Een Hutu-meerderheid vermoordde in Rwanda tussen april en juni 1994 meer dan 800.000 Tutsi’s. Hutu-extremisten spoorden de bevolking aan door een haatcampagne via de radiozender Radio Television Libre des Milles Collines (RTLM). Om nieuwe haatcampagnes te voorkomen, pleit hoogleraar internationale communicatie Cees Hamelink voor een internationaal systeem dat de media in conflictgebieden controleert en zonodig een waarschuwing geeft.
Spanningen waren altijd al aanwezig in Rwanda door overbevolking en sociale ongelijkheid veroorzaakt door de verdeel-en-heers strategie van voormalig moederland België. Desondanks hadden de twee bevolkingsgroepen jarenlang in vrede met elkaar geleefd. Hutu’s en Tutsi’s spraken dezelfde taal en trouwden onderling. Maar door haatpropaganda, ook wel ‘hate speech’ genoemd, bleek een vriendelijke buurman te kunnen veranderen in een nietsontziende moordmachine.
De belangrijkste boodschap die Radio Television Libre des Milles Collines (RTLM) verkondigde, bestond uit een waarschuwing aan de Hutu’s dat de Tutsi-gemeenschap een levensgevaarlijke en verschrikkelijke vijand was. De twee groepen in het overbevolkte land kwamen daardoor lijnrecht tegenover elkaar te staan. Een verschrikkelijke massaslachting was het gevolg.
“Elk jaar wordt een groot aantal mensen slachtoffer van genocide, veroorzaakt door effectieve propaganda”, zegt Cees Hamelink, hoogleraar internationale communicatie aan de UvA en de VU en voormalig adviseur van Kofi Annan, de onlangs vertrokken secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Internationaal waarschuwingssysteem
De internationale gemeenschap kan volgens Hamelink geweldexcessen als in Rwanda voorkomen door verspreiders van hate speech voortijdig te berechten. Om dat te bewerkstelligen heeft Hamelink een internationaal systeem bedacht dat de media in conflictgebieden controleert en zonodig een waarschuwing afgeeft; het International Media Alert System (IMAS). Lokale teams rapporteren regelmatig aan een overkoepelend internationaal instituut dat in direct contact staat met het Internationaal Strafhof te Den Haag. Het hof kan zonodig de personen die verantwoordelijk zijn voor de haatpropaganda oppakken en berechten.
“Genocide begint nooit zomaar, dat mensen op een dag besluiten elkaar te vermoorden”, zegt Hamelink. De dodelijke uitwerking van hate speech impliceert dat iedereen die genocide propageert, met welk medium dan ook, berecht moet worden als misdadiger tegen de mensheid. De Rwandese journalisten die Hutu’s aanspoorden te moorden, zijn in 2003 veroordeeld. Twee van hen kregen van het Rwanda Tribunaal in de Tanzaniaanse stad Arusha levenslang. Een derde journalist moet 35 jaar uitzitten.
Het recht heeft voor de Rwandese bevolking gezegevierd, maar wel te laat. Want voordat de journalisten gestraft werden, waren er al honderdduizenden Tutsi’s vermoord. De aanpak die de internationale gemeenschap nu hanteert, namelijk achteraf berechten, werkt niet. Op het moment dat het Internationaal Strafhof de schuldigen veroordeelt, heeft hun dodelijke campagne haar doel al bereikt. Daarom streeft Hamelink naar een aanpak waarbij de internationale gemeenschap optreedt voordat de genocide plaatsvindt. Mensen moeten haatpropaganda daartoe in een zo vroeg mogelijk stadium signaleren. Dan kunnen zij het conflict in de eerste fase smoren en escaleert dit niet tot één met een genocidaal karakter.
Vrijheid van meningsuiting
Vrijwel overal waar Hamelink zijn project presenteert, krijgt hij naar eigen zeggen positieve reacties. Onder anderen van Kofi Annan, van wie hij in 2005 enkele maanden adviseur op het gebied van communicatie was. “Ik heb nog niemand gevonden die het een onzinnig plan vindt”, aldus Hamelink.
Wel bestaat op kleine schaal verzet tegen de uitvoer van het plan. “Een mogelijk gevaar van IMAS is dat het evenwichtige, op feiten gebaseerde verslaggeving criminaliseert omdat het een slechte publieke reactie kan oproepen”, aldus Brian Buchanan van Freedom Forum.
Tala Dowlatshahi van Reporters Sans Frontiers zegt: “Bepaalde onderdelen van IMAS zijn interessant om te onderzoeken. Als de internationale gemeenschap journalisten in conflictgebieden zorgvuldig analyseert, kan dit verslaggevers verzekeren van een open, vrije en democratische werkomgeving – zoals omschreven in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.” Volgens dit artikel, “heeft een ieder recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.”
Dowlatshahi benadrukt wel dat de internationale gemeenschap verslaggevers in conflictgebieden niet moet hinderen tijdens hun werk. “Journalisten in bepaalde regio’s van Afrika, China en Irak zijn al dagelijks slachtoffer van bedreigingen die hun privé-leven beïnvloeden. Het zou een teleurstelling zijn als IMAS deze situatie verergert. Journalisten moeten niet beperkt worden in hun mogelijkheden om de bevolking te informeren over hun land en de actualiteiten.”
Hamelink stelt dat het kiezen is tussen twee kwaden: “Het kwaad van het beperken van de vrijheid van meningsuiting enerzijds, en het kwaad van toelaten van schadelijke uitingen anderzijds.“ Personen die haatpropaganda verspreiden, ontnemen daarmee anderen de vrijheid hun mening te uiten. Tevens ontstaat hate speech vaak in samenlevingen waar de overheid de media streng censureert. Als de internationale gemeenschap de verspreiding van haatpropaganda in een dergelijk land een halt toeroept, neemt de vrijheid van andere media toe.”
Dit lijken duidelijke argumenten. De uitdaging is echter om ze om te zetten in operationele definities. Voordat Hamelink dus kan beginnen met het ontwikkelen van IMAS, is op een aantal gebieden nog onderzoek vereist om de voornemens van Hamelink te vertalen in concrete plannen.
Investeringen
Voor een systeem van deze omvang is veel geld nodig. Naast de benodigde onderzoeken zijn er meer kostenposten. Zo moet een team in de eerste fase van de ontwikkelingen een testproject uitvoeren. Bijvoorbeeld in Afghanistan, waar de eerste tekenen van haatpropaganda zichtbaar zijn. Daarom is Hamelink intensief op zoek naar instanties die IMAS financieel willen ondersteunen. Die lijken zich te bevinden in Zwitserland, een land dat zich graag wil profileren op dit terrein. Momenteel is Hamelink bezig met een projectvoorstel bij de samenwerkende universiteiten in Genève met daarin de vraag of zij bij het Zwitserse ministerie van buitenlandse zaken aandacht voor IMAS willen vragen.
De ontwikkeling van IMAS is een moeizaam proces. Hamelink is echter vastberaden en stort zich vol overgave op een projectvoorstel. “Ik ben een buitengewoon optimistisch mens, het plan is voldoende belangrijk om het echt op de rails te krijgen.”
Pingback: Spotlight Effect - de communicatieblog van Nederland » De rol van de internationale media tijdens de Rwanda genocide