Oplagecijfers – goed nieuws of gegoochel?

De laatste oplagecijfers van de dagbladen leidden tot voorzichtig positieve berichten in de pers. Her en der zou er weer sprake zijn van een minieme groei. Tel daar nog eens de komst van nrc.next bij en er lijkt zowaar licht aan het einde van de tunnel te gloren. Maar zijn die positieve geluiden terecht? Piet Bakker legde de loep op de cijfers van Het Oplage Instituut (HOI) en komt tot een totaal andere conclusie: Nederlanders zijn steeds minder bereid euro’s op de toonbank te leggen voor een krant. En het aantal gratis weggegeven dagbladen is in zes jaar meer dan verdubbeld.

Elke eerste maandag van het kwartaal worden nieuwe oplagecijfers van de dagbladen bekendgemaakt door oplage-instituut HOI. Het is wel nieuws, maar geen nieuws waar krantenredacties doorgaans reikhalzend naar uitzien. Sinds het eind van de jaren negentig – niet toevallig samenvallend met de introductie van internet – dalen de oplages van vrijwel alle Nederlandse dagbladen gestaag. In 1999 ging het nog om een betaalde oplage van 4.2 miljoen, in 2005 is dat al teruggelopen tot 3.6 miljoen, zo’n vijftien procent minder dus.

Ook de cijfers van het laatst bekendgemaakte kwartaal (Q3 van 2005) vertonen dat beeld. Maar veel media kunnen nog wel een lichtpuntje ontdekken in de HOI-getallen. Zo schreef de Volkskrant dat de oplage van de PCM-kranten toenam met 6,8 procent, maar dat die groei wel ‘vrijwel geheel’ op het conto van nrc.next kon worden geschreven. Dat werd bevestigd door Trouw die over de eigen oplage wist te melden dat de ‘stijgende trend’ zich doorzette.
Over De Telegraaf schreef Trouw dat de oplage daalde vergeleken met het derde kwartaal van 2005, maar dat er op kwartaalbasis sprake was van de tweede stijging op rij. Ook bij Het Parool was men tevreden:“Parool grootste in A’dam”. MediaFacts zag een stijging bij Het Financieele Dagblad, Trouw en Het Parool. Wegener publiceerde een persbericht waarin topman Houwert stelt dat de “laatste zes maanden van 2006 duidelijk beter zijn verlopen”. Vooral de overgang naar tabloid bij het Eindhovens Dagblad stemde tot tevredenheid, waardoor ook bij alle andere titels herstel wordt verwacht. TC Tubantia vatte het als volgt samen “Tabloid-uitgave en webabonnement keert tij voor krantenbedrijf”.

Wat is er aan de hand? Gaan de oplagen nu omhoog of omlaag? Wie wint, wie verliest en zijn het tijdelijke tegenvallers of incidentele meevallers? Gloort er licht aan de horizon door de tabloid en wordt het tij gekeerd door nrc.next? Op grond van de berichten die kranten over zichzelf publiceren is er eigenlijk weinig chocola van te maken. Maar het is ook lastig om over jezelf te schrijven. Bovendien lijken de meeste redacties genoegen te nemen met de persberichten van HOI, PCM en Wegener en hebben de scribenten niet de moeite genomen zelf de HOI database te raadplegen.

Wie dat wel doet, begrijpt na enig puzzelen hoe er van deze cijfers positief nieuws gemaakt wordt. Het HOI rapporteert namelijk twee soorten cijfers: de betaalde oplage (abonnementen en losse verkoop) en de verspreide oplage (betaalde oplage plus exemplaren voor personeel, relaties, adverteerders, marketing-acties etc.). En het verschil tussen die twee categorieën wordt steeds groter. In 2000 werd vier procent van de totaal verspreide oplage gratis weggegeven, in het 3e kwartaal van 2005 was dat zes procent en in het 3e kwartaal van 2006 al tien procent. Nu is die verspreide oplage geen onzin. Personeelsleden, adverteerders en mensen die een krant op straat uitgedeeld krijgen lezen dat dagblad echt wel en om bijvoorbeeld betaalde met gratis kranten te vergelijken is het ook handig. Maar wanneer we willen weten hoeveel Nederlanders bereid zijn voor een krant te betalen en hoe dit gedrag zich in de tijd ontwikkelt, is het zinvoller om naar de betaalde oplage te kijken.

Veel berichten over de laatste kwartaalcijfers zijn op de verspreide oplage gebaseerd. Zo kan van slecht nieuws goed nieuws gemaakt worden. Eerst maar eens de ‘winnaars’ bekeken. Bij de grote winnaar nrc.next noteren we een opmerkelijk verschil tussen de verspreide en de betaalde oplage. Van de 65.000 verspreide exemplaren werden er 43.000 (67%) verkocht. Dat is natuurlijk nog steeds goed nieuws, vooral omdat meer mensen (36.000) bereid zijn de volle prijs te betalen. Ook Het Parool zou ‘licht’ hebben gewonnen. Dat klopt, in het derde kwartaal van 2005 werden er 86.594 exemplaren verspreid, in het derde kwartaal van 2006 waren dat er 228 meer. De betaalde oplage daalde echter met meer dan vijfduizend exemplaren (min zeven procent). En van Trouw, de derde tabloid, werden inderdaad achthonderd extra exemplaren verspreid in het derde kwartaal van 2006. De betaalde oplage liep in dezelfde periode terug met bijna drieduizend exemplaren (min drie procent). Dat het goed gaat met de nieuwe Eindhovense tabloid zal wel kloppen en dat heeft de krant ook nodig aangezien men zo’n zeven procent van de betaalde oplage kwijtraakte in het derde kwartaal van 2006. Bij Het Financieele Dagblad stegen overigens zowel de verspreide als de betaalde oplage. Maar daarmee is deze krant, samen met de Barneveldse Krant, de enige die zijn betaalde oplage ziet stijgen.

Hoe zit het met de 6.8% winst van PCM? Het wordt eentonig, inderdaad: door uit te gaan van de verspreide oplage. Maar dat niet alleen, PCM komt alleen aan winst door het Algemeen Dagblad niet mee te tellen. PCM is weliswaar voor 63% eigenaar van het AD maar beschouwt het als zelfstandig (dat wordt nog lastig als de jaarrekening opgemaakt wordt). Als het AD wel wordt meegerekend en naar de betaalde oplage wordt gekeken, verliest PCM acht procent in één jaar. Het AD zelf is voor een groot deel verantwoordelijk voor dit verlies, de betaalde oplage van de nieuwe fusiekrant is binnen een jaar met bijna negentigduizend geduikeld. Maar ook NRC en de Volkskrant delen in de malaise, samen zijn ze met veertigduizend teruggegaan, net zoveel als De Telegraaf.

Laten we onszelf niet voor de gek houden. Nederlanders zijn steeds minder bereid voor een krant te betalen en de terugloop in de betaalde oplage lijkt zich alleen maar te verhevigen. Het is de vraag of het weggeven van steeds meer gratis exemplaren en het goochelen met cijfers een oplossing voor dit probleem is.

De Nieuwe Reporter nodigde PCM Uitgevers, Telegraaf Media Groep en Wegener uit te reageren op de bevindingen van Piet Bakker. Hieronder de reacties.

Harry de Wit – directeur HDC Media:

De constatering dat er sprake is van een zorgelijke ontwikkeling bevestigen wij, ondanks de beperkte negatieve ontwikkeling van de regionale dagbladen van HDC Media.
Als uitgeverij sturen wij onze dagbladen op het aantal abonnees en de losse verkoop, als HDC Media focussen wij met name op de ontwikkeling van de abonnementen. Als wij naar die ontwikkeling kijken kunnen wij voor de regionale dagbladen van HDC Media zeggen dat er in 2006 een daling in betaalde abonnementen van slechts 0,5 procent heeft plaatsgevonden in een jaar waarin steeds meer gratis informatie tot de mensen is gekomen. Aangezien het consumentenvertrouwen nog niet optimaal is, is het een bijzondere prestatie dat deze negatieve ontwikkeling tot slechts 0,5 procent beperkt is gebleven.”

Ted Trimbach – commercieel directeur De Telegraaf:

Inhoudelijk gezien wil ik opmerken dat de oplagecijfers van 2006 op het niveau van betaalde kernoplage niet meer vergeleken kunnen en mogen worden met die van 2005 en eerder. Dat is geen opmerking van mij, het is het HOI dat daarvoor waarschuwt op haar site. HOI geeft aan dat vergelijkingen alleen op het niveau van totaal verspreide oplage zijn te maken. De oorzaak van een en ander ligt in een definitiewijziging die per kwartaal 1 van 2006 is ingevoerd.
De manier waarop in het artikel wordt geoordeeld over oplageontwikkelingen kan genuanceerder. Zo heeft De Telegraaf sinds de invoering van het Weekeinde-abonnement
een heldere plus gehaald in het totaal aantal betalende abonnementshuishoudens. Dat vertaalt zich niet – of beter, niet helemaal – in de HOI-cijfers omdat die weekeinde-abonnementen maar voor eenzesde worden meegerekend in de reguliere cijfers (en voor eenzesde in de cijfers over zondag).
Tevens is het zo dat dagbladen zich meer en meer ontwikkelingen tot multimediale bedrijven met zowel print- als onlinebereik. Dus niet alleen HOI-print oplagecijfers zijn van belang bij de beoordeling van de ontwikkeling bij de dagbladen, maar ook de online bereikscijfers. Die twee geven samen een veel genuanceerder beeld van de ontwikkeling van een dagblad in de consumentenmarkt.

Pieter Kuijt, hoofd in-en externe communicatie PCM Uitgevers:

De analyse van Piet Bakker onderschijven we op hoofdlijnen. Een paar kanttekeningen c.q. aanvullingen:
- De verspreide oplage geeft wel een veel beter inzicht in het bereik (en dat is ook voor adverteerders relevant) van de papieren krant;
- De fysieke krant is (en dat bewijzen de gratis kranten) nog steeds een geliefde informatiebron, ondanks internet, mobiel en rtv, ondanks voorspellingen van haar ondergang.
- Het aantal betalende klanten van PCM is de afgelopen jaren dankzij de flexibele abonnenmentsvormen (weekend- en webabonnementen) stevig gegroeid. Natuurlijk verdienen we per saldo minder aan deze abonnementsvormen, maar het is een goed teken.
Dat laat onverlet dat uitgevers van kwaliteitskranten voor de uitdaging staan om naast de vaste abonnementen en advertenties – massa-adverteren zal waarschijnlijk ook verder gaan afnemen – nieuwe inkomstenbronnen aan te boren.

Dagbladuitgever Wegener reageerde niet op onze uitnodiging.

Volgende week volgt een tweede artikel van de hand van Piet Bakker over de oplagecijfers van de dagbladen.

8 reacties

  1. Het probleem van de oplagecijfers zit ‘m niet in die cijfers, maar in de manier waarop we die lezen, ongeveer zoals we een horoscoop doornemen: we lezen wat we willen lezen. Oplagecijfers van HOI en voorheen Cebuco laten alle ruimte voor interpretatie; je zou bijna denken dat dat opzettelijk gebeurt. Maar wij zijn het die er, net als aan een horoscoop, meer hoop aan ontlenen dat waarschijnlijk gerechtvaardigd is.

  2. Hmm, ja, het is allemaal niet zo’n hocus pocus als het lijkt. De cijfers van nu HOI en voorheen Cebuco zijn transparant, altijd al geweest. De aanleverspecificaties lagen, zolang ik in de krantenwereld werkte (van ’79 tot 2000), vast en de cijfers werden steevast door accountants gecontroleerd. En de eisen werden in de loop der jaren steeds specifieker, de accountants bleven even streng.

    Het valt mij op dat maar een enkeling de moeite neemt om de details te bestuderen en naar aanleiding daarvan te publiceren. Maar er is geen beroep op de WOB voor nodig, heel knap is het bericht van Bakker dus nu ook weer niet. Dat Villamedia, het huis der journalistiek, het ook nog aankaart als een onthulling is bijna geestig. Nou moet ik wel zeggen dat je er zonder (gratis aan te vragen) password niet in komt en ook surfen met Firefox leidt tot niets.

    Maar goed, ik vraag me in goede moede af wat het nut is van kwartaalrapportages over oplage. Voor adverteerders is het bereik veel relevanter, zoals het NOM continu meet. Het nadeel van het NOM echter is dat je nu een behoorlijke oplage moet hebben om in het onderzoek mee te lopen. De Groene Amsterdammer, laat ik melden dat ik daar werk, staat er met een oplage van 16.000 niet in. Maar met ons vele andere kleine uitgeverijen niet. Terwijl een adverteerder toch ook uitstekend baat kan hebben bij – zeg – 10 advertenties in bladen met deze oplage in plaats van 1 in een blad met een oplage van 150.000. Omdat ze gerichte groepen bereiken. U snapt dat de Groene er wel bij zou varen, maar mijn suggestie zou zijn: schaf de hyperige HOI af en investeer in schaalvergroting van het NOM, zodat kleinere uitgevers ook beschikbaar zijn. Het HOI kijkt niet eens naar de samenstelling van het bereik. Het leidt alleen maar tot de beschreven zoektocht naar het ‘meer’, alsof dat per definitie goed is.

  3. De HOI-cijfers geven een indicatie van wat er aan de hand is in (print)medialand. Prima toch? Natuurlijk zeggen die cijfers niet alles, maar welk onderzoek doet dat wel? Een roep om afschaffing ervan is dan ook onzinnig. Datzelfde geldt voor al die schimmige uitgeversbetogen dat de betaalde oplage zogenaamd niet met het verleden te vergelijken is. HOI heeft inderdaad wel eens gesleuteld aan de eigen meetmethode, maar hoe ingewikkeld is het nu eigenlijk om betaalde oplagen vast te leggen? Dat de uitgevers zelf die cijfers liever niet naar buiten brengen, heeft maar een reden: die tendens is dalende. Als ik fusiekrant AD was, zou ik ook niet aan de grote klok hangen dat mijn betaalde oplage met 90.000 exemplaren (!) is gedaald.

  4. Pingback: Newspaper Innovation» Blog Archive » Does price matter?

  5. 1.
    Ik vind het uitstekend dat iedereen de oplage weet. Maar combineer het dan met bereiksonderzoek. En maak dat toegankelijk voor kleinere titels. Dat is de strekking. Daar heeft iedereen wat aan. Of zie ik dat verkeerd, Jeroen?

    2.
    De redenatie dat je met het HOI door moet gaan, omdat alle onderzoeken indicatief zijn, lijkt mij niet geheel zuiver. Daarbij, de HOI-cijfers betreffen geen indicatief onderzoek. Het is wat mij betreft ook niet ingewikkeld om betaalde oplage vast te leggen.

  6. Trendbreuk over het hoofd gezien

    Als onderzoeker bij Cebuco heb ik de analyse van Piet Bakker natuurlijk met interesse gelezen. Als dhr. Bakker één ding aantoont, is het wel dat de oplagecijfers op talloze manieren geinterpreteerd kunnen worden. Zelf probeert Cebuco daar orde in te scheppen door ieder kwartaal een vaste methode voor vergelijking te hanteren. Verder wijzen wij de betrokkenen op de trendbreuken door bijvoorbeeld het samengaan van titels.

    Helaas is ook in het betoog van dhr. Bakker sprake van een trendbreuk, die het grootste deel van zijn analyse ondermijnt. In zijn stuk wijst hij naar het dalende aandeel van de betaalde oplage. Juist in dit deel van de HOI-registraties is in 2006 een opvallende definitie-wijziging doorgevoerd (zie de onderstaande tekst van de HOI-site). Zo is een deel van de losse verkoop naar het onderdeel overige oplage overgeheveld. De aanpassing is het gevolg van een harmonisatie van de definities van dagbladen en tijdschriften.

    Met het overbrengen van een deel van de oplage van betaald naar onbetaald is het dan ook niet verwonderlijk dat de betaalde oplage in één jaar tijd met 4% daalt. Het is dus grotendeels het gevolg van een definitie-wijziging.

    En omdat het ondoenlijk is om alle oplageberekeningen exact te kennen, kun je gelukkig altijd terugvallen op de HOI site:

    “HOI adviseert dan ook met klem om bij analyses met vorige perioden de vergelijking te baseren op de totaal verspreide oplage i.v.m. mogelijke trendbreuken”.

    En voor de echte oplagewatchers nog even de details van HOI:

    Wijzigingen dagbladen 2006
    De belangrijkste wijzigingen in definities voor 2006 voor dagbladen zijn:
    • Introductie advies/standaard en actieprijzen bij abonnementen, losse verkoop en overige betaalde oplage.
    • Onderscheid tussen netto losse verkoop (hoofdcategorie 1: betaalde kernoplage) en bruto losse verkoop (hoofdcategorie 3)
    • Proefabonnementen worden nu geïntegreerd bij reguliere abonnementen. ‘Deelabonnementen’ blijft als aparte categorie gehandhaafd.
    • Nieuwe categorie ‘lidmaatschapsabonnementen’ en ‘controlled circulation’.
    • Samenvoeging bij hoofdcategorie 2 ‘gerichte oplage’ van 4 categorieën naar één categorie. 2.1 abonnementen dagblad betrokken personen, 2.2 kortlopende, 2.3 langlopende abonnementen en 2.4 losse verkooppunten worden één categorie ‘gerichte gratis oplage’.
    • Samenvoegen bij hoofdcategorie 3 ‘overige verspreiding’ van 4 rubrieken naar één rubriek. 3.1 outletverspreiding, 3.2 sampling, 3.3 gratis verstrekking losse exemplaren en 3.4 bewijsnummers etc worden één categorie ‘gratis verspreiding’.

  7. Pingback: De nieuwe reporter » Blog Archive » De oplage-obsessie

  8. Het is aan de late kant, maar het onderwerp ligt mij recent aan het hart. Vandaar dat ik deze week op mijn eigen log een post aan de twee bijdragen van Piet Bakker heb gewijd.
    Vanzelfsprekend is iedereen van harte uitgenodigd er daar kennis van te nemen.

    Overigens, bereiksonderzoek heeft in mijn optiek een volstrekt andere betekenis dan oplage registratie. Doel van bereiksonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de lezerskring (t.o.v. andere media) en in de mate waarin titels een bijdrage kunnen leveren in de opbouw van campagne bereik en het realiseren van frequentie.
    Dat er wat dat betreft (veel) meer diepte in mediaplanning te brengen is dan meestal in de praktijk gebeurd is de tragiek van dat vak.
    Cijfers en gemak zijn onverenigbaar. Zodra gemakzucht de overhand krijgt, is de betiteling van gegoochel terecht.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>