Poynter-richtlijn over het mijnenveld vol bloggers en lezers

Wat gebeurt er als het respectabele Poynter Instituut een richtlijn opstelt over journalistieke ethiek online? Dan krijg je een respectabel mijnenveld. De twintig kopstukken die Poynter in augustus 2006 bijeen bracht – chefs van sites van bijvoorbeeld The Washington Post en de Los Angeles Times, erkende mediacritici, wetenschappers van Poynter zelf – zijn er een beetje uitgekomen, maar vaak ook niet.

De online journalistiek heeft onmiskenbaar behoefte aan zoiets als een code die meer rekening houdt met de eigenaardigheden van het net. Anders dan in de oude wereld, krijgen journalisten online te maken met lezers die terugpraten, zelf nieuws aandragen, en over alles een mening hebben.

Meer en meer wordt online de toon gezet door blogs. Die houden, ook als ze de pretentie hebben journalistiek te bedrijven (wat meestal niet zo is), zich minder gestreng aan de feiten. Blogs zijn nu eenmaal beter te vergelijken met het genre van de columns of de politiek commentator.

De vinnigheid van veel blogs laat zich moeilijk rijmen met oude journalistieke waarden als afstandelijkheid, fairheid en onafhankelijkheid. Dat is niet erg, totdat je als klasssiek medium beseft dat je niet kunt doen of je neus bloedt. Een journalistiek die zich afkeert van het internet, loopt het gevaar irrelevant te worden.

Bij Poynter weten ze dat ook. Vandaar de conferentie in augustus en het nobele doel ‘guidelines’ op te stellen voor een journalistieke ethiek online. Die zou ook rekening kunnen houden met andere valkuilen: de opdringerige commercie, het al dan niet linken naar externe content (moeten we laten zien dat porno bestaat?), en de anonieme reaguurder.

Oude mannen

Het moet gezegd: de zeer voorlopige richtlijn – het debat loopt door op een wiki – probeert weliswaar oude media en nieuwe journalistiek bij elkaar te brengen, maar blijft niet hangen in klassieke normen en waarden. De conferentiedeelnemers zijn bereid geweest oude zekerheden ter discussie te stellen, al was het maar omdat de journalistiek niet het behoud van oude media ten doel heeft, maar het informeren van de samenleving.

Tegelijkertijd lees je aan de ‘guidelines’ af dat de gemiddelde deelnemer aan de Poyntersessie pakweg een welgestelde, hoogopgeleide, 47-jarige blanke man was. Misschien was het beter geweest als een jongere groep mediagebruikers actief bij de richtlijnen betrokken was geweest. Dan was er, bijvoorbeeld, allicht minder krampachtig omgegaan met het onderwerp anonimiteit.

In de oude mediawereld doen journalisten onafhankelijk en onbevooroordeeld verslag. Ze doen dat met open vizier: je weet wie ze zijn. Online krijgen we echter te maken met bloggers en reaguurders (reagerende lezers) die helemaal niet onafhankelijk willen zijn, voortdurend blijk geven van hun preoccupaties, en dat allemaal uitsluitend strikt anoniem willen doen.

Poynter kan daarmee niet uit de voeten. Ik vind dat even onverstandig als kortzichtig. Volgens Poynter kan een blogger niet serieus genomen worden als journalistieke bron als hij niet onder echte naam publiceert. Maar ik denk niet dat oude media die norm kunnen opleggen aan nieuwe media. Het is niet realistisch en niet haalbaar.

Vergelijkbaar is de stelling van de Poynter-groep dat journalisten weliswaar een persoonlijk getoonzette blog mogen maken naast hun gewone werk, maar dat die blog gevrijwaard moet blijven van te persoonlijke details (wat stem ik, bijvoorbeeld). Daarmee zou toekomstige onafhankelijke verslaggeving in gevaar komen (je wordt niet meer vertrouwd). Ik geloof dat de Poynter-lijn hier te conservatief is. De lezer komt, dankzij internet, toch wel te weten hoe je er als verslaggever over denkt. Verstoppen kan niet meer. Betracht maar openheid. Transparantie is beter dan een rookgordijn.

Het heetste hangijzer is dat van de anonieme bijdragen van lezers. In de oude journalistiek publiceren we alleen in zeer bijzondere gevallen nieuws dat afkomstig is van anonieme bronnen. Lezersbrieven horen een naam te hebben. Ik heb al eerder betoogd dat dat standpunt online niet te handhaven is, niet begrepen wordt, niet gesteund zal worden en overigens in alle opzichten achterhaald is.

In de kern komt het erop neer dat anonimiteit (of eigenlijk: pseudonimiteit) al sinds het begin der tijden de norm is op internet. En het werkt prima. Sterker nog: juist in een omgeving waar van individuele gebruikers alles – zijn klikgedrag, zijn voorkeuren, zijn relaties – wordt vastgelegd, is het van het grootste belang dat er nog een onderscheid gehandhaafd kan worden tussen zijn online identiteit en zijn werkelijke persoon.

De vraag die blijft staan is deze: zouden we in Nederland (Europa?) behoefte hebben aan een initiatief dat vergelijkbaar is aan dat van Poynter? Zou een Europese code voor journalistieke ethiek online afwijken van de Amerikaanse? Zouden wij het, nou ja, beter doen, al was het maar omdat wij zouden beginnen te luisteren naar mediaconsumenten onder de 35?

[Dit is een bewerking/samenvatting van een reeks posts op www.henkblanken.nl]

2 reacties

  1. Arno van 't Hoog schreef op 4 februari 2007 om 20:11

    Interessant onderwerp, waar inderdaad geen snelle oplossing voor is. Ik denk dat je niet moet willen proberen een alles-in-een-code te ontwerpen die het hele web dekt. Dat is niet des webs. Anonimiteit kan nuttig zijn, maar ook elke transparantie en accountability in een discussie om zeep helpen.

    Je kunt anonimiteit toestaan op bepaalde fora, of alleen voor reaguurders en voor degenen die posten juist niet. Alles is mogelijk.

    Veel zal afhangen van het onderwerp, de reputatie en de doelstelling van de site, van de mensen die posten, hun leeftijd, en stijl van reaguren. Juist omdat anonimiteit kwade opzet en belangenverstrengeling kan verhullen, zal er bij bepaalde onderwerpen en fora openheid blijven bestaan, of zal bij misbruik van anonimiteit worden ingegrepen.

    http://www.marketingfacts.nl/berichten/columnist_reageerde_op_eigen_artikelen/

    In dat opzicht spreek je wel erg gemakkelijk over de journalsitieke norm van het web; alsof de praktijk dicteert wat juist is, en alsof er een eenduidige praktijk bestaat, en alsof die dwingt tot conformeren.

    Als er (ergens) een code komt, zal die een deel van de webgemeenschap aan zich binden als die code hun praktijk goed reguleert. Een ander deel van de webgemeenschap zal zich er juist tegen af zetten. Geeft niks, dat bevordert diversiteit.

    Tot slot: er wordt bij codes nog wel eens vergeten dat ze geen dwingende harnassen zijn, maar sanctieloze richtlijnen, en vooral nuttig als kapstok voor discussie. Het is een dode letter die de discussie tot leven kan brengen.

  2. kees jansen schreef op 4 februari 2007 om 22:54

    Goed verhaal, er moet toch iets zijn waardoor de
    oude media en de nieuwe media samen kunnen gaan.
    Het gezeur bij de oude media over banenverlies is onzin.
    Ik ben er niet op uit om de journalist onderuit te halen.
    Waarom mag de burgerjournalist geen mening hebben?
    Tegenwoordig zijn we al digitale ramptoeristen. Weer een
    nieuwe naam voor de burgerjournalist.
    Wat is er op tegen als ik een grote brand film of fotografeer
    bij mij in de buurt?

    Kees Jansen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>