is fijn.

    Maar waarom moet de belastingbetaler nu nog eens 100 miljoen extra afhandig gemaakt worden?

    Of is het de bedoeling van Van Liempt dat de overheid bij gelegenheid van het oprichten van het Ad Bos Fonds ook stopt met de financiering van de Publieke Omroep?

  2. Theo van Stegeren schreef op 17 november 2006 om 11:25

    Zo’n fonds zou zeker nuttig zijn, maar intussen valt er ook met het bestaande budget nog heel wat te verbeteren, Ad. Je programma Andere Tijden behandelde gisteravond de lotgevallen van de LPF, en je moet het toch met me eens zijn dat dit geen geslaagde proeve van onderzoeksjournalistiek was. Op de website staat dat het programma “oude kwesties vanuit een geheel nieuwe invalshoek belicht” maar daarvan was geen sprake. De aflevering toonde een, op zich vakkundig gemaakt en vermakelijk, komen en gaan van ego’s en maniacs die allemaal een gelijkwaardige rol in het falen van de LPF leken te spelen. Dat cliché over “de revolutie die haar eigen kinderen opeet” geloof ik wel, ik word graag wat meer op mijn verstandelijke vermogen aangesproken: wat is jullie analyse? wat waren nu de bepalende factoren? wat was de rol van de financiers achter de partij, van Pim zelf?

  3. petra wolthuis schreef op 6 februari 2007 om 15:12

    Goed plan! Met dat geld kunnen ook freelance journalisten die dankzij netwerk en speurneus de goede verhalen en het onrecht weten te vinden maar geen geld hebben om daar achter aan te gaan. Maandenlang intensief met een artikel bezig te zijn en de onderste steen boven te krijgen kost behoorlijk wat geld.

  4. Pingback: De nieuwe reporter » Blog Archive » De mondiale waakhond slaapt nogal vaak

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>