Geert Mak vs. de digitale revolutie! (Of toch niet)
Hoe krijg je het voor elkaar om het succes van ‘literaire non-fictie’ te gebruiken als bewijs voor de vermeende onverminderd grote behoefte aan ‘ambachtelijke journalistiek’? Hoe kun je zonder veel omhaal de verkoopsuccessen van de Geert Makken en de Joris Luyendijks van deze wereld aanwenden om de door internetgoeroes geprofeteerde ‘digitale revolutie’ in de journalistiek te relativeren – zoals Jeroen Bergeijk doet op De Nieuwe Reporter?
Dat kan door journalistieke kenmerken uit de context van een medium te halen, vervolgens universele geldigheid toe te dichten en dan op andere media te projecteren. Een fout die in discussies over de journalistiek dikwijls wordt gemaakt. In dit geval roemt Van Bergeijk de voordelen van het journalistieke boek: de auteur heeft alle ruimte om een ingewikkeld verhaal goed te vertellen. Vervolgens wordt echter opgemerkt:
Vreemd dus eigenlijk dat we niet veel meer literaire non-fictie aantreffen in de kranten- en tijdschriften, laat staan websites.
Gezien de titel en de inleiding gaat hij nog verder: het succes van het genre zou bewijzen dat we “meer en meer behoefte aan ambachtelijke journalisten” krijgen.
Ik zou willen voorstellen om het eens vanuit de logica van de mediaomgeving te benaderen. (Zie ook mijn comment over crossmedia op de Campusblog van de SvdJ Utrecht.) Een boek is per definitie eenrichtingsverkeer, is bedoeld om te bewaren, een grote hoeveelheid tekst in op te slaan die in sessies wordt geconsumeerd. Dan heb je als journalist de mogelijkheid om uit te weiden, grote verhalen te schrijven met scenès en wat dies meer zij, bestemd voor passieve lezers. Een krant is bedoeld als dagelijks pakketje dat binnen een half uur tot een uur uit te lezen is; bondig en to the point het laatste nieuws presenteren is het devies, overigens aan al even passieve lezers.
Websites daarentegen bieden (potentieel) een gelijke mate van actieve participatie aan zowel schrijvers als lezers. En, om kort te gaan, zie je dat het publiek een actieve rol eist, en redactionele omgevingen waar de afstand tussen schrijvers en lezers klein is, en waar het publiek veel macht heeft, het meest succesvol zijn.
Welnu. Boeken zijn er altijd al geweest en zullen nog een hele tijd blijven. Kranten bestaan ook al een tijdje en zullen het eveneens nog wel even uitzingen. Maar websites en andere internetmedia zitten anders in elkaar; de informatiehuishouding en de relatie tussen schrijvers en lezers is er heel anders; het medialandschap is anders van opzet, de noodzakelijke normen en waarden verschillen, ga zo maar door. Daar komt bij dat het internetgebruik sterk groeit, dat de technische mogelijkheden nog altijd in razend tempo toenemen, zowel wat publicatiemogelijkheden als consumptieplatformen (denk mobiel internet) betreft.
Deze logica volgend, is de conclusie gerechtvaardigd dat dialogische, interactieve internetjournalistiek een zonnige toekomst tegemoet mag zien, omdat deze beantwoordt aan de eisen van de tijd, compatibel is met de veranderende informatiehuishouding van de maatschappij.
Dat betekent niet dat we papieren kranten, laat staan boeken moeten afschrijven; het betekent wél dat je journalistieke normen, waarden en kenmerken moet beschouwen als producten van het medium waarin ze tot wasdom zijn gekomen; elk medium vraagt om zijn eigen aanpak, elk medium creëert zijn eigen journalistiek. Hou die typen journalistiek goed uit elkaar en probeer niet de waarden van de een in het medium van de andere te projecteren. Anders kom je voor je het weet met curieuze beweringen waarin Geert Mak wordt gebruikt om de betekenis van internetjournalistiek te bagatelliseren…
Dit artikel verscheen eerder op ditisberry.nl, de persoonlijke weblog van de auteur.










28 reacties:
9 maart, 2007
Zie ook de reactie van Jeroen Bergeijk op mijn weblog (naar aanleiding daarvan vroeg DNR om het ook hier te publiceren): hij stelt dat hij niet pleit voor een medium maar voor het genre ‘literaire nonfictie’ dat niets met een medium te maken zou hebben; ik stel dat het juist wel met het medium te maken heeft.
Die boeken zijn populair omdat mensen ’s avonds nog wel eens een boek willen lezen en het uitstekende cadeau-ideeën zijn voor hogeropgeleiden. Te concluderen dat dit type boek voorziet in een maatschappelijke behoefte is de functie ervan te serieus nemen. Je kunt de verteltrant (het genre dat wordt aangeduid) dan ook niet zomaar willen toepassen op andere mediavehikels.
Te stellen dat er een universele ‘behoefte aan verhalenvertellers is’ is een lege huls, een romantische stoplap. Mensen kopen een boek omdat het een leuk quasi-intellectueel kado-idee is, en omdat lezen ontspannend is. Te concluderen dat de wereld zo ingewikkeld is dat ze die boeken kopen om zich door journalisten te laten vertellen hoe de wereld in elkaar steekt getuigt van grenzenloze zelfoverschatting; concluderen dat er zelfs een groeiende behoefte is aan traditionele journalisten is zelfs redelijk belachelijk, als ik zo vrij mag zijn.
9 maart, 2007
Jaap, aan de andere kant: ik heb de indruk dat jij op wat een eendimensionale manier naar internet kijkt. Het is toch niet zo dat door de opmars van een nieuw medium de behoefte aan verhalenvertellers verdwijnt?
De vraag is: wie vertelt er dan de verhalen, zijn dat professionele vertellers, of vertellen we elkaar vooral verhalen? In termen van oude media: Lezen we een boek, of ouwehoeren we met elkaar in de kroeg?
Ik denk dat we ook in het nieuwe medialandschap beide zullen blijven doen, ondanks de toenmende mogelijkheden om je eigen verhaal te vertellen, of in collectieve / dialogische vormen aan verhalen te werken.
Tussen die vormen zal wellicht ook meer interactie ontstaan, denk aan de voorbeelden die Henry Jenkins geeft in het boek Convergence Culture. Fans pikken de verhalen van de professionele verhalenvertellers op, en bewerken die tot nieuwe verhalen, die vervolgens weer invloed kunnen hebben op de verhalen van de professionele vertellers.
Maar wat ook in de nieuwe media overeind blijft: het op een mooie manier vertellen van een (journalistiek) verhaal is een bezigheid die veel tijd, inzet en wellicht ook talent of opleiding/ervaring kost. Soms hebben we daar behoefte aan, soms praten we liever met elkaar in de kroeg of wisselen we kennis uit via weblogs.
Je moet ook onderscheid maken tussen distributietechnologieen en media of genre die over die distributienetwerken worden verspreid. Dat het internet interactieve media als weblogs mogelijk maakt, wil nog niet zeggen dat dat het enige mogelijke of zinvolle medium is. Je kunt ook prima ‘old school’- niet interactieve verhalen distribueren via het net. Soms wil je als publiek deelnemen aan discussies, maar je hebt toch niet altijd die behoefte?
Jij schrijft:
Websites daarentegen bieden (potentieel) een gelijke mate van actieve participatie aan zowel schrijvers als lezers. En, om kort te gaan, zie je dat het publiek een actieve rol eist, en redactionele omgevingen waar de afstand tussen schrijvers en lezers klein is, en waar het publiek veel macht heeft, het meest succesvol zijn.
natuurlijk zijn er veel interactieve dialogische websites die succesvol zijn, zoals wikipedia. Maar dat wil toch niet zeggen dat dat de enige mogelijke toepassing is? Er zijn toch ook veel websites succesvol die juist weinig interactief zijn, neem de Economist.com bijvoorbeeld? Het is niet of-of, het is en-en, en als auteur en als publiek bieden verschillende media verschillende mogelijkheden die in verschillende behoeftes voorzien.
Daarom stel ik: de behoeft aan verhalenvertellers die zich in dat vak bekwamen blijft ook in het digitale tijdperk overeind.
9 maart, 2007
En ik stel dat die laatste opmerking een stoplap is: waar doch nietszeggend. Genres zijn volgens mij altijd producten van het medium of de media-omgeving. Je kunt ook een film op internet bekijken, maar op de een of andere manier ontwikkelt video op internet zich naar communities waar mensen videofragmenten bespreken, omhoog stemmen, op elkaar laten volgen, mixen, et cetera.
Of met een nieuw medium de vraag naar verhalenvertellers verdwijnt? Ik weet niet wat je onder ‘verhalenvertellers’ verstaat. Het veronderstelt het bestaan van een verteller, een luisteraar en een omgeving waarin verteld wordt. Aangezien bij elke vorm van communicatie er sprekers en luisteraars zijn, in wat voor rolverdeling dan ook, zeg je in feite dat er altijd behoefte zal zijn aan communicerende mensen. Ik kan daar niks mee.
Maar ik denk inderdaad dat de opkomst van internet zorgt voor een veranderende informatiehuishouding van de maatschappij, en dat lijkt me eerlijk gezegd ook niet zo’n heel radicaal of eendimensionaal standpunt. Op internet zijn ook omgevingen succesvol waar bepaalde mensen vooral vertellen en andere mensen vooral luisteren, dat klopt, maar wat wil dat zeggen? De manier waarop wordt gecommuniceerd, en de functie die deze communicatie heeft, heeft weinig te maken met journalistiek-literaire papieren boeken omdat daar toevallig ook sprake is van een verteller en een relatief passief publiek.
9 maart, 2007
Jaap, natuurlijk heb je gelijk als je zegt dat ‘internet zorgt voor een veranderende informatiehuishouding van de maatschappij’, maar ik stoor me aan het idee dat dat betekent dat alle oude vormen van interactie/informatieuitwisseling achterhaald zijn. Zo hard stel je het geloof ik niet, maar vaak is dat toch wel de ondertoon die ik in je bijdragen aantref, of vergis ik me? Bijvoorbeeld, je schrijft:
Je kunt ook een film op internet bekijken, maar op de een of andere manier ontwikkelt video op internet zich naar communities waar mensen videofragmenten bespreken, omhoog stemmen, op elkaar laten volgen, mixen, et cetera.
natuurlijk ontstaan er nieuwe vormen, genres, praktijken. Maar het enorme succes van sites als uitzendinggemist.nl, om maar te zwijgen van p2pdiensten via welke klassieke’ speelfilms worden gekopieerd nuanceert naar mijn idee dat die nieuwe vormen de oude volledig zullen overnemen.
9 maart, 2007
@Martijn: in dat kader is het interessant om eens te kijken naar de populariteit van audioboeken. Voorgelezen verhalen die je kunt downloaden van het internet luisteren op de iPod.
9 maart, 2007
Laten we niet vergeten dat interactie met non-interatieve websites heel goed mogelijk is door middel van een link op een blog. Een goed voorbeeld van online non-fictie op internet is http://www.sociosite.org
Mocht men met de betreffende onderwerpen danwel de schrijver in discussie willen treden, dan volstaat een quote met een link naar de site. Dat zie je met de content van boeken bijna niet gebeuren omdat deze exclusief aan het papier worden toevertrouwd. Wat dat betreft een gemiste kans voor de schrijver om het eigen lezerspubliek uit te breiden.
Dit vooral omdat het percentage ‘informatieconsumptie’ dat op de computer of mobiel plaats vind voor hele volksstammen veel hoger ligt dan de tijd die men met een gedrukt product doorbrengt. De reden daarvoor is te vinden in de voortschrijdende technologie en de veranderingen die dit veroorzaakt in de gewoontes van mensen.
Hoeveel uur per dag brengt u zelf door acter een beeldscherm? En hoeveel uur per dag consumeert u zelf papieren content? Dit lijken mij relevante vragen die middels onderzoeken beantwoord kunnen worden. Ik denk dat uit zulk onderzoek zal blijken dat er grote verschillen zitten tussen de oude garde en de jonge(re) generatie welke wel met internet zijn opgegroeid, in tegenstelling tot diegenen die het internet als een bedreiging ervaren:
Ik kan me niet herinneren wie het zei, maar deze discussie doet me denken aan de volgende uitspraak:
‘If you don’t like change , you’re going to like irrelevance even less’
9 maart, 2007
@Martijn: wie heeft het over vervangen van media? Even recapitulerend: Ik stel vast dat het succes van een journalistiek genre in het ene medium niets zegt over het potentiële succes van dat genre in een andere mediacontext (internet), omdat de media-omgeving anders is en er daardoor andere genres ontstaan. En als we het dan hebben over het type journalisten waar een groeiende vraag naar is, want dáár gaat het over, dan zeg ik: gezien de groeiende populariteit van internet denk ik niet dat je kunt concluderen dat er meer behoefte is aan ambachtelijke journalisten omdat Geert Mak veel boeken verkoopt!
Dat is een tamelijk abstracte analyse van de wijze waarop wordt gediscussieerd over ‘de journalistiek’ en heeft met overtrokken voorspellingen over mediarevoluties ofzo niets van doen. Dat je evenwel een ondertoon in mijn stukken meent te moeten ontdekken, daar kan ik niet zoveel aan doen.
9 maart, 2007
@Jaap: dan verschillen we gewoon van mening. Ik denk dat , zoals Jeroen van Bergeijk beargumenteert, het succes van literaire non-fictie wel degelijk aangeeft dat er behoefte is aan verhalenvertellers, aan mooi vertelde verhalen waarin recht wordt gedaan aan de complexiteit van de hedendaagse ontwikkelingen. En dat die behoefte verder gaat dan de behoefte aan een aardig cadeautje voor quasi-intelectuelen.
Ik denk ook dat ook internet zich leent voor distributie van dergelijke vormen, en dat er zelfs nieuwe genres kunnen ontstaan in het digitale medialandschap gebaseerd op een zeker auteursschap van de verhalenverteller.
Wat niet wil zeggen dat er daarnaast niet ook allelei dialogische vormen ontstaan, maar ‘de groeiende populariteit van internet’ bewijst voor mij op zichzelf weer niets. Interactiviteit/dialoog kan voor verhalenvertellers een zeer goede keuze zijn, maar het is geen dwingende plicht die de technologie van internet haar gebruikers oplegt. Al is het aardige van internet natuurlijk zoals oobio terecht constateert dat remixen en becommentarieren altijd mogelijk is door middel van de hyperlink.
9 maart, 2007
Jaap, jij zegt, (journalistieke) boeken zijn eenrichtingsverkeer, een krant is ook eenrichtingsverkeer, nee, kijk dan eens naar internet/websites: niet alleen biedt dat ruimte voor actieve participatie (van de schrijver die tegelijk de lezer kan zijn én van de lezer die gelijkertijd schrijver kan zijn), maar ‘redactionele omgevingen waar de afstand tussen schrijvers en lezers klein is, zijn zelfs het meest succesvol’. Maar is dat journalistiek? Of is dat een leeromgeving? Of is journalistiek als beroepsuitoefening een leeromgeving geworden?
10 maart, 2007
“een krant is ook eenrichtingsverkeer”
Niet helemaal meer. Nu kranten zelf ook actief op internet zijn en in sommige gevallen ruimte bieden voor directe lezersreacties (zie bijvoorbeeld NHD.nl), kun je naast de papieren krant ook via de website met dezelfde krant een publiek dialoog proberen aan te gaan.
Vaak echter verzanden deze pogingen in flamewars van de lezers, vooral door het gebrek aan kundige moderators en mensen van de krant die de discussie professioneel zouden kunnen begeleiden. Totaal afwezig.
De reactiemogelijkheid wordt geboden, maar de krant neemt zelf niet ook actief deel aan welke discussie dan ook rondom de door haar aangesneden onderwerpen. Je kunt via de rechter hooguit rectificatie afdwingen. Niet echt betrokken, wel?
“is journalistiek als beroepsuitoefening een leeromgeving geworden?”
Als het nu nog niet het geval is heeft de journalistiek een groot probleem. Met alle respect voor de journalistieke opleidingen, maar als je nu nog niet ziet dat leren een levenslang process is dan heb je wel degelijk een plaat voor voor je kop, met excuses voor de hier door mij gebruikte krachttermen.
Men dient ‘met haar tijd mee te gaan’, maar het is overduidelijk dan men in plaats daarvan de ontwikkelingen stagneert, bagetalliseert, en in het algemeen probeert tegen te houden totdat men een afdoende monopolie op nieuwe technologie kan claimen.
Dat zal niet meer lukken, en dat dient te worden ingezien.
Zie bovenstaand voorbeeld van interactieve ‘dialogen’ op de websites van kranten waar men zelf niet aan deelneemt.
En kijk dan eens naar de schandalige principes die bv. de telegraaf er op na houdt: Discussies worden aangesneden, reacties worden uitgelokt, en vervolgens verdwijnt de gehele discussie uit het zicht van de lezer. Dit kun je het beste omschrijven als ‘leeching’.
Ook zijn de discussies niet doorzoekbaar op trefwoorden, wordt er niet of onvoldoende met bruikbare ‘tags’ gewerkt. De online lezer is een lastpak.
De NRC presteert het zelfs als discussie van de week aan te snijden: “Zijn er teveel meningen in Nederland”
http://weblogs.nrc.nl/weblog/discussie/2007/03/08/zijn-er-te-veel-meningen-in-nederland/
Het is een teken aan de wand dat er geen enkele waarde wordt gehecht aan mensen die mee willen praten.
Wel een discussie openen, en vervolgens je muil houden is nogal onbeschoft is mijn mening.
De nieuwe reporter is overigens een hoge uitzondering hierop, neerlands hoop in bange dagen?
10 maart, 2007
Een interesante discussie. Ik moet opmerken dat als je zegt dat er behoefte is aan ambachtelijke journalistiek, je het eigenlijk, of in ieder geval deels, over de rol hebt van de journalist.
In de literatuur wordt een aantal rollen genoemd, zo kan een journalist een gatekeeper zijn, of mischien zoals op het moment slechts een doorgeefluik van informatie. Daarnaast kan een journalist ook informatie ‘duiden’. Met het laatste springt vooral de literaire non-fictie in het oog.
De vraag wordt nu: verandert de rol van de journalist en heeft het publiek, met de gigantische hoeveelheid informatie die snel en eevoudig op te zoeken is, mischien meer behoefte aan ‘duiding’ dan voorheen ?
- een onwetende student communicatiewetenschap
10 maart, 2007
@Mark: voor journalisten is de vraag niet waar het publiek behoefte aan heeft (dat zou althans niet de vraag moeten zijn waar journalisten zich mee bezig moeten houden; die vraag is aan de marketing-afdeling en hoofdredactie en marketeer moeten zich vervolgens maar buigen over de onderhandelingen daarover) maar is de vraag wat hun rol in het geheel der samenlevingen is.
Dus als het publiek al meer behoefte heeft aan ‘duiding’ (=interpretatie = verklarende uitlegging => duiding, invulling, lezing, opvatting) dan dient het die duiding zelf te geven. Als journalist kun je niet iets ‘duiden’, want dan ben je niet objectief.
Wat een journalist wel kan doen, is context bieden (= verband waarin zich iets voordoet; verband” = omstandigheid dat of wijze waarop zaken overeenkomen of op elkaar inwerken => betrekking, coherentie, cohesie, eenheid, samenhang) en analyseren (= ontleden = de afzonderlijke delen op zichzelf en in betr. tot elkaar beschouwen). Ik denk namelijk dat het publiek behoefte heeft aan begrijpen en niet aan door jan journalist en alleman gedane interpretaties.
De verklaringen komen uit de Van Dale.
10 maart, 2007
Ik ben het met Marc eens dat er inderdaad veel meer duiding nodig is dan voorheen, en ik ben het eens dat er behoefte is aan ouderwetse journalistiek, vooral online. Door de discussie met haar lezers op zijn beloop te laten, staat men immers toe dat misverstanden en misinterpretaties een eigen leven gaan leiden. Actief deelnemen aan maatschappelijk relevante discussies is hiervoor een eerste vereiste. Laten zien dat je betrokken ben en een standpunt durven innemen als krant, journalist of columnist draagt volgens mij enorm bij aan het online bezoek, wat de oplage van de papieren krant alleen maar ten goede kan komen.
Overigens had ik als moderator mijzelf hier al op de vingers getikt (mijn eerdere posts iets te krachtig geformuleerd).
Dat neemt niet weg dat volgens mij het online bezoekwel degelijk bij de oplagecijfers betrokken dien t te worden
10 maart, 2007
Je kunt geen standpunt innemen als krant, dan ben je niet objectief. Als krant (= merk/brand?) kun je wel zeggen ‘wij staan hier, op dit eiland, dit is onze identiteit, en alles waar wij over berichten moet u in die context plaatsen’. Tijdschriften doen dat al, althans het eerste, reden waarschijnlijk waarom ze beter in de markt liggen dan kranten. Maar objectief is het niet.
Overigens: zou Joris Luijendijk met ‘de journalistiek moet meer communiceren’ bedoelen dat ook kranten- en rtv-journalisten meer aan ‘branding’ moeten doen, waarmee ik met ‘branding’ het benoemen van je ‘identiteit’ bedoel?
10 maart, 2007
Columnisten zijn net mensen en ook niet objectief. En neem dan deel aan de discussie en ‘leer’ de lezer wat die objectiviteit inhoudt en hoe die tot stand is gekomen. Dat hoeven heus de journalisten niet zelf te doen, maar er zou ruimte binnen de redactie geschapen worden voor mensen die actief aan lezersreacties deelenemen en ook de redactie op de hoogte brengen van wat er speelt onder de lezers. Ook voor tijdschriften zou moeten gelden dat men tracht het online spectrum bij het eigen merk te betrekken. Zo ondersteun je de totstandkoming van online gemeenschappen, en kun je al lerende het niveau van de lezersbijdragen verhogen. Dit vereist educatie, en ervaring in het daadwerkelijk deelenemen.
Dat het bouwen van online gemeenschappen zich nu tot de aanwerving van columnisten, en de bijdrages van de lezers beperkt, werkt objectiviteit binnen de online discussies niet bepaald in de hand, en dit zou geduid moeten worden vind ik.
10 maart, 2007
Oobio, wat jij bedoelt, heet volgens mij ‘organiseren’.
11 maart, 2007
@lia, ik had het ook over de rol van de journalist in het geheel der samenlevingen, niet als schrijver voor een commerciële krant. De samenleving is hun publiek, en wat heeft het publiek in die samenleving nodig ?
Ik denk dat als je ervan uitgaat dat journalisten objectief zijn, je bedrogen uitkomt. Ik hoop dat ik hiermee geen onrecht doe aan de journalistiek, maar wanneer je je realiseert dat er vanaf het moment van nieuwsselectie al een bias is, wat denkt de journalist dat het publiek wil weten, een journalist nooit echt objectief kan zijn.
Daarnaast heb ik het gevoel dat duiding en het in context zetten van nieuws dicht bij elkaar liggen. Wordt iets immers niet geduid op de grond van de context waarin het staat ? De interpretatie van nieuws is deels, en mischien zelfs geheel afhankelijk van de context waarin het nieuws staat.
Ik wil hier niet mee zeggen dat kranten een standpunt in MOETEN nemen, of dat doen zonder dat eigenlijk te willen, het is simpelweg een grijs gebied. Het eenvoudig overnemen van ANP nieuwsberichten zoals in de metro of de spits lijkt mij geen afdoende taak voor de journalistiek, de taak van de journalistiek lijkt mij het ordenen, duiden en het in context zetten van de overdaad aan informatie waartoe het publiek toegang heeft.
Waar ik niet echt op ben ingegaan, is de interactiviteit tussen lezer en ‘nieuwsbrenger’. Opgemerkt moet worden, dat bijvoorbeeld NRC-next er voor gekozen heeft om GEEN emailadressen te plaatsen onder artikelen, omdat men dan wel degelijk reacties zou krijgen, maar hier simpelweg weinig tot niks mee zou kunnen doen, omdat het teveel reacties uit zou lokken, hetzelfde geldt volgens mij ook voor De Pers. De papieren krant is blijkbaar niet geschikt voor een toename in interactiviteit, iets dat het internet wel kan faciliteren.
- een onwetende student communicatiewetenschap
11 maart, 2007
Objectief in deze context betekent:
1. “zich bepalend tot de feiten, niet beïnvloed door eigen gevoel of door vooroordelen”
Maar het betekent ook:
2. “doel”
Wellicht dat de interpretatie van de betekenis van het woord ‘objectief’ soms tot verwarring leidt? :)
Ik ben het volgende met Marc eens:
“wanneer je je realiseert dat er vanaf het moment van nieuwsselectie al een bias is, wat denkt de journalist dat het publiek wil weten, een journalist nooit echt objectief kan zijn.”
Dus de vraag of een journalist zich daadwerkelijk niet laat beïnvloeden door eigen gevoel of door eigen vooroordelen, contradicteert met het gegeven dat de journalist/redactieur per definitie op zijn/haar gevoel moet afgaan om onderwerpen te selecteren, en deze op de juiste manier te duiden.
Voorbeelden hiervan:
1. Op De Nieuwe Reporter wordt gesteld door ‘Kees de Rooij’ in een 1e reactie op een artikel van Hille van der Kaa:
“Een journalist wikt en weegt ook op basis van een gevoel wat een lezer wil weten”
Bron: http://www.denieuwereporter.nl/?p=662
2. De Journalist, Arjan Penders (3FM):
“Je handelt op routine, op gevoel. Je bent ineens geen journalist meer, maar een mens.”
Bron: http://www.villamedia.nl/journalist/n/dossiers/fortuynmediadag.shtm
3. Lia op Henk Blanken.nl:
“Mijn gevoel is dat journalisten allemaal vanaf hun eigen eilandje zitten te roepen”
Bron: http://www.henkblanken.nl/?p=333
Met bovenstaande voorbeelden wordt onmiskenbaar aangetoond dat men beinvloeding door het eigen gevoel niet uit kan schakelen en dat objectiviteit een aldus rekbaar begrip is.
Quote van Lia: “Je kunt geen standpunt innemen als krant, dan ben je niet objectief.
Kun je een krant dan wel als objectief bestempelen? En op basis van welke gronden?
11 maart, 2007
Ik denk dat het volgende onderscheid te maken is: een journalist is subjectief want een onderwerp kiest hij (lees ook: zij) op gevoel (dat bedoel ik met ‘vanaf je eigen eilandje roepen’), en een journalist is objectief want het uitwerken van zijn onderwerp doet hij neutraal. (Hier komt Joris Luijendijk overigens om de hoek met zijn ‘journalistieke filters’, want, zegt hij, in iets andere bewoordingen overigens’ hoe waarborg je als journalist je neutrale positie als de propagandamachine van de één beter en sterker ontwikkeld is dan de ander).
Een krant is per definitie niet objectief in de keuzes voor bepaalde onderwerpen maar kan in de uitwerking van die onderwerpen wel objectiviteit nastreven.
Ten tijde van de verzuiling had iedere krant een eigen signatuur. Afgezien van het feit dat ik daar voor of tegen ben, denk ik dat veel publiek op dit moment (mogelijk onbewust) vindt dat dit is waar het de kranten van nu aan ontbreekt: geen smoel, geen gezicht, geen identiteit. Men herkent zich niet meer. Moet herkenning dan? Wel als je kranten wilt blijven verkopen.
Is het dan tijd voor de nieuwe verzuiling? Een verzuiling misschien die niet langer gestoeld is op ideologische gronden maar op economische gronden? M.a.w.: “De krant als merk”, ‘branding’, steeds nieuwe subculturen blijven benoemen?
Misschien kun je het wel het beste zo samenvatten: met journalistiek kun je alle kanten op.
Maar voor al die journalisten die nog op zoek naar invalshoeken zijn, want je moet wel journalistiek blijven selecteren (= uitvergroten?) natuurlijk:
Fietsenhumor:
MAVO-humor: Een fiets op het dak gooien.
HAVO-humor: Iemand dreigen zijn fiets op het dak te gooien.
VWO-humor: Berekenen hoe je het beste een fiets op het dak kunt gooien.
Universiteits-humor: Met Gauss een fiets op het dak gooien.
Kleuterschool-humor: Een driewieler op het dak gooien.
VBO-humor: Een fiets met zijn bezitter en al het dak op gooien.
Amsterdamse humor: Een gestolen fiets op het dak gooien.
Belgische humor: Iemand helpen jouw fiets op het dak te gooien.
CDA-humor: Geloven dat er ook op het dak gefietst wordt.
D’66-humor: Iets ergens opgooien, maar wat? en waarop?
VVD-humor: Geloven dat de fiets vanzelf een keer op het dak terecht komt.
PROVO-humor: Witte fietsen op het dak gooien.
NAVO-humor: Steeds dreigen een fiets op het dak te gooien, maar het niet doen!
Paas-humor: Een fiets op het dak verstoppen.
Sinterklaas-humor: Een fiets door de schoorsteen gooien.
EO-humor: We zingen en prijzen de fiets het dak op.
SBS 6-humor: Een blote fiets op het dak gooien.
TROS-humor: Fiets em ‘t dak op!
Ambtenaren-humor: Een fiets in drievoud op het dak gooien.
Bodybuilder-humor: Fiets op het dak gooien, eraf halen, weer op het dak gooien, etc.
Bouwvakkers-humor: Een dak bouwen om er een fiets op te gooien.
Handelaars-humor: Een fietsenhandel op het dak beginnen.
Luchtmacht-humor: Een fiets op het dak droppen.
Milieuorganisatie-humor: Dak bezetten zodat er geen fietsen op gegooid kunnen worden.
Politie-humor: “Hebben wij een fiets op het dak gegooid?”
Welzijnswerkers-humor: Een praatgroep oprichten voor mensen die een keer een fiets op het dak zouden willen gooien.
Communistische humor: Gezamenlijk een fiets op het dak gooien.
F-Side-humor: Een dak op een fiets gooien.
Gabber-humor:Effe uit je dak fietsen.
Religieuze humor: Een fiets op een dakkapel gooien.
Dakdekkers-humor: Eerst al die fietsen van het dak gooien!
11 maart, 2007
Daar kan ik me wel in vinden. Leuke anologie, waar alleen de journalisten- en de politieke humor aan ontbreekt:
Politieke-humor: Er is een tsunami van fietsen welke op daken gegooid worden
Journalisten-humor: Worden er teveel fietsen op het dak gegooid? Wat vindt u?
11 maart, 2007
haha, ook grappig. Wel zijn we met de discussie nogal afgeweken van de kop: Geert Mak vs de digitale revolutie.
Een nieuwe stelling kortom: “de digitale revolutie leidt af, en zorgt voor een (opmars en) tegenbeweging van literaire non-fictie.”
Mvrgrt.
11 maart, 2007
Om af te sluiten, de Nederlandse dagbladen staan er veelal om bekend dat zij veel uitgesprokener zijn over hetgeen waar zij voor staan, het eilandje waar zij vandaan roepen is in ieder geval bekend.
Veel buitenlandse, zowel europese als Amerikaanse kranten pretenderen objectiviteit, terwijl zij toch duidelijk, in het Amerikaanse geval een republikeinse of democratische achtergrond hebben, maar hier niet voor uit komen.
- Ik zal moeten gaan zoeken naar een goede definitie van literaire non-fictie, omdat ik er niet bekend mee ben. Misschien aanraaders om te lezen ?
11 maart, 2007
Ik haak aan bij de laatste reaktie en wil nog even terugkomen op het stuk van en de reakties van Stronks.
Het is misschien verhelderend om hier aan te geven wat literaire nonfictie is – of beter wij (Han Ceelen en ik, de schrijvers van het boek Meer dan de feiten) daaronder verstaan.
Omdat het genre zo moeilijk te definieren is, zijn we uitgegaan van de werkwijzen van de schrijvers van het genre:
- Auteurs van literaire non-fictie bedienen zich van stilistische middelen en verteltechnieken die eerder worden geassocieerd met de romankunst dan met journalistiek.
- Ze leven zich uitgebreid in. Ze dompelen zich maanden, en soms zelfs jaren, onder in de leefwereld van hun onderwerpen.
- Ze zijn niet op zoek naar hard nieuws, maar schrijven over alledaagse en daarmee ook tijdloze thema’s.
- Ze proberen meer dan traditionele verslaggevers hun lezers emotioneel bij hun verhaal te betrekken.
- Ze streven naar een duidelijke eigen stem en toon.
Nu is het zo dat dit genre het goed doet in langere reportages en boeken, maar is daartoe niet voorbehouden. Je treft het in kranten (Bril), tijdschriften (M van NRC Handelsblad) en eerder genoemde boeken. In de VS kent het genre een lange traditie en vind je het veelal terug in tijdschriften als The New Yorker, The Atlantic Monthly, Esquire, Vanity Fair etc. Ik stel vast dat literaire nonfictie in boekenvorm populair is, ik stel dat voor, om de zogenaamde crisis in de journalistiek te bestrijden, dit genre in meer media toe te passen. Dat is misschien een boude stelling, minder boud overigens dan die van Wiggers over de ambachtelijke journalist die ik mijn artikel noem en, als ik me nog een kleine plaagstoot mag veroorloven, ook iets minder afgezaagd en overbekend dan die van Stronks die zegt dat ieder medium zijn eigen journalistiek creert. Dat kennen we sinds McLuhan nou wel.
Nog wat losse opmerkingen:
- Stronks schrijft: “Mensen kopen een boek omdat het een leuk quasi-intellectueel kado-idee is, en omdat lezen ontspannend is.” Dat vind ik minachting van boekenlezers. Mocht ik eens zo’n opmerking maken over reaguurders en De Nieuwe Reporter was te klein.
- Stronks schrijft over grenzeloze zelfoverschatting. Zo lust ik er ook nog een paar. Zoals deze: het ontkennen van de universele behoefte aan verhalenvertellers, iets dat je in alle tijden en alle culturen aantreft, dat noem ik grenzeloze zelfoverschatting.
- Stronks heeft het over passief publiek. Ik verzet me ten zeerste tegen die term als je het over lezen hebt. Ik heb helemaal niet het gevoel dat ik passief ben als ik lees, in tegendeel juist. Net zo min overigens als ik het gevoel dat ik passief ben als ik tv kijk (of naar de radio luister). Toen ik nog studeerde liet Ien Ang al zien hoe “aktief” de kijkers naar Dallas waren.
12 maart, 2007
Ha, dank voor je reactie. Ook even puntsgewijs:
- Kleine plaagstootjes zijn altijd prima :-) Maar zo’n McLuhaneske ‘The medium is the message’-benadering mag je dan bekend vinden, afgezaagd is hij geenszins. In discussies over journalistiek, ook op DNR, wordt journalistiek meestal als iets mediumonafhankelijks gezien met universele geldigheid. En dan nog hoeft een afgezaagd argument niet onjuist te zijn, integendeel.
- Over dat quasi-intellectuele kado-idee: dat was uiteraard een doelbewuste chargering, om het ook eens van een andere kant te bekijken. Zoals Mark Deuze vaak zegt dat journalistiek een noodzakelijk kwaad is voor adverteerders om consumenten te bereiken, zeg maar. Punt is dat journalisten die discussiëren over de ontwikkeling van de journalistiek als premisses van de discussie hanteren dat journalistiek belangrijk en waardevol is en dat de uitkomst wel moet zijn dat de maatschappelijke rol van journalisten dezelfde blijft, en de behoefte eraan idem dito. Dat leidt volgens mij tot overwaardering van het ‘journalistieke’ in de journalistiek. Daarom zei ik, ter relativering: zo’n boek is ook maar een leuk kado-idee voor veel mensen. Net als dat ik stel dat de primaire functie van de krant is dat mensen het ergens over kunnen hebben bij de watercooler, bijvoorbeeld.
- Ik ontken de behoefte aan verhalenvertellers niet, ik zeg dat ‘verhalenvertellers’ zoiets abstracts is dat je uit het succes van verhalenvertellers in het ene medium geen conclusies kunt trekken over de behoefte aan verhalenvertellers in een ander medium, omdat de rolverdeling en setting (vertellers, luisteraars, communicatieomgeving) zodanig anders is dat je in elk geval heel andere vaardigheden nodig hebt als journalist.
- Over dat ‘passief’: je hebt gelijk, zo’n dichotomie tussen actief en passief gaat mank, het ging me er echter om om de verschillende verhoudingen tussen vertellers en luisteraars aan te duiden tussen verschillende gebruikte media.
12 maart, 2007
@Jeroen: je beschrijving van literaire non fictie vertoont toch veel overeenkomsten met wat ook wel new-journalism wordt genoemd. Misschien tijd voor een revival?
15 maart, 2007
De meeste meningen van de meeste lezers zijn niet interessant. (Die van mij ook niet.) Trouwens, hoeveel bezoekers van deze pagina hebben al deze reacties gelezen? Waarmee ik wil zeggen: ik zou de appels van de literaire non-fictie niet vergelijken met de peren van webdiscussies.
15 maart, 2007
Wat een grappige vergelijking Jim. Ik vind het altijd wel aardig dat je door interactie van elkaar kunt leren. Dat je dan wel die informatie selecteert die voor het specifieke bij jou gaande leerproces van belang is, en je wel moet willen leren, lijkt mij dan weer natuurlijk. En ervan uitgaand dat elk antwoord een nieuwe vraag oproept/mag oproepen.
23 maart, 2007
@Jim: het is mijn ervaring dat de reacties minstens zo goed gelezen worden als de artikelen, op internet. Zie ook Digg en Slashdot, daar zijn de artikelen niet meer dan aanzetjes voor de discussies van lezers die werkelijk relevant zijn. Dat wil niet zeggen dat je alle reacties leest, wel dat reacties relevant zijn.