Gezag Raad voor de Journalistiek is nooit onderzocht

Is de Raad voor de Journalistiek een bijtgrage gorilla, waarmee een journalist beter het oogcontact mijdt? Of toch een tandenloze tijger, waar niemand zich een bal van aantrekt? Na Hans Mentink met zijn proefschrift ‘Veel raad, weinig baat’ (Rotterdam, 2006) laat nu ook de studiecommissie van de vereniging voor Media- en Communicatierecht (VMC) met zijn rapport ‘Klachten over mediapublicaties’ (Amsterdam, 2007) de lezer in een gedachtenspagaat achter. Want hoe kunnen uitspraken van een instantie, die door de beroepsgroep niet serieus genomen zou worden, nu toch een ‘chilling effect’ op journalisten hebben?

Mentink deed onderzoek naar “nut en noodzaak van de Nederlandse Raad voor de Journalistiek”. De directe aanleiding daartoe vond hij in de tijd dat hij voor oud-burgemeester Bram Peper van Rotterdam als raadsman optrad in de zogeheten ‘bonnetjesaffaire’. Toen Mentink op een persconferentie meedeelde dat hij in deze kwestie ook naar de Raad voor de Journalistiek zou stappen, viel hoongelach hem ten deel, zo vertelde hij meermalen. Vervolgens ging hij met betrekking tot de Raad voor de Journalistiek van alles en nog wat onderzoeken, zoals de historie van de Raad, overeenkomsten en verschillen in uitspraken van de Raad voor de Journalistiek en de rechter en de situatie in andere Europese landen. Maar onderzoek naar het gezag van de Raad in de beroepsgroep deed Mentink niet, evenmin als naar ‘klanttevredenheid’ van klagers bij de Raad. Niettemin vormde een “gesignaleerd gebrek aan maatschappelijke erkenning van de Raad” het belangrijkste uitgangspunt van zijn dissertatie.

De door drie professoren en vier ‘gewone’ juristen bemande commissie van de VMC zegt het wat meer omfloerst: “Het ‘gezag’ van de Raad en daarmee van zijn uitspraken is niet vanzelfsprekend”. Maar het komt op hetzelfde neer: binnen kringen van journalisten doet de Raad er niet toe. Ook de VMC-commissie heeft op dit punt geen huiswerk in de vorm van eigen onderzoek gedaan. Men lijkt zelfs een aantal gebeurtenissen te hebben gemist en blind te varen op wat daarover te lezen valt in ‘Veel raad, weinig baat’.

Elsevier
Zo blijft rondzingen, dat Elsevier – van wie de hoofdredacteur nu voorzitter is van een genootschap dat behoort tot de instandhoudende instanties van de Raad – die Raad niet zou erkennen. Maar Elsevier publiceerde onlangs wel de uitspraak van de Raad (RvdJ 2006/90) van een tegen haar gerichte klacht in haar rubriek ‘Correcties’. Evenzo wordt de mythe levend gehouden dat De Telegraaf nooit verschijnt voor de Raad. Terwijl in de zaak van Volkert van der G. tegen De Telegraaf eerder dit jaar toch één verslaggever en één lid van de hoofdredactie van De Telegraaf in het gezelschap van een gespecialiseerde advocaat ter zitting verschenen. HP/De Tijd – ook een tijdschrift dat zich altijd kritisch heeft opgesteld tegenover de Raad – voerde op 27 april jongstleden wel verweer tegen een klacht van Peter R. de Vries bij de Raad (uitspraak nog niet gepubliceerd). En interessant is ook wat oud-NRC-hoofdredacteur Folkert Jensma tijdens de discussiemiddag naar aanleiding van het VMC-rapport op 1 juni jongstleden vertelde over hoe binnen zijn redactie werd omgegaan met klachten bij de Raad tegen publicaties in zijn krant. Dat leidt altijd tot een uitvoerige bespreking met de betreffende verslaggever over de wijze waarop het verhaal tot stand is gekomen. ‘Veel nuttiger dan een functioneringsgesprek’, aldus Jensma.

Valt er dus over de stelling dat de Raad nauwelijks gezag heeft wel wat meer te zeggen, degenen die de stelling betrokken hebben menen niettemin tegelijkertijd dat de uitspraken van de Raad een zogeheten ‘chilling effect’ op journalisten hebben en daarom een inperking van de uitingsvrijheid kunnen betekenen.

Noodzakelijkheidstoets
Het is opnieuw Mentink die het ‘chilling effect’ in de discussie heeft gebracht. In ‘Veel raad, weinig baat’ stelt hij dat de Raad voor de Journalistiek zich bij zijn uitspraken dient te houden aan de noodzakelijksheidstoets van artikel 10 lid 2 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), zoals ook de rechter dat moet doen. De Raad denkt daar anders over: hij acht zich niet gehouden aan artikel 10 lid 2 EVRM, omdat hij een Raad van Opinie is en geen Raad van Tucht. De Raad voor de Journalistiek kan zijn oordeel geven over een klacht, maar aan dat oordeel geen sancties verbinden. Dus kan hij de uitingsvrijheid ook niet inperken. Maar dan is er volgens Mentink het chilling effect. Ook uitsluitend opiniërende en niet-gesanctioneerde uitspraken kunnen een zodanige impact op leden van de journalistieke beroepsgroep hebben, dat “journalisten uit angst voor het oordeel van de Raad zichzelf gaan censureren”.

Ook de VMC-commissie voert het chilling effect ten tonele. Dat de Raad geen sancties oplegt vindt de commissie een slecht argument. “Afgezien van het feit dat de Raad zich met dit argument bij voorbaat buitenspel plaatst, is het argument ook onjuist, omdat ook punitieve opinies een chilling effect beogen te hebben.” Punitief? Ervaart een journalist een gegrondverklaring van een tegen hem gerichte klacht dan toch als een straf? Beoogt de Raad met zijn uitspraken een journalist tot zelfcensuur te brengen? En hoe moeten wij ons dat dan in de praktijk voorstellen? Zou een journalist afzien van publicatie van een ernstige beschuldiging, omdat hij weet dat de Raad voor de Journalistiek vindt dat je in zo’n geval wederhoor moet plegen?

Het is een merkwaardig fenomeen: een instantie zonder gezag in journalistieke kring, waarvan de uitspraken journalisten tot zelfcensuur drijven.

Effect in de beroepsgroep
Zou het – voor we nu verder gaan met het uitwerken van de meer en minder ingewikkelde ideeën van de VMC-commissie over alternatieven voor het behandelen van klachten over mediapublicaties – niet nuttig zijn als nu eens echt onderzocht zou worden hoe journalisten denken over de Raad voor de Journalistiek? Dan zouden we er achter kunnen komen of de uitspraken van de Raad geen enkel effect hebben in de beroepsgroep of dat er wel degelijk sprake is van een ‘chill factor’ van de oordelen van de Raad. Want het is van tweeën één. Voor een tandenloze tijger hoeft niemand bang te zijn.

Nu de Raad voor de Journalistiek zich verheugd weet in de belangstelling van een gezelschap met een zo hoog wetenschappelijk gehalte als de VMC-commissie, moet er toch bij deze of gene universiteit wel iemand te vinden zijn, die in zo’n onderzoek zijn tanden zal willen zetten…

Marnix Kreyns schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel.

3 reacties

  1. Een korte opheldering wat betreft de positie van Elsevier. Inderdaad erkent Elsevier sinds januari 2000 de Raad voor de Journalistiek niet (maar betaalt overigens via de uitgever wel mee aan de financiering van de Raad). Het niet-erkennen (om een aantal redenen) houdt in dat we niet verschijnen op de zitting en niet schriftelijk reageren. De afgelopen 7,5 jaar heeft de Raad zich slechts een keer over een gedraging van Elsevier uitgesproken en die opinie hebben we inderdaad gepubliceerd, een kwestie van fatsoen, sportiviteit en liberale inborst.

  2. Arno van 't Hoog schreef op 8 juni 2007 om 22:10

    “Het is een merkwaardig fenomeen: een instantie zonder gezag in journalistieke kring, waarvan de uitspraken journalisten tot zelfcensuur drijven.”

    Inderdaad een intrigerende paradox

    Het merendeel van de klachten bij de Raad draait om beschuldigingen / wederhoor (daar heb ik geen onderzoek naar gedaan, maar die indruk krijg ik).

    Wie de ruggegraat niet kan opbrengen om zijn onderwerp van potentiele beschadiging recht in de ogen te kijken en een reactie te vragen, is al in een veel vroeger stadium slachtoffer van zelfcensuur.

    Dat chill effect is een hypothese uit het ongerijmde, totdat onderzoek anders uitwijst.

  3. De heer Kreyns reageert op een rapport van een wetenschappelijke studiecommissie van de Vereniging van Media en Communicatierecht dat op haar vergadering van 1 juni 2007 is besproken. Dit rapport is te vinden op http://www.ivir.nl/publicaties/dommering/klachten_over_mediapublicaties.pdf . In deze studie onderzoekt de Commissie onder meer of er bevredigende alternatieven zijn voor de in haar ogen niet optimaal functionerende Raad voor de Journalistiek. Een van de oorzaken die de Commissie signaleert is dat het onduidelijk is wat de Raad nu eigenlijk doet: genoegdoening geven aan klagers in de vorm van rectificaties of tuchtrechtelijke oordelen geven over het handelen van journalisten. Ter vergadering bleek (Kreyns citeert Folkert Jansma) dat journalisten de Raad meestal in de laatste rol zien. Het misverstand bij Kreyns is dat hij niet ziet dat ook het geven van een negatief waardeoordeel een tuchtrechtelijke functie kan hebben en als zodanig een ‘chilling effect’ kan hebben. De Commissie beveelt aan de functie van genoegdoening van de klager en de tuchtrechtelijke functie beter uit elkaar te halen. Daarnaast beveelt zij de instelling van een Ombudsman aan die klachten snel kan afdoen. Het rapport gaat ook diep in op de vraag hoe uitspraken van de Raad juridisch afdwingbaar kunnen zijn. Die ontbreekt thans immers ten enemale. Dat is iets anders dan de vraag of de Raad bij sommigen binnen de branche al of geen feitelijk gezag heeft. Dat is de enige vraag die Kreyns in zijn stuk behandelt.

    Prof. mr. E.J. Dommering.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>