Drie dagen lang confereerde de International Association of Obituarists in de VS over de staat van haar grote liefde, de necrologie. Het genre gaat een zonnige toekomst tegemoet, was een van de conclusies. ‘De babyboomers nemen geen genoegen met een paar zinnen in een advertentie.’
ALFRED, NEW YORK – Ze is enigszins aangeschoten, Alexis Chubrich, aan de vooravond van de 9th Great Obituary Writers International Conference, die van 14 tot 16 juni werd gehouden in Alfred, een universiteitsstadje in het uiterste noorden van de Amerikaanse staat New York.
‘Zie je die man in dat krijtstreeppak?’ zegt Chubrich, terwijl ze met haar hoofd in de richting knikt van Andrew McKie, chef van de necrologiepagina van de Britse krant The Daily Telegraph. ‘Dat is God.’
Gubrich, lerares Engels in Denver en zelfverklaard groupie van de conferentie, zegt het zonder een greintje ironie. ‘Ik lees elke dag zoveel necrologieën als ik kan, en hij is onbetwist de beste.’
Gaandeweg de avond blijkt de groupie niet alleen over McKie in superlatieven te praten. Marilyn Johnson, schrijver van de bestseller The Dead Beat, is ‘de koningin’, Jim Sheeler, Pullitzer-prijswinnaar en schrijver van het boek Obit is ‘de grootste stylist ter wereld’ en Steve Miller van de Wall Street Journal is ‘briljant’.
Al deze grote namen uit de wereld van de necrologie mengen op het terras van café Old West moeiteloos met hun minder bekende vakgenoten en de op de conferentie afgekomen fans van het genre, zoals de groupie.
De sfeer is het best te vergelijken met die van een reünie of een klasuitje. Dit zijn oude bekenden die elkaar minimaal één keer per jaar treffen – voornamelijk dankzij de inspanningen van Carolyn Gilbert alias de Obit Lady, oprichter en voorzitter van de International Association of Obituarists, en organisator van dit congres.
‘Volgens Andrew McKie heb ik deze vereniging alleen maar opgericht om met mijn eigen necrologie in elke krant ter wereld te komen,’ zegt de Obit Lady. Dan, serieuzer: ‘De eerste necrologie die ik schreef was voor mijn eigen dochter, die op vijftienjarige leeftijd is gestorven.
Niemand kende haar zo goed als ik, dus wilde ik het zelf doen. Ik was meteen gegrepen door het genre: zo makkelijk is het niet om iemands leven te vatten in de lengte van een krantencolumn. De vereniging bleek een geweldige manier om onderling ervaringen uit te wisselen en nog beter in het vak te worden.’
Kleenex
Een van de weinige nieuwelingen onder de congresgangers is Esther Hageman, redacteur van de Trouw-pagina Naschrift, die sinds 14 maart elke woensdag in het katern De Verdieping verschijnt. Hageman is in het veleden Binnenhof-verslaggever voor de Volkskrant geweest. Bij Trouw is ze zeven jaar chef onderwijs geweest, waarna ze overstapte naar het katern De Verdieping. Ze vindt haar nieuwe rol bij de krant een verademing.* ‘Mensen in de rouw zijn op hun best. Die vertellen wat ze voelen en doen niet aan politiek.’
Hageman verdeelt de doden in drie categorieën. Er zijn de A-doden, ‘morgen in de krant’: beroemdheden als Beatrix of Gerard Reve, die vanwege hun nieuwswaardigheid de volgende dag op de eerste pagina staan. Die necrologieën liggen al klaar. Dan zijn er de B-doden, ‘maar een klein beetje beroemd’. Als voorbeeld noemt ze de uitvinder van de ballpoint, de Hongaar László Bíró (1899-1985). ‘Iedereen heeft ballpoints in huis, maar wie weet er nou dat Bíró de uitvinder ervan was?’ Als laatste zijn er de C-doden: ‘nooit van gehoord, maar een mooi leven om te beschrijven’.
Voor die laatste twee categorieën doden heeft Trouw de pagina Naschrift in het leven geroepen. ‘De mensen vreten het,’ stelt Hageman tevreden vast.
Voor een goede necrologie duik je in het leven van de nabestaanden, vertelt Hageman. Trek je een vriendenkring in. ‘Mijn eerste verhaal voor deze pagina ging over Katalin Ferentzi, een vrouw die gek was geworden en de laatste twintig jaar tot haar dood haar kinderen niet meer had gezien. Ik ben met die kinderen – inmiddels volwassen – over haar gaan praten. Het was een van die gevallen dat ik met de Kleenex moest klaarstaan.’
Dit soort verhalen zoekt Hageman zelf uit – bijvoorbeeld aan de hand van rouwadvertenties of tips van lezers. ‘Het kwartje moet vallen.’
Maar er zijn nu eenmaal ook A-doden waar je niet omheen kunt, of die ‘ongelegen’ komen. ‘Ik zou er graag invloed op willen hebben wie er wanneer gaat,’ verzucht ze.
Grimmig
De volgende ochtend worden de congresgangers bij de ingang van de conferentiezaal op de campus van Alfred University verwelkomd door een zwarte lijkkist, waarop staat geschreven: ‘Welcome to Alfred, obituarists! We were dying for you to come.’ Het zou niet het laatste staaltje grimmige humor zijn tijdens de driedaagse bijeenkomst.

Als de congresgangers allen gezeten zijn, is het tijd voor een welkomstwoord van Obit Lady Carolyn Gilbert, gevolgd door een ‘voorstelrondje’. Aangekomen bij de groupie, roept een deelnemer dat hij de perfecte kop boven haar necrologie heeft: Death Drunk.
Als Hageman zichzelf aan haar nieuwe collega’s voorstelt, grijpt ze de gelegenheid aan om nog eens de ontdekker van de ballpoint als voorbeeld van een B-dode aan te halen, Ze wordt echter halverwege onderbroken door de bariton van Andrew McKie, die triomfantelijk brult: ‘Dat was László Bíró, Hongaar, gestorven in 1985!’
Het is exemplarisch voor de onvoorstelbare hoeveelheid encyclopedische kennis waarover dit slag journalisten beschikt. Hier weet iedereen dat Mstislav Rostropovich niet alleen een vermaarde cellist was, maar ook een politieke dissident tijdens de Sovjet-Unie. En het is niemand ontgaan dat Kurt Vonnegut, Richard Rorty en Kurt Waldheim net zijn overleden. Pas als McKie schijnbaar achteloos uit zijn mouw schudt dat er in Engeland nog zeven Eerste Wereldoorlog-veteranen in leven zijn, waarvan er één op de dag van de herinnering van D-Day 111 is geworden, moet de rest van de groep passen.
Cliché
Aan de branieachtige sfeer van morbide grappen en het pochen met kennis komt al gauw een einde als even later Jim Sheeler, die in 2006 een Pullitzer-prijs won voor zijn feature over families van gesneuvelde Irak-soldaten (The Final Salute), achter het katheder plaatsneemt.
Het valt dan ook niet mee het droog te houden bij Sheelers verhalen. Zo is er de 76-jarige zoon die tot het einde voor zijn 105-jarige vader had gezorgd. Hoe vaak hadden de twee wel niet samen op de veranda een fles bier gedeeld? En toch had hij nooit tegen de afstandelijke vader gezegd: ik hou van je. Pas toen de oude man op sterven lag, sprak hij eindelijk die drie beladen woorden. En wat bleek? Het was makkelijk.
Of neem het verhaal over de 23-jarige weduwe die het Amerikaanse leger verzocht of ze in de tank mocht zitten waarin haar man in Irak was gestorven. De tank heette Home Sweet Home en bleek kleiner dan ze zich ooit had voorgesteld. Ze bleef maar denken: in dit kleine hol is mijn man gestorven. En hij was zoveel groter dan ik.
‘Als necrologieschrijver wordt me vaak gevraagd hoe ik met de dood omga; hoe treurig het moet zijn om deze verhalen te schrijven,’ vertelt Sheeler na zijn lezing. ‘Maar het is juist het tegenovergestelde. De mensen die ik interview, leren me hoe ik moet leven.’
Het hardnekkige beeld dat de death beat het slechtste baantje is op de redactie, is volgens Sheeler dan ook grote onzin. ‘Het is het best bewaarde geheim in de journalistiek – hier komt alles bij elkaar: een goede pen, inzicht in de menselijke natuur en de meest verfijnde
interviewtechnieken.’
Voor Sheeler draait interviewen om veel meer dan vragen stellen. ‘Het is verbazingwekkend wat je opvangt door er gewoon bij te zitten en te luisteren. Dan hoor je opeens een zinnetje als: je realiseert je pas hoeveel lawaai een oude vrouw kan maken, als ze er niet meer is.’
Als hij dan toch vragen stelt, dan juist de vraag die overbodig lijkt. ‘Als iemand bijvoorbeeld zegt: hij zou het overhemd dat hij zelf draagt nog weggeven, dan vraag ik: heb je hem dat ooit zien doen? Je moet proberen voorbij het cliché te komen.’
Afsluiting
Trouw-redacteur Hageman is overigens, samen met een Puertoricaanse professor journalistiek, de enige congresdeelnemer die niet uit een Angelsaksisch land komt. De bulk van de veertig deelnemers komt uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk of Canada. Niet vreemd, gezien de grotere status die de necrologie als journalistiek genre geniet in het Angelsaksisch taalgebied, vergeleken met elders in de wereld. Het verschil betreft vooral necrologieën van gewone mensen – beroemdheden krijgen overal ter wereld wel een necrologie.
Verschillende deelnemers wagen een poging dit verschil te verklaren. Zo zouden mensen op het Europese continent een ander idee hebben van de eindigheid van the leven, oppert Bob Chaundy van de BBC. ‘Dat zie je ook in de films van Pedro Almodovar of Ingmar Bergman, waar de doden in en uit lopen. De doden blijven een rol spelen in het leven. Wij willen juist afsluiten. En dat is wat een necrologie is: een afsluiting.’
Andrew Losowsky, een Britse freelance journalist, denkt dat de liefde voor populaire geschiedenis in de Angelsaksische wereld een rol speelt. ‘Necrologieën over gewone mensen zijn ook een vorm van populaire geschiedenis.’
Wat de reden voor het verschil in traditie ook is, feit is dat het genre wereldwijd de wind mee heeft, denkt McKie. ‘Op de golf van human interest in de media komt er meer aandacht voor profielen en biografieën. Dus ook voor necrologieën en ook buiten Engeland en Amerika.’
De ontwikkelingen in het kleine Nederland lijken McKie’s voorspelling te bevestigen. Naast de al langer bestaande wekelijkse necrologierubrieken in Elsevier (Leven & Dood) en de Volkskrant (Uit het leven), wijdt Trouw dus nu wekelijks minimaal een hele pagina aan necrologieën.
Niet onbelangrijk in deze is dat de babyboomers nu beginnen te sterven, merkt de groupie als laatste op. ‘En de me generation neemt geen genoegen met een paar zinnen in een advertentie. Die willen hun levens uitvergroot zien.’
Zondag een tweede verslag van de conferentie van International Association of Obituarists.
* Informatie over Hageman toegevoegd.