Over de wet van de navelpiercing, trollen en de Titanic, vrije seks en de beste journalist van de vorige eeuw

Henk Blanken hield vorige week een lezing aan de School voor de Journalistiek in Utrecht, tijdens het congres ‘Iedereen Journalist’ bij gelegenheid van het 40-jarig bestaan van die school.

Drie dingen ga ik beweren over oude en nieuwe media. In de kern komt het hierop neer: met oude massamedia komt het niet meer goed en als journalisten niet oppassen hebben ze niets te vertellen in de nieuwe media. Ik zeg niet dat ik dat leuk vind, ik zeg slechts wat ik denk dat er zal gebeuren.

1.
Als ik oude media zeg, bedoel ik: massamedia. Goed beschouwd zijn massamedia een incident in de geschiedenis. We hebben het duizenden jaren zonder gedaan, voordat ze een jaar of tachtig geleden plotseling ontstonden. Door een samenloop van omstandigheden – half techniek, half sociologie – beleefden massamedia in de jaren zestig en zeventig hun hoogtepunt. Iedereen keek naar I love Lucy, naar Willem, Mies en Sonja. Iedereen las een krant.

Sindsdien gaat het bergaf. De afgelopen veertig jaar – sinds pakweg de oprichting van deze opleiding dus – zijn de massamedia zowat gehalveerd, qua massa. Ik suggereer geen enkel verband.

TV-programma’s rekenen niet meer in een miljoenenpubliek, maar zijn blij met een paar honderdduizend kijkers. Tientallen nieuwe tijdschriften worden jaarlijks in het schap gelegd, maar vrijwel geen enkel journalistiek kwaliteitsblad floreert. Van de zestig dagbladtitels die rond 1980 verschenen, zijn er amper 30 over, gratis kranten meegeteld. Waar bijna elk gezin toen een abonnement had, is dat nu in krap de helft van alle huishoudens nog zo.

De massamedia zijn op hun retour. Maar de journalistiek, die al die tijd haar rol in de samenleving – poortwachter, vierde macht, luis in de pels – aan die massamedia te danken had, trekt zich daar te weinig van aan. Journalisten zijn hun positie vanzelfsprekend gaan vinden, een soort geboorterecht, iets adellijks. Ze hebben niet in de gaten dat het schip waarop ze staan slagzij maakt.

Zoals de hoofdredacteur van The Guardian eens zei in de discussie over het tabloidformaat van kranten. Ja, zei Alan Rusbridger, je moet het hebben over dat formaat, but it may be moving deckchairs on the Titanic.

Een democratie kan niet zonder geïnformeerde burgers. En de journalistiek, zeggen we tegen elkaar, moet daarvoor zorgen. Maar als de journalistiek niet uitkijkt, verzuipt ze met de massamedia – nu al zien we hoe lagere oplages en kijkcijfers doorwerken in budgetten en minder goede journalistiek. En als we niet opletten, informeert de burger zichzelf wel – want die burger kan het steeds beter zonder ons.

Dat is bewering één.

Ik zeg niet dat ik het leuk vind. Ik zeg slechts wat ik denk dat er zal gebeuren.

2.
Je kunt van massamedia veel zeggen, maar niet dat ze per se goed zijn voor een democratie. In geen andere periode in de geschiedenis dan de tweede helft van de twintigste eeuw waren de middelen om zoveel mensen simultaan te bereiken in handen van zo weinig “uitgevers”. Desondanks werden de media vrijer en onafhankelijker dan ooit – althans bij ons. Maar tegelijkertijd waren die massamedia meestal uiterst commercieel, topdown en elitair. De lezer, bedoel ik, had niets te vertellen.

We waren een democratie, maar de media waren allerminst gedemocratiseerd. Rond de millenniumwisseling is dat gaan schuiven. Na de ontzuiling en het Ik-Tijdperk bleek de netwerksamenleving te zijn ontstaan. Niet langer bleven mensen een leven lang trouw aan kerk, kroeg, vakbond, partij en geboortegrond. Ze gingen schakelen tussen netwerken, nu eens hier, dan weer daar. Het internet werd hun medium. Daarop organiseerden ze zich in kleine, steeds wisselende, losvaste groepjes. Ze waren de massa voorbij.

Niets wijst erop dat de teloorgang van massamedia binnenkort stopt. Dat de trend van versplintering niet zal doorzetten. Sommigen moesten aan dat inzicht wennen. Nog maar vijf jaar geleden dachten veel journalisten dat het wel goed zou komen.

“Ik geloof dat de kritische, goed geschreven en goed geïnformeerde krant ook in deze tijd een onmisbaar cultuurartikel blijft.” Zei Henk Hofland in 2001.

Maar de wereld is veranderd en Henk Hofland is niet voor niets de beste journalist van de vorige eeuw. Hofland onderschatte de gevolgen van de mediarevolutie, van commerciële televisie en gratis kranten, van teletekst en internet, van podcast, vodcast en godcast, van sms, cnn, msn, icq, mms en mmorpg’s – dat zijn, zoals u weet, van die in San Francisco gehoste spellen waarin uw zoon in het Engels samenwerkt met een Koreaantje aan de andere kant van de aardbol om de “eindbaas” te veroveren op twee Spaanstalige, twaalfjarige warriors in Latijns-Amerika.

De mediarevolutie gaat niet over techniek. Het is een culturele revolutie. Het gaat over gedrag. Jongeren – iedereen onder de 40 – gaan anders met media en met elkaar om. Ze zitten evenveel achter hun computer als achter de tv. Ze spreken elkaar op internet en schrijven elkaar via hun telefoon – mijn generatie doet dat anders. Daarbij willen ze alles meteen, nu, onmiddellijk. En dat allemaal tegelijkertijd.

De impact van de mediarevolutie moet vergeleken worden met die van de jaren zestig. Zie MSN als de vrije seks van de 21ste eeuw. En wie me niet gelooft moet toch eens meekijken over de schouder van zijn dochter.

Information overload?

Het is ons probleem, een probleem van veertigplussers, een probleem van journalisten, niet dat van hen. Zeker, de digitale kloof, the digital divide, bestaat. Maar het is geen kloof tussen arm en rijk, blank en zwart, eerste en derde wereld. Het is een kloof tussen jong en oud.

En het slechte nieuws is: het komt niet meer goed. Dit is waarom.

Oude media hebben lang gedacht dat jongeren wel bij zinnen zouden komen als ze zich zouden settlen met anderhalf gezin (anderhalf huis, anderhalf kind, anderhalve baan, anderhalve auto en op den duur ook anderhalve partner).

De wet van de navelpiercing zegt dat het anders gaat. Ik heb het zo genoemd naar een onderzoekje van een Amerikaanse hersenchirurg. Die zocht in zijn vrije tijd uit dat wie op zijn 23ste nog geen piercing heeft, daar in 98% van de gevallen niet meer aan begint. Wie op zijn 25ste nog geen sushi heeft geprobeerd, heeft een kans van 98% dat-ie dat nooit meer zal doen.

U voelt ‘m. Wie op zijn 25ste nog geen betaalde krant leest, begint daar vrijwel zeker niet meer aan. Een krant lezen is een vorm van sociaal gedrag. Je zegt ermee wie je bent. En dat vormt zich in een bevattelijke periode in je leven. Het is socialisatie en inprenting. Zoals je een puppy leert plassen tegen een boom.

Ook HJA Hofland ziet dat inmiddels in: “Wat iemand leert tussen zijn zesde en zijn twintigste jaar, wordt als vanzelf tot zijn tweede natuur, het systeem van gewoontes dat hem tot een weerbaar mens maakt. Dit betekent dat de gedrukte krant zijn beste tijd al een jaar of twintig geleden achter zich heeft gelaten.” Schreef hij laatst in De Journalist.

Het is niet de vraag of betaalde kranten, opinietijdschriften en de publieke omroep verdwijnen – het is de vraag wie als laatste verdwijnt. En ja, dat gaat nog jaren duren, want het grote wonder van kranten is dat ze als product een onwaarschijnlijk trouw publiek hebben dat nog jaren trouw zal blijven. Maar daarna zullen we iets anders moeten.

Dat is bewering twee. En ik zeg niet dat ik het leuk vind. Ik zeg slechts…

3.
In dat stuk laatst schreef Hofland dat we ons misschien minder druk moeten maken om de oude media, en meer om de journalistiek. Ik ben het daar van harte mee eens. Die journalistiek, mijn vak, moet zien te voorkomen dat ze wordt meegesleurd in het morele, financiële en conceptuele bankroet van de oude media.

Oude media zien betrouwbaarheid, onafhankelijkheid en distantie als hun grootste goed. Dat moeten ze vooral blijven doen – hun bestaande lezers verwachten het. Maar jongeren zijn ook iets anders gaan vragen. Ze leven volgens de regels van het weblog: het moet kort, het moet meteen, en als je niet mee mag praten is het niet leuk.

Ik beweer niet dat weblogs de journalistiek vervangen. Veruit de meeste blogs bevatten niet meer dan gezwatel en gezwets. Maar de journalistiek kan wel iets van ze leren. Dat moderne consumenten en nieuwe media vragen om een nieuwe journalistiek.

Die, schrijven Mark Deuze en ik in ons boek PopUp, moet transparant worden, interactief, creatief, flexibel, betrokken, accountable en authentiek. Om er maar zes te noemen.

Bij mijn krant, Dagblad van het Noorden, hebben we een jaar geleden de website gemodelleerd naar een weblog. We noemen dat model een Nieuwslog, een kruising tussen een krantensite en een blog. Dat betekent dat we het nieuws nu kort brengen, meteen als het gebeurt en niet pas als het ook in de krant staat, in de omgekeerde chronologische volgorde die je van blogs kent, en dat lezers overal op kunnen reageren.

Dat reageren doen lezers anoniem. Met een nickname dus. En wij modereren alleen achteraf. Oude media gruwen daarvan. En inderdaad: bij elke tiende reactie leidt dat tot gedoe, in elke veertigste reactie begint iemand onzin uit te kramen, en zoals u weet wordt in elke tachtigste reactie op internet de Tweede Wereldoorlog er met de haren bijgesleept.

Ook wij hebben last van trollen, querulanten en lastpakken. Toch gaan we door. Omdat we willen weten hoe het wel moet: een nieuwsmedium in een netwerksamenleving.

Eerst iets over het open forum. Waar de meeste andere algemene nieuwsmedia vooraf zijn gaan modereren toen ze doorkregen wat voor volk ze over de vloer hadden, wie hun lezers online waren, kiezen wij ervoor techniek in te zetten. Twee weken terug hebben we een volgende stap gezet met een reputatiesysteem. Daarin houden we bij wat bezoekers van de site van elkaars reacties vinden, hoe actief ze zijn, en of ze zich aan de spelregels houden. Dat – hun reputatie – is voor iedereen zichtbaar met sterren en stippen.

Ik heb het niet bedacht, maar afgekeken van sites die uit internet zelf zijn ontstaan. Denk aan eBay, waar iedereen elkaar in de gaten houdt en bedriegers zichtbaar zijn. Denk aan slashdot, een site over computers en internet die door duizenden nerds wordt volgeschreven. Dat werkt dankzij een reputatiesysteem. Wie goed doet, stijgt in de achting van anderen. Zijn karma, zeggen ze, neemt dan toe. Wie zich misdraagt, ziet zijn karma dalen.

Dat lezers bij Dagblad van het Noorden anoniem op de site kunnen reageren, vind ik vanzelfsprekend. In de krant zou je het nooit toestaan, en ook wij doen dat niet, maar online gelden andere mores. En geef internetters eens ongelijk. Anonimiteit werkt prima op internet. Bovendien: juist omdat er reputatiesystemen zijn, juist omdat alles wat je doet online wordt bijgehouden, wil je anoniem zijn. Die nickname is het bastion van hun laatste privacy.

Dat vinden we misschien niet leuk, maar we zullen er mee moeten leren leven.

Dat was bewering drie.

19 reacties

  1. Gijs Reulen schreef op 14 november 2006 om 12:04

    Goed geschreven. Jammer dat de kern van elke bewering nergens helder verwoord is. Maar als ik het goed begrijp:
    Journalistiek moet los komen van de massamedia wil het nog toekomst hebben. Massamedia is niet wat de burger idealiter wilde, maar het was beter dan wat hij had (vage verhalen via via). Inmiddels is de techniek zo ver dat er iets is wat hij wél wil: zijn eigen weg zoeken in de (informatie) maatschappij.

  2. Bas de Vries schreef op 14 november 2006 om 18:52

    Het is maar net hoe je het begrip massamedium definieert. Als ik even voor mijn eigen krant (Trouw) spreek: onze betaalde oplage is afgelopen vijf jaar gemiddeld stabiel gebleven en stijgt inmiddels alweer een tijdje, maar daarbij zijn er inmiddels maandelijks ruim 600.000 mensen die de krant via internet volgen, tot in Nieuw-Zeeland toe. Dat is heel wat massa…

  3. S (ja, anoniem natuurlijk, het blijft internet...) schreef op 15 november 2006 om 10:13

    Dit geeft een eerstejaars studente Journalistiek wel stof tot nadenken. Ik kan niet zeggen dat ik dit voor het eerst hoor, inmiddels kan ik het verhaal dromen. Maar hoeveel journalisten zijn er nog nodig over, pakweg, tien jaar? Waarschijnlijk niet zoveel als er nu van de School voor Journalistiek komen… Moeten wij kersverse studenten het dan maar als een uitdaging gaan zien: vind je weg in de nieuwe massamedia. Misschien moeten we de journalistiek wel opnieuw uit gaan vinden.
    U hoort nog van ons.
    Mvg

  4. Erg goed artikel. Zoals S al zegt, moet de journalistiek misschien maar opnieuw uitgevonden worden…

  5. Erik van Heeswijk schreef op 15 november 2006 om 16:12

    “Die zocht in zijn vrije tijd uit dat wie op zijn 23ste nog geen piercing heeft, daar in 98% van de gevallen niet meer aan begint.”

    Aanvullend: slecht nieuws voor luierfabrikanten. Van degenen die voor zijn tiende nog steeds geen luier heeft gedragen zal naar schatting 99% daar nooit meer aan beginnen.
    Ik ben het voor 50% met Henk Blanken eens, maar vind dat de argumenten die we (aan beide kanten) gebruiken om over de toekomst van de journalistiek te argumenteren niet altijd hout snijden. Het is niet gek: het wordt veel te weinig deugdelijk kwantitatief onderzoek gedaan. Teveel meningen, te weinig cijfers. Universiteiten, ga eens aan de slag.

    Eens: ik vind de discussie over tabloid ook een maskering van een gebrek aan echte innovatie, de journalistiek moet zichzelf zeker beraden op haar tot nu gemakkelijke positie (dat feest is zeker en misschien gelukkig over) en interactie met de lezer/abonnee/kijker wordt door journalisten voortdurend onderschat.

    Maar in drie aannames van Blanken kan ik niet helemaal mee en ik vrees dat ze nogal in het centrum liggen van wat hij wil beweren. Samengevat beweert hij dat als we niet uitkijken de professionele journalistiek zal verdwijnen, dat journalisten de crisis niet snappen en dat het nieuwe publiek heel anders is en niet zal lijden onder een informationoverload. Even in het kort:

    1. “TV-programma’s rekenen niet meer in een miljoenenpubliek, maar zijn blij met een paar honderdduizend kijkers. (…) Het is niet de vraag of betaalde kranten, opinietijdschriften en de publieke omroep verdwijnen – het is de vraag wie als laatste verdwijnt.”

    Blanken spreekt over versplintering en dat lijkt me ook de juiste term. Massamedia worden kleiner maar talrijker. Maar dat impliceert toch niet dat er geen gebruikers van professionele journalistiek meer zijn? Volgens mij is er nog nooit zoveel journalistiek geconsumeerd als vandaag de dag. En verdomd, ik zou wel eens willen weten of de jongeren van 20 jaar gelden wel zo veel meer kranten lezen als de Spits en Metrojongeren van vandaag de dag. De afzonderlijke titels hebben het soms moeilijk (hoewel lang niet allen!) maar dat zegt natuurlijk weinig over het geheel. Als iemand beweert dat de professionele journalistiek op z’n laatste benen loopt haak ik meestal af.
    De betaalde versie is een ander verhaal: het concept van direct betalen voor nieuws staat onder druk. Maar ik sluit niet uit dat er multimediale producten komen waar Nederland weer met een gerust hart voor betaalt. En als dat niet zo is, zal simpelweg de geldstroom een andere worden. Dat wordt dan voor de betaalde journalistiek een kwestie van sterven of innoveren. En daar maak ik me daar dan weer niet zo druk over, dat is de wet van de economie. We zijn niet de enige sector die zichzelf opnieuw moet afvragen waar ze mee bezig zijn. Dus: urgentie? Jazeker. Paniek. Nee. Ik ben ook nuchter genoeg om in te zien dat als het worst-kaas scenario in gaat en alle journalisten overbodig zijn geworden de wereld ook doordraait. Als het ons lot is uit te sterven word ik daar niet gefrustreerd van. Ik zie het alleen niet gebeuren.

    2. “Nog maar vijf jaar geleden dachten veel journalisten dat het wel goed zou komen.”

    De teneur van de waarschuwers is vaak dat de journalist het niet begrijpt en nog arrogant in zijn ivoren toren stukjes zit te tikken. Dat snap ik dan weer niet. Er zullen ongetwijfeld hier en daar nog journalisten te vinden zijn die zich de luxe van de arrogantie kunnen veroorloven. Maar evengoed, volgens mij kun je inmiddels je dagen vullen met het langslopen van bijeenkomsten over de ongewisse toekomst van de journalistiek. Ik weet uit ervaring dat de innovatie van met name de schrijvende pers bij de NVJ een topprioriteit is.

    3. ” Information overload? Het is ons probleem, een probleem van veertigplussers, een probleem van journalisten, niet dat van hen.”
    En daar begint mijn eerste frons bij het verhaal van Blanken. Hij kijkt kritisch naar het medialandschap van vandaag de dag – een nobel streven – maar vergeet in mijn ogen diezelfde houding toe te passen op de toekomst. Ik maak me veel zorgen om de toekomst van de journalistiek, maar ook over de journalistiekloze toekomst. Het is niet moeilijk te zien dat die zal bestaan uit een enorme berg gedifferentieerde informatie – van reclamefolders tot wetenschappelijke informatie tot persberichten – die veel vaker dan nu direct op de eindgebruiker zal worden afgeschoten. Dat journalisten steeds minder vaak als filter fungeren, is voor velen een zegen. Maar men vergeet de gevaren daarvan onder ogen te zien. Kijk maar eens naar je mailbox.
    Hoe is het mogelijk straks nog alle informatie op waarde te schatten? Hoe zorgen we ervoor dat mensen breed geïnformeerd blijven? Hoe voorkomen we dat commerciële bedrijven en pressiegroepen greep krijgen op het maatschappelijke debat over een willekeurig onderwerp? Hoe gaan we de enorme berg informatie te lijf?
    Dat de zogenaamde ‘multi-tasking’, ‘mega-informatieverwerkende’ niet-krantlezende jongeren moeiteloos met deze problematiek kunnen omgaan staat nog maar te bezien. De kloof gaat misschien wel bestaan uit mensen die kennis hebben genomen van meerdere argumenten en perspectieven en mensen die dat niet meer doen. Daarover lig ik meer wakker dan over de werkgelegenheid in de journalistiek.

  6. @Erik van Heeswijk:
    1. Mediagedrag, beweer ik, is een vorm van sociaal gedrag. Je bent wat je leest. Daarom is de vergelijking met andere vormen van sociaal gedrag (je bent wat je draagt qua piercing) relevant. Het vormt ons. Dat kun je van luiers moeilijk beweren.
    2. Als ik het over de neergang van kranten heb, heb ik het altijd over de huidige kranten, de betaalde-kwart-voor-zeven-op-de-mat zes dagen per week bulkkranten. Gratis is een ander verhaal. Andere vormen van kranten (online, anders bezorgd, een krant op maat) idem.
    3. Talloos zijn de bijeenkomsten waarin wij journalisten elkaar het einde aanzeggen, dat is waar, en het is mooi dat de NVJ zijn best doet ons tot innovatie te bewegen. Maar al te breed wordt, is mijn waarneming, die urgentie nog niet gevoeld. Zeker, de reus ontwaakt zachtjes uit zijn sluimer, maar misschien moesten we eens echt onderzoeken wat de professionele journalisten (en niet alleen dat clubje dat NVJ-avonden afloopt) zoal verwacht van de naaste toekomst.
    4. Mooi punt. Graag meer debat hierover. Telkens als ik beweer dat nieuwe generaties mediaconsumenten het – als we niet oppassen, als we ons werk niet beter gaan doen, als we geen betere verhalen gaan vertellen – best zonder ons kunnen doen, zijn er collega-journalisten die beweren dat dat schadelijk is voor de democratie en de samenleving. Mijn punt is telkens: dat vind ik ook, het zou doodzonde zijn, de samenleving is beter af met een journalistiek die wel wat te vertellen heeft, maar die verontwaardigde waarneming is niet voldoende om het tij te keren.

  7. Erik van Heeswijk schreef op 15 november 2006 om 17:02

    @Henk (en ik volg zijn puntjes)
    1. Uiteraard waren de luiers een grapje, maar wel een serieuze. Toegegeven, en ik weet dat het goed is mensen met je product groot te brengen, maar het ging me over de structuur van het argument. Vaak zie je bij argumentaties dat er een statistisch verband wordt blootgelegd, maar dat er ondertussen een verborgen derde reden schuil gaat.
    Bijvoorbeeld: hoeveel van die mensen die voor hun 25e nooit een krant hebben gelezen komen uit een milieu waarin krantenlezen überhaupt nauwelijks gebeurt? Wie zouden ‘we’ sowieso al missen? En hoeveel jongeren lazen vroeger de krant eigenlijk en is het zo schokkend meer? En welke invloed heeft het lezen van de gratis kranten op hun mediaconsumptie later datum? Als we heel eerlijk zijn: we weten er niet veel van. En dus lijkt het me gevaarlijk daar een verhaal op te funderen.

    2. Ah, ok. Maar dat maakt je verhaal al een stuk minder revolutionair vind je niet? Niet: de krantenjournalistiek is in gevaar. Maar de betaalde-krant-die-sochtends-betaald-op-de-deurmat-valt moet nadenken over andere vormen van verdienen en distributie. Dan haal zelfs ik je wat vrees voor de toekomst van de professionele journalistiek betreft nog in.

    3. Goed punt. Maar is toch volgens mij het besef dat het niet goed gaat en dat het anders moet best groot. Alleen wil – even heerlijk chargeren – bijna niemand zijn nek uitsteken en van z’n #$%$@ luie reet komen om er iets moois van te maken (in dat opzicht vind ik het zeer teleurstellend dat de NDP de NVJ plannen afwijst om innovatiegelden – en alleen strikte innovatiegelden – richten de dagbladen te sturen. Maar misschien rekent men op de creativiteit van de doodsnood.). Dat conservatisme mag je journalisten én uitgevers verwijten.

    4. Ik wil al jaren het cliché “waakhond van de democratie” niet meer in de mond nemen. En ik ben best een toekomstoptimist. Maar ik vermoed dat we de komende problemen van de informatiemaatschappij ook onderschatten en daardoor de komende generatie met teveel shit opzadelen. Ik zal eens in de pen klimmen.

  8. @ Henk: Kun je eens uitleggen waarom dit: “dat dat schadelijk is voor de democratie en de samenleving” en “dat vind ik ook” zo is?
    En vooral: waarom de kwaliteit van de democratie (en de samenleving) ook maar iets te maken heeft met de verschijningsvorm en -frequentie van de inhoud van media? Wat kunnen kranten wat televisie en radio en vooral niet te vergeten internet niet kunnen?

  9. @Erik: We zijn het, zoals gebruikelijk, meer eens dan oneens, maar zoeken liever naar de verschillen dan de overeenkomsten, hetgeen het debat bevordert. Puntsgewijs:
    1. We weten echt meer dan we weten. Ik verwijs slechts naar de twee strekkende meter onderzoek van mediagedrag die ik de afgelopen vijftien jaar heb verzameld, van SCP via TBO tot aan HOI en terug langs talloos veel marktonderzoekers met een bijzondere belangstelling voor de jeugd (want wie de jeugd heeft…), tot aan mijn eigen onderzoek, vorig jaar gedaan onder duizend Nederlanders van 25 tot 35. Uit al dat onderzoek kun je veilig concluderen dat nieuwe generaties consumenten nu even vanzelfsprekend geen betaalde krant meer lezen als ze dat twintig jaar geleden wel deden. Dat is geen absolute waarheid, maar een waarheid van 80%, veel meer waar dan niet waar. Over de oorzaken valt heel veel te zeggen. Jij noemt er een paar. Aan de uitkomst doet dat niets meer af. Ze lezen geen kranten (met uitzondering van gratis kranten).
    2. Ik noem in mijn verhaal niet voor niets ook de publieke omroep en de opinietijdschriften. De krantenjournalistiek laat ik samenvallen met “de oude journalistiek” omdat die volgens mij dominant is in Nederland, de norm zet, de maat bepaalt van wat wij journalisten moeten doen. Het is een mythe over ons vak die we aan elkaar doorvertellen en die we in stand houden (waaronder het fabeltje dat de krant een paper of record moet zijn, al het laatste nieuws kan brengen, neutraal moet zijn, etc). Natuurlijk maak ik een onderscheid met gratis kranten als Metro en nieuwe tv-rubrieken als RTL Boulevard (dat ik overigens soms onwaarschijnlijk goed vind). Die nieuwe media worden minder bedreigd dan de oude, al zal uiteraard bij de gratis kranten het gevecht pas op gang komen als er meer dan twee aanbieders zijn en de slag op kwaliteit geleverd moet worden. Ik bedoel maar: ik nuanceer mijn boutade een beetje, maar ook niet meer dan een beetje.
    3. En dat doe ik ook. Totdat het niet meer hoeft.
    @ Jan Dijkgraaf: Dat een democratie functioneert dankzij een geinformeerde burger weten we, een open deur nietwaar. Ik sluit niet uit dat nieuwe media ook in staat zijn de burger goed te informeren, ik kan me ook voorstellen dat die burger daar helemaal geen massamedia voor nodig heeft. Maar ik ben er niet gerust op. De oude media waren daar, laten we wel wezen, zo tegen het eind van de vorige eeuw heel erg goed in geworden. Ze boden voortreffelijke journalistiek. Dat daar steeds minder vraag naar is, naar die vorm van journalistiek via die media, is ondertussen ook waar. Er gaat met andere woorden iets verloren, terwijl ik nog niet weet of wat er voor in de plaats komt net zo goed zal zijn (zo’n technodromer ben ik nu ook weer niet). En overigens hebben massamedia een kwaliteit die ik niet terugzie in nieuwe media: dat wat wel synchroniteit wordt genoemd, het verschijnsel dat heel veel mensen op dezelfde wijze tegelijkertijd ergens van horen. Dat doet iets met een samenleving, het bindt samen. Ik kan me voorstellen dat peer-to-peer media en informatieclans (kleine groepen wisselende mediagebruikers rond een topic) ook zo’n effect hebben, maar blijf nog even sceptisch.

  10. Annet schreef op 16 november 2006 om 11:25

    @Henk
    Met synchroniteit bedoel je synchroniciteit, gelijktijdigheid zonder causaal verband. De vorm van media heeft niets met synchroniciteit te maken. Media zijn slechts getuigen van dit principe. En nieuwe media maakt het mogelijk dat “wij” gevoel wat eruit voortkomt sneller voelbaar te maken, in mijn optiek. Door het labelen van informatie en koppelingen te maken.
    Er gaat niets “verloren”, al het oude wordt verpakt in “nieuw” maar blijft als oud in nieuw nog even efficient en doeltreffend.

  11. Newsy schreef op 16 november 2006 om 11:56

    Uit al die onderzoeken blijkt ook:
    - de tijd die mensen aan media besteden blijft gelijk,
    - het geld dat daaraan besteed wordt ook,
    alleen de samenstelling van de mediamix verandert.

    Kortom, uitgevers/journalisten zullen een nieuwe mediamix moeten aanbieden, waardoor mensen bereid zijn er tijd èn geld aan te besteden. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, en daarom ben ik benieuwd wat bijvoorbeeld het Dagblad van het Noorden doet om daar op in te spelen. Ik bedoel: je website openstellen voor bloggers is één ding en datingsites e.d. opkopen om aanvullende opbrengsten te genereren (zoals de Telegraaf doet) een ander, maar is er bijvoorbeeld weleens overwogen om nieuws op artikelniveau aan te bieden, zodat de lezer een digitale krant op maat kan samenstellen (gefilterd op basis van eigen voorkeuren en die van anderen)? En dat voor een vast (laag) bedrag per maand? Als meer uitgevers dat zouden doen, dan kan de lezer veel meer nieuws/informatie waar hij/zij echt behoefte aan heeft tot zich nemen, en dan toch niet meer geld per maand kwijt zijn dan nu aan een krantenabonnement. En als meer lezers dat zouden doen, dan blijven de inkomsten van uitgevers ook op peil. Kortom: boor die lange staart van potentiële lezers aan.

  12. Erik van Heeswijk schreef op 16 november 2006 om 14:53

    “het verschijnsel dat heel veel mensen op dezelfde wijze tegelijkertijd ergens van horen.”
    Volgens mij is het een heel belangrijk punt dat je daar maakt, Henk. Over dat soort processen, dat onze maatschappij ook bijeengehouden wordt door het simpele feit dat we vaak met dezelfde informatie bezig zijn (Het journaal, Kooten en de Bie), daar denken we veel te weinig over na.
    Zie ook mijn korte column ‘de versnipperde mens’ http://www.sargasso.nl/archief/2005/12/06/de-versnipperde-mens/

    Verder: in die twee meter onderzoek naar mediagedrag, kun je voor een nieuw artikel in DNR even uitzoeken hoeveel jongeren en kinderen vroeger (10/20/30 jaar geleden) de krant lazen? En dat vergelijken met vandaag? Ik ben oprecht nieuwsgierig…

  13. @Annet: auw, je hebt gelijk, qua tikfout. Verder begrijp ik niet zo goed wat je bedoelt, met je waarneming dat nieuwe media dat wijgevoel sneller voelbaar maakt. Heb je voorbeelden, meer uitleg?
    @Erik: oef, die cijfers zijn er wel, maar paraat heb ik ze niet zo snel. Zal eens zien wat ik kan vinden.

  14. @Erik: de “versnipperde mens”… nieuwe media, ICT enz. heeft inderdaad een tegenstrijdige impact op ons allen: het brengt ons bijelkaar (sociaal-netwerk onderzoeker Barry Wellman spreekt dan van een samenleving die draait op basis van “networked individualism“; een andere term die veel gebruikt wordt is de ontwikkeling van “communicational bonds” – sociale verbanden tussen mensen op basis van onderlinge communicatie die vooral via media verloopt ipv dat deze afhankelijk is van tijd of plaats (ofwel: eerder IM-en met een vriendin in Zuid-Korea dan bij de buurvrouw op de koffie).

    Tegelijkertijd trekken nieuwe media ons uitelkaar: we besteden meer tijd met/aan media dan welke andere menselijke activiteit (inclusief slapen) dan ook. Al die media zijn in hoog tempo aan het personaliseren – de trend die ook wel “egocasting” (door Christine Rosen) genoemd is. We trekken ons terug in ons eigen, hyperindividualistische digitale media universum waarin we weliswaar niet lijden aan information overload, maar waarbij we ook steeds moeilijker aan anderen kunnen uitleggen hoe we eigenlijk in de wereld staan.

    Versnipperd, inderdaad. Genetwerkt, dat ook.

    Los van dit alles even snel een reactie op je oproep:

    “Het is niet gek: het wordt veel te weinig deugdelijk kwantitatief onderzoek gedaan. Teveel meningen, te weinig cijfers. Universiteiten, ga eens aan de slag.”

    Da’s een mooie uitdaging. Die wil ik oppikken met een aantal doctorale studenten van het Leidse programma in Journalistiek en Nieuwe Media: wat zou jouw ideale onderzoeksvraag precies zijn?

  15. Erik van Heeswijk schreef op 16 november 2006 om 20:08

    Leidse programma in Journalistiek en Nieuwe Media: wat zou jouw ideale onderzoeksvraag precies zijn?
    Mark, je weet me vast te vinden…

  16. http://radar.oreilly.com/archives/2006/11/harnessing_coll.html
    hier een artikel over collectieve intelligentie en de kracht van communities (web 2.0), de auteur gebruikt wikipedia als voorbeeld.

    Erik het heeft over onafhankelijkheid van tijd en plaats die nieuwe media ons bieden (ook interessant hierin is het begrip Bruce Sterling’s spime (samenvoeging space en time, google maar even), waarbij fysieke aanwezigheid ondergeschikt is aan de ervaring in het momentum. Connectie is hierin gelijk aan synchroniciteit.

  17. @Annet: het grote probleem van het collectieve intelligentie argument – in een uitgewerkte variant in 1994 gepubliceerd door ‘cyberfilosoof’ Pierre Levy – is dat het gebaseerd is op de aanname, dat de infrastructuur van internet (open netwerken, platte hierarchie, open bron protocollen) zich min of meer automatisch door laat vertalen naar het gedrag en de waarden/normen van de mensen die zich online begeven. Hoewel dat gedeeltelijk klopt, valt toch niet te ontkennen dat de laatste jaren grote delen van internet overgenomen zijn door multinationale telecombedrijven die maar op 1 ding uit zijn: “net neutrality” zo snel mogelijk afschaffen zodat met ‘toegang’ meer geld kan worden verdiend.

    Een tweede probleem – specifiek relevant voor DNR – is het gegeven dat samenwerking, dialoog en uitwisseling als cultuurgoed haaks staat op de professionele identiteit en werkwijze van de journalistiek (inclusief de wetgeving die het werk van journalisten beschermd, zoals shield laws en copyrights).

    Tot slot moeten we niet vergeten dat de meest aktieve gebruikersbevolking online een uiterst selectieve populatie is van (meest witte, westerse) mannetjes (ikzelf en verreweg de meeste DNR-posters incluis), die het in de wereldpolitiek en -economie (en journalistiek) al VEEL te lang voor het zeggen hebben…

    Op journalistiek gebied pleit ik uit idealisme ook voor Collectieve Intelligentie (naast Expert Intelligentie), maar ik vrees dat die vlieger niet of nauwelijks op gaat.

  18. Erik van Heeswijk schreef op 17 november 2006 om 15:10

    “samenwerking, dialoog en uitwisseling als cultuurgoed haaks staat op de professionele identiteit en werkwijze van de journalistiek”

    Niet persé Mark en in veel gevallen helemaal niet. Maar ik geef je na dat copyrights (met name economische hergebruikrechten) een te belangrijk aspect van he journalistiek zijn gaan uitmaken. Maar ik vrees dat ik als journalist een minderheidsstandpunt verdedig. Maar dat is een geheel andere kwestie.

  19. Annet schreef op 17 november 2006 om 16:00

    @Mark
    Op welke wijze zou die vlieger wel op gaan? Hoe ziet het informatielandschap eruit als skills er niet meer of steeds minder toe doen? Wijdser, gekleurder, intenser? Wat is het gevaar de identiteit (professioneel/civiel) te verliezen en in de flow van (snelle) ontwikkelingen mee te gaan?

    Ik heb je direct gebookmarked, jouw deuzeblog is precies wat ik op dit moment nodig heb, qua resource, verrassend! Mijn complimenten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>