Onderstaand stuk is een reactie van de Raad voor de Journalistiek op de discussie over de uitspraak van de Raad inzake het boek ‘De orkaan Ayaan’ van Hans Wansink en Sara Berkeljon. Eerder verschenen op De Nieuwe Reporter artikelen over dit onderwerp van de hand van Kees Driehuis en van de beide auteurs van het boek.
De Raad voor de Journalistiek sprak zich op 23 april jl. uit over een klacht van K. Driehuis en J. van Dongen betreffende het boek “De orkaan Ayaan – verslag van een politieke carrière” van de hand van S. Berkeljon en H. Wansink. (zie: www.rvdj.nl/2007/21). Over deze uitspraak verschenen inmiddels verschillende reacties op De Nieuwe Reporter. Daarin is onder meer gediscussieerd over de Zembla-uitzending over Ayaan Hirsi Ali. Voor de duidelijkheid: in zijn uitspraak heeft de Raad voorop gesteld dat hij zich niet over die uitzending uitliet, omdat de klacht niet daartegen was gericht.
Kern van de klacht van Driehuis en Van Dongen was dat geen wederhoor was toegepast. Volgens de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen in het algemeen meebrengt dat hij wederhoor dient toe te passen. Dit betekent dus niet dat een journalist in álle gevallen wederhoor zou moeten toepassen en dat een publicatie die zonder wederhoor tot stand is gekomen ‘per definitie ondeugdelijk zou zijn’. In de Leidraad die de Raad onlangs heeft gepresenteerd is helder uiteengezet wanneer een journalist wél en wanneer hij géén wederhoor behoeft toe te passen. (zie punt 2.3. van de Leidraad, die is gepubliceerd op de website van de Raad: www.rvdj.nl)
In de Zembla-zaak was dan ook de vraag aan de orde of de drie bewuste citaten dermate ernstige beschuldigingen inhouden, dat wederhoor plaats had moeten vinden. Bij zijn beoordeling heeft de Raad uitdrukkelijk in het midden gelaten of de citaten wel of niet waren uitgesproken. Volgens de Raad konden geen van álle bronnen – dus niet alleen die aan de zijde van Hirsi Ali, maar ook die aan de zijde van klagers – als van elkaar onafhankelijke bronnen worden gezien.
Belangrijk was dat Berkeljon en Wansink de citaten als feitelijk juist hadden gepresenteerd en bovendien zodanig in de context hadden geplaatst dat weinig ruimte werd gelaten voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van Driehuis en Van Dongen niet deugt. (zie bijvoorbeeld de passage: “Ook zegt hij (Van Dongen) tegen Hirsi Ali: ‘Het is eigenlijk jammer dat je mee wilde werken’. Als zij had geweigerd op de beelden te reageren, was dat hem beter uitgekomen.”) Die suggestie tast volgens de Raad de integriteit van Driehuis en Van Dongen als programmamakers van ‘Zembla’ aan en is uitermate diffamerend. En dát maakte dat Berkeljon en Wansink wederhoor hadden moeten toepassen.
Ten slotte verdient nog opmerking dat de Raad een orgaan van zelfregulering is. Dat betekent dat de Raad is ingesteld door de beroepsgroep zélf. In de Stichting Raad voor de Journalistiek participeren alle grote media-organisaties (zie www.rvdj.nl onder ‘Stichting’). Reeds om die reden is simpelweg onjuist, dat de Raad binnen de beroepsgroep weinig gezag zou hebben. Verreweg de meeste media en journalisten werken mee aan de procedures bij de Raad en publiceren de uitspraken als een klacht (deels) gegrond is verklaard. Met zijn uitspraken beoogt de Raad bij te dragen aan het debat over journalistieke mores. Gezien de discussie bij De Nieuwe Reporter lukt dat aardig.
Eén reactie