Het is niet genoeg om lezers de mogelijkheid te bieden om een reactie te plaatsen onder artikelen. Lezers die via de reactiemogelijkheid een vraag stellen, moeten daar ook antwoord op krijgen. Dat vindt althans Robert Niles die voor Online Journalism Review (OJR) een artikel schreef met drie aanbevelingen voor slim gebruik van de reactiemogelijkheid.
Zijn voornaamste advies is om tijd uit te trekken voor het lezen en beantwoorden van reacties van lezers. Interactiviteit bouw je niet louter op met computercode. ‘Echte mensen’ die meningen en vragen uitwisselen, zijn uiteindelijk veel belangrijker, betoogt Niles.
En daarom is het volgens hem belangrijk dat ook de makers van een site of blog zich in de discussie mengen. “Je kunt niet van lezers verwachten dat ze met elkaar praten. Dat kunnen ze elders ook wel. Als je wilt dat lezers op jouw website praten, moet je ze een mogelijkheid bieden die andere blogs of discussiefora niet hebben: de mogelijkheid om met jou te praten”, schrijft Niles.
Niles wijst er op dat het zaak is om het juiste evenwicht te vinden: helemaal nooit reageren is verkeerd, maar te veel reageren is ook niet goed. “Stel je lezers in staat om op elkaar te reageren”, schrijft Niles. Een blogger of redacteur die na elke reactie zelf in de pen klimt, loopt al snel het gevaar dat hij de discussie doodslaat.
Naakte rugbyers
Tot zover de theorie, hoe werkt dit in praktijk bij Nederlandse kranten? Ik kan me vergissen, maar ik heb nog nooit een redacteur van Trouw, het AD of De Telegraaf (drie kranten die reacties toestaan bij – een deel van – hun artikelen) zien reageren op de reacties die onder zijn of haar artikel werden geplaatst.
Toch komen er op online krantenartikelen (met name bij het AD en De Telegraaf) regelmatig honderden reacties. Blijkbaar is de aanwezigheid van de schrijvers van de artikelen in de reactiepanelen toch niet onmisbaar. Voor veel krantenlezers lijkt de reactiemogelijkheid in de eerste plaats bedoeld als een methode om stoom af te blazen.
Gezien de aard van veel van de reacties kun je je bovendien afvragen of een krantenredacteur veel te zoeken heeft in de reactiepanelen.
Neem bijvoorbeeld de reacties die het AD vandaag binnenkrijgt op een artikel over de arrestatie van een stel naakte rugbyers. Bericht en foto (van de naakte rugbyers) leiden niet tot reacties met vragen of tips voor de redactie. Hilariteit (“Wij vinden vooral de tweede van links erg sexy”, “super dit”) en onbegrip over de actie van de politie (“De politie is niet bepaald actief mnet het vangen van criminelen, want elders in deze krant staat duidelijk, dat iemand vermoord is en in de heroine actief was.”) voeren de boventoon.
De reacties op het AD-artikel over de blote rugbyers zijn exemplarisch voor de berichten die lezers meestal achterlaten bij media. Ze willen over het algemeen gewoon hun mening spuien. Slechts een minderheid lijkt uit op een discussie met de auteur van een artikel.
Representatief
Dit alles betekent niet dat de mogelijkheid voor lezers om te reageren daarmee journalistiek waardeloos is. De reactiemogelijkheid kan een indruk geven van wat er leeft onder de lezers. En dat kan een mooie bron zijn voor een artikel. Stel bijvoorbeeld dat onder een artikel over UPC een flink aantal lezers gaat klagen over de mediabox die zij ongevraagd krijgen toegestuurd, dan kan een journalist daar allicht een paar belletjes aan wagen.
Het is daarbij overigens wel verstandig om een slag om de arm te houden. Het is immers nooit zeker dat de lezersreacties representatief zijn voor de rest van Nederland. De reactiemogelijkheid op krantensites oefent nu eenmaal een enorme aantrekkingskracht uit op figuren die een sterk uitgesproken mening hebben.
Ook gebeurt het wel eens dat belanghebbenden (actiegroepen bijvoorbeeld) oproepen om op een krantensite een mening achter te laten. Zo riep Ronny Naftaniël van het Centrum Informatie en Documentatie over Israël (CIDI) een paar jaar geleden sympathisanten op om deel te nemen aan een peiling die dagblad Trouw online had gezet.
Rita Verdonk
Wellicht nog belangrijker is het om iets te doen met de lezers die met vragen en kritiek komen. Nu lijkt dat vooral te gebeuren als de kritiek breed wordt gedeeld in de reacties. Zo legde de hoofdredactie van het AD onlangs verantwoording af voor de publicatie van de video van de Scheveningse burenruzie die de 25-jarige Pascal Triep het leven kostte. En Trouw-hoofdredacteur Frits van Exter besteedde in zijn wekelijkse ‘brief van de hoofdredactie’ aandacht aan de reacties die binnenkwamen op een column van Wim Boevink over de broer van Rita Verdonk.
De stroom negatieve reacties op deze column leidde er overigens ook toe dat de Trouw-redactie de reactiemogelijkheid bij dit artikel uitzette. “Omdat het modereren veel tijd kost en alle argumenten inmiddels bekend mogen zijn, plaatsen wij nu geen nieuwe bijdragen meer over dit onderwerp”, aldus de hoofdredactie van Trouw in een mededeling. Misschien iets wat andere online media af en toe ook kunnen doen? Op een zeker moment zijn alle argumenten wel voorbijgekomen.
Ook als de kritiek in de reacties niet massaal is, kan het nuttig zijn als een (kranten)redacteur eens toegeeft dat hij een fout heeft gemaakt of uitlegt waarom hij een bepaalde beslissing heeft genomen. Dat hoeft geen enorm verhaal te zijn. Vaak volstaan een paar zinnen om een misverstand uit de weg te ruimen.
5 reacties