Peiling 2006 (slot): hoeveel journalisten blijven er over?

De afgelopen weken vroeg De Nieuwe Reporter 27 experts naar hun visie op de ontwikkelingen in het nieuwe medialandschap. Aan de hand van zeven stellingen die we de experts voorlegden bekijken we die in evenzoveel afleveringen. Vandaag het zevende en laatste deel.
Stelling 7
“Uiteindelijk zullen maar 20 procent van de huidige 13 à 14 duizend journalisten in Nederland overblijven.”
Paul Molenaar (CEO van Ilse Media en COO Online en Media Innovatie bij uitgever Sanoma, moederbedrijf van Ilse)
Ook op werkgelegenheidsgebied duikt het dilemma ‘houden wat je hebt’ of ‘ten aanval’ op. Media en vakbonden worden er nogal eens van verdacht “rust in de tent” of behoud van arbeidsplaatsen te verkiezen boven innovatie. Is de angst ongegrond of gaan er nog veel hardere klappen vallen?
Aan Molenaars extreme doemvoorspelling hecht vrijwel niemand geloof. Slechts Jan Dijkgraaf valt Molenaar ronduit bij: “Ze gaan niet dood, maar ze gaan wel ander werk doen dan op dit moment. De kaalslag is mijns inziens nog maar net begonnen en alleen voor absolute experts of absolute generalisten (en vooral de eerste groep) is straks nog betaald werk.”
Verder zijn Königel (Sargasso) en Van der Zande (Bright) het deels met Molenaar eens.
Achttien van de 27 experts verwerpen de stelling, sommigen in optimistische termen. Brouwers: “Het is juist omgekeerd! Er zullen voorlopig alleen maar meer journalisten komen. Er komen nog volop nieuwe kranten, sites, zenders en programma´s. Ja, er zullen nog veel ontslagen vallen, maar voor de beroepsgroep zelf zal er zeker niet minder werk zijn. Tenminste, voor die mensen die bereid zijn enige lenigheid van geest te betrachten.”
Bruning: “Elke dag weer zie je journalistiek werk uitgevonden worden. Meer dan ooit is er behoefte aan de kernkwaliteiten die alleen journalisten kunnen bieden: in onafhankelijkheid snel en op aantrekkelijke wijze nieuws en informatie opsporen, selecteren, samenvatten, analyseren en duiden.”
De meesten denken dat de redding van de werkgelegenheid op het internet ligt.
Briel: “Met de groei van het aantal tijdschriften en online titels zal het aantal journalisten alleen maar toenemen.”
Van Ess: “Ik zie de toekomst zonnig in voor journalisten die hun weg weten te vinden op het web.”
Mirck: “Molenaar vergeet dat al die (ugc-)nieuwsblogs ook beheerd moeten worden. Dat gaat gebeuren door mensen met een journalistieke achtergrond. Natuurlijk gaan er banen verdwijnen door internet en user-generated content, maar minder dan Molenaar vermoedt.”
Van Vree: “In essentie blijven veel redactionele functies bestaan, zowel bij de nieuwsorganisaties als bij achtergrondbladen, tijdschriften e.d. (papier én digitaal). Bijvoorbeeld: werden veel kranten 100 jaar geleden nog gevuld met nieuws dat door redacteuren uit andere kranten werd geknipt, vandaag de dag wordt een substantieel deel van de journalistiek gevormd door ‘content management’ in de letterlijke zin, een functie waaraan de behoefte met de exponentiële groei van het internet eerder zal toe- dan afnemen.”
Toch schuilen er adders onder het gras. Molenaar, baas van ’s lands grootste internetuitgeverij, uit zich polemisch maar baseert zijn uitspraak niet op niets; zijn twijfel betreft met name de onafhankelijke, commercieel minder interessante general interest journalistiek (Molenaar vindt dat de overheid op dit terrein financieel moet bijspringen, TvS); een twijfel die de uitkomsten van deze peiling, hoe fragmentarisch ook, niet weerspreken:
- de nieuwe televisieplatforms vergen forse investeringen maar bieden nog geen zicht op rendabel journalistiek gebruik (het feit dat RTL nog steeds geld toelegt op haar nieuwsafdeling, bewijst ook hoe moeilijk dat is)
- er bestaat onder de gepeilden weinig fiducie in de levensvatbaarheid van door lezers betaalde webcontent (Henk van Ess: “Er is op 2 miljoen Nederlandse websites altijd wel iemand te vinden die meer weet dan de journalist. De meerwaarde van betaalde informatie neemt af door het web”)
- als het publiek straks – zoals deze peiling suggereert – alleen in het weekend betaalde kranten leest, raakt de doordeweekse journalistiek volledig aangewezen op advertentiegeld; hoeveel rek zit er eigenlijk in de advertentiemarkt (waaraan ook een snel uitdijend aantal weblogs en televisie- en radiokanalen geld wil onttrekken)?
Henk Blanken verdisconteert dit alles in zijn voorspelling. Hij verwacht verliezen maar denkt dat die door de groei in reclamebestedingen zullen worden afgedempt: “De werkgelegenheid zal afnemen omdat het geld er niet meer zal zijn om nog 14.000 journalisten te betalen. Maar 20% is wel erg weinig, gegeven het vermoeden dat de reclamebestedingen nog verder zullen toenemen. Daaruit valt ook bij gratis media een fatsoenlijke redactie op de been te houden. De wal keert het schip: er zal behoefte ontstaan aan een nieuwe journalistiek die wel waarde toevoegt en dus van waarde blijft.”
Zou het inderdaad die kant uit gaan, dan resteren de volgende vragen:
- blijft de journalistiek in staat om ook voor adverteerders minder interessante groepen met goede informatie te bedienen? (zo niet, wat betekent dat voor de werkgelegenheid?)
- blijft ze in staat ook voor adverteerders minder interessante of bedreigende genres (buitenland, minder-populaire cultuur, onthullingen, kritische consumenteninformatie, etc.) te beoefenen? (zo niet, wat betekent dat voor de werkgelegenheid?)
- hoe behoudt of ontwikkelt ze formules die niet bij de eerste conjuncturele tegenwind en daaruit resulterende advertentieverliezen omvallen of schade oplopen?
De kans bestaat dat de journalistiek – en dus ook de werkgelegenheid daarbinnen – van karakter en beloningsstructuur zal veranderen. Dick van Eijk: “Ik denk dat er de komende decennia voldoende werk is voor een dergelijk aantal journalisten in Nederland, maar of je hun werk dan ‘journalistiek’ zou noemen is een andere kwestie.”
En Paul Aelen heeft zo zijn eigen visioen: “Het worden 1.000.000 journalisten, ze verdienen niet allemaal 50k en werken niet allemaal fulltime.”
De afgelopen dagen presenteerden en analyseerden we de antwoorden op verschillende stellingen. De volledige antwoorden die de experts gaven, zijn terug te lezen via onderstaande links:
- Paul Aelen
- Jan Benjamin
- Jeroen van Bergeijk
- Henri Beunders
- Henk Blanken
- Geert-Jan Bogaerts
- Mark Deuze
- Robert Briel
- Bart Brouwers
- Thomas Bruning
- Arjan Dasselaar
- Jose van Dijck
- Jan Dijkgraaf
- Joost Divendal
- Dick van Eijk
- Henk van Ess
- Frits van Exter
- Erik van Heeswijk
- Carl Königel
- Carel Kuyl
- Jeroen Mirck
- Harm Taselaar
- Job Twisk
- Arthur Vierboom
- Frank van Vree
- Leon de Wolff
- Erwin van der Zande









1 reactie:
8 december, 2006
Dank voor deze aardige peiling DNR. boeiend om gezamenlijk koffiedik te kijken. Toch heb ik om die reden geen commentaar bij mijn antwoorden gegeven: ik reageer liever op vragen dan op stellingen. Bij deze dus een reactie op de vragen die jullie in je analyse stellen:
- blijft de journalistiek in staat om ook voor adverteerders minder interessante groepen met goede informatie te bedienen? (zo niet, wat betekent dat voor de werkgelegenheid?)
Pardon? Dat heeft de ‘mainstream’ journalistiek nooit gedaan. De hele treurige geschiedenis van de journalistiek in de multiculturele samenleving is samen te vatten als: mensen die de krant toch niet kopen hoeven we niet te bedienen. Het maakt me niets uit of dit redactioneel beleid was, of door de marketingafdeling bedongen was, of aan individuele journalisten op te hangen was – maar dat was (en is) de praktijk van journalistiek Nederland. Nu een steeds grotere ‘nieuwe autochtone’ middenklasse zich samen met andere nauwelijks bediende doelgroepen (vrouwen en jongeren) afkeert van het klassieke journalistieke produkt, moet dan maar eens de kogel door de kerk: de journalistiek DIENT het publiek (cq: de markt), niet andersom. Zolang journalisten dat niet doen versterft het vak (i.e. zombie-journalistiek) en verdwijnen banen in de richting van doelgroepmedia.
- blijft ze in staat ook voor adverteerders minder interessante of bedreigende genres (buitenland, minder-populaire cultuur, onthullingen, kritische consumenteninformatie, etc.) te beoefenen? (zo niet, wat betekent dat voor de werkgelegenheid?)
Minder interessant voor Coca Cola en AH wellicht (alhoewel: de trend in multinationaal bedrijfspolitiek is “goodwill” kweken, goede dingen doen, reputatiemanagement. daarbij hoort ook de associatie met goede doelen, kritiek op achterstand, steun aan opkomend talent. slimme marketers en goede journalisten kunnen samen prima zaken doen. Maar vreemd genoeg is ook deze suggestie een kogel door de kerk van de “ik trek me niets van de commercie aan” beroepsideologie.
- hoe behoudt of ontwikkelt ze formules die niet bij de eerste conjuncturele tegenwind en daaruit resulterende advertentieverliezen omvallen of schade oplopen?
Even wakker worden: de bedrijfsmatige tijdsgeest is flexibel kapitalisme – het met alle winden meewaaien en razendsnel inspelen op de laatste trend is tot religie verheven. Dat mag je lamentabel vinden, maar het is de realiteit. Dat hoeft niet slecht te zijn – tenslotte doen journalisten niets anders (dat is toch de definitie van ‘nieuws’ of de ’scoop’, nietwaar). Sterker nog, meegaan met conjuncturele stromingen trekt juist adverteerders aan ipv ze weg te jagen.
De analyse van DNR blinkt uit – met alle respect – in een starre afwijzing ofwel gebrekkig begrip van het bedrijfsmatige karakter van media werk. Ik wil heus niet beweren dat de markt en de commercie geen bedreiging voor goede journalistiek zijn – soms wel, maar soms ook niet. Zoals Jose van Dijck terecht academisch opmerkt: weg met dat of-of denken, we leven in de 21ste eeuw, en-en denken is de enige oplossing als we journalistieke werkgelegenheid voor de volgende lichting afstuderenden van de talloze journalistenopleidingen in Nederland willen garanderen.