De term commerciële journalistiek, zoals gebruikt door Henri van der Steen in ‘Sportverslaggeving – als het maar beweegt en in kleur’, is natuurlijk een contradictio in terminis. Het is net zo’n treurige aanduiding als ‘goed doel’ voor een organisatie die geld inzamelt voor arme kindertjes in Afrika maar altijd precies de wettelijk toegestane tientallen procenten daarvan spendeert aan rijke, populaire, weldoorvoede, zogenaamde ambassadeurs uit Nederland en de bijbehorende tv-productiemaatschappijen. Journalistiek kan niet commercieel zijn omdat daarmee de eerste regel waar journalistiek aan moet voldoen, namelijk de volledige vrijheid van handelen, meteen wordt overtreden.
In alle onderdelen van de journalistiek proberen belanghebbenden en dan vooral commerciële belanghebbenden invloed te verwerven. Maar in geen enkel onderdeel van de journalistiek is dat zo goed gelukt als in de sportverslaggeving. Met cadeautjes, reizen en desnoods mooie meiden zullen journalisten in alle sectoren ongetwijfeld te paaien zijn, maar het resultaat daarvan in beeld of druk doet al gauw geforceerd en ongeloofwaardig aan. Bovendien zit het betrokken journaille vandaag bij de ene bank en morgen bij de andere oliefirma, waardoor het al gauw een kwestie wordt van het ophalen van presentjes in ruil voor hooguit kritiekloze en zouteloze stukjes, die vanzelf onleesbaar worden. Het zet pas zoden aan de dijk wanneer aan de lopende band schitterende, onthullende, sensationele verhalen worden geschreven zonder dat iemand het vermoeden kan hebben dat daar een aardigheidje tegenover heeft gestaan. Maar dat is hoogst zelden het geval. Want dat is al snel een gevaarlijk en ingewikkeld proces, omdat het ook voor beide partijen een geheime operatie moet blijven, anders zitten we al snel met omkoping en diverse geknakte carrières.
Elke journalist voor welk medium dan ook moet zichzelf eerst bewijzen als een betrouwbare onafhankelijke vakman, die per persconferentie bekijkt wat een aardigheidje is en waar beïnvloeding begint. Een journalist heeft, even afgezien van zijn thuisfront en samen met collega’s urenlang wachtend aan de bar, een zeer eenzaam beroep.
CPN-leden
Natuurlijk, in de praktijk is het overal een beetje behelpen, maar in de sportjournalistiek heel erg. Toen in de jaren zeventig, door de opkomst van de televisie, de topsport commerciëler werd, bleek al snel dat veel verslaggevers tevens fans waren en lang niet altijd in die volgorde. Waar op krantenredacties gelachen werd om (wijlen het dagblad) De Waarheid waar CPN-leden dansten naar het pijpen van het partijbestuur, daar werd in eigen gelederen helemaal niet vreemd opgekeken van de rare relaties tussen verslaggevers en topsport. Het beperkte verzet tegen die commercialisering en tegen de nieuwe rol die de media opgedrongen kregen, die van gratis reclamemakers, werd liever belachelijk gemaakt. En waar de eerste grondregel van de journalistiek daarmee weliswaar dikwijls openlijk overtreden werd, moest iedereen ervan uitgaan dat voor de betrokken verslaggevers die grondregel helemaal niet nodig was, omdat zij juist helemaal niet vatbaar waren voor welke vorm van beïnvloeding dan ook.
Ik zeg niet dat journalisten omgekocht werden, want de cadeautjes en de aardigheden waren daar niet duur genoeg voor. Maar er was iets anders, iets aantrekkelijkers dat de commercie te bieden had: the sweet smell of succes. Sporters gingen beter presteren, kwamen op belangrijke toernooien uit, moesten van dag tot dag gevolgd worden en geleidelijk aan ontstond een sfeer waarbij het succes tevens begon af te stralen op de journalisten. Zoals in Den Haag verslaggevers het soms over ‘mijn’ minister hadden, waarbij ze het hadden over de minister op het departement waar zij geacht werden in gespecialiseerd te zijn, defensie of landbouw, daar waren sportjournalisten soms werkelijk ten nauwste betrokken bij de sporters. En niet alleen omdat ze van hun chef moesten optreden als ghostwriters voor sporters. Dat werd nog versterkt doordat de sportjournalistiek steeds minder een feitelijke, beschrijvende vorm van het sportnieuws behelsde, maar een emotionele eruptie werd, waarbij niet zelden de grootste onzin die een sporter direct na een wedstrijd kon uitkramen centraal werd gesteld als was het Gods woord uit een ouderling.
Uit die periode dateren ook de eerste adviseurs, voorlichters en public relations volk, de échte commerciële journalisten, die de pikorde kenden in de media en regelend optraden: wáár het nieuws als eerste gedropt moest worden en waar een interview van pas kon komen. Journalisten die kien waren op nieuwtjes die hun waarde bevestigden, moesten goede vriendjes worden met de sporters, in de juiste cafés komen, hun interesses en hun vriendinnen kennen, desnoods delen. En weten wanneer te zwijgen. In geen enkel onderdeel van de media lopen zoveel mensen rond die beweren ‘alles’ te weten zonder dat aan hun lezers of kijkers door te geven, als in de sportjournalistiek.
Sportblindheid
Het waren allemaal veranderingen die zich niet verstonden met een onafhankelijke verslaggeving. Maar een journalist kon de feiten niet veranderen, een Nederlandse club bij een nederlaag niet tóch laten winnen. Alleen, de manier waarop het resultaat verpakt was, verlies met een grote strik er omheen, telde volop mee in de bestendige relatie tussen sporter en verslaggever. Dat was een werkverdeling die bovendien wonderwel paste bij de wensen van de lezers en kijkers. Zij wilden de sportwaarheid soms wel onder ogen zien, maar liefst zodanig verteld dat het een beetje tegemoet kwam aan hun eigen emoties.
In de sportuitzendingen en op de sportpagina’s was dat vooral mogelijk omdat in de media volop amateurs en liefhebbers doende waren (en vaak nog steeds zijn) met de verslaggeving van ‘hun’ sport. Behalve dat ze dikwijls elke week bij dezelfde clubs zaten, ‘hun’ clubs namelijk, telde ook mee dat ‘hun’ sport geen kritiek veelde. Ze stelden zich pontificaal op tussen all that’s fit to print en hun afnemers.
Zo werd, stap voor stap, de journalistiek een onderdeel van het onderwerp waarover bericht moest worden. Logisch en extreem: wie een maand lang met een handvol Nederlandse wielrenners door Frankrijk trekt, krijgt vanzelf een band met die lui. Wie winter na winter achter ongeveer hetzelfde groepje van twintig schaatsers en schaatssters aan trekt, ontkomt niet aan een steeds persoonlijker wordende relatie, die nog eens bovenop alle andere, bestaande verstrengelingen komen. En als het geen hobbyisme was, fanatisme of vetederende sportblindheid, dan was het wel nationalisme dat hen over het randje van de commerciële journalistiek dreef.
Tim Krabbé
In de afgelopen dertig jaar zijn die verhoudingen, vooral door toedoen van de televisie, tussen waarnemers en de feiten steeds inniger geworden en dikwijls bepalend voor het totaalbeeld. Waar de journalistiek bij de commerciële opdringerigheid juist steeds kritischer had moeten worden, daar heeft de sportjournalistiek zich niet zelden laten meeslepen. Een Catch 22, want de commerciële motieven van de sport bleken dikwijls parallel te lopen met de commerciële opdrachten van een krant, blad of tv-station en wie kan dan nog spreken van verloedering? Dat versterkte de teneur van de verslaggeving alleen maar. Het Algemeen Dagblad en Voetbal International, door Van der Steen nadrukkelijk aangewezen als centra van de commerciële journalistiek, hebben zichzelf in dat landschap allang belachelijk gemaakt als bereidwillige hielenlikkers naar alle kanten zolang het volgens marktonderzoek maar een extraatje zou moeten opleveren.
Terwijl de pers zich graag met de zoete geur van overdreven heiligheid mag omgeven, terwijl er kaarsjes gebrand worden voor de onafhankelijkheid, de eerlijkheid, het open vizier, de democratie en wat er nog meer aan belangwekkende criteria in de verschillende codes wordt genoemd, en er met afschuw wordt gewezen naar landen waar de media worden geringeloord, daar wordt schouderophalende voorbij gegaan aan de staat van de sportjournalistiek. Dat is extra pijnlijk, zoals Van der Steen ook laat zien, omdat binnen kranten en omroepen, op andere redacties en in de leidinggevende sectoren de sport net zo serieus wordt genomen als de lichtste entertainmentindustrie: Paris Hilton of Michael Boogerd. In die uitdragerij bewaakt zelfs de journalistiek de sportverslaggeving al niet eens meer.
Zo wordt begrijpelijk waarom de sportjournalistiek niet uit voeten kan met doping in de wielrennerij. Dat vraagt om een vrijwel vergeten impopulaire instelling. Hoewel Maarten Ducrot minstens driemaal daags het tegendeel beweert, de Tour wacht weldegelijk op iemand.
Ter vergoelijking, het is ook een buitengewoon complex probleem. Niemand is vóór doping, voor dat standpunt wordt meestal een medicus (,,professor”) of Tim Krabbé besteld. Maar ook niet iedereen is tégen doping. Het punt is alleen, er wordt nog steeds gebruikt en dus betrapt. Officieel zijn ze er in het wielrennen allang uit. Dat is niet de kwestie. Het probleem is dat de journalistiek als medespeler onderdeel is van het probleem. Daarom weet de sportjournalistiek het vaak ook niet meer. In de verslagen en reportages slingeren ze heen en weer tussen ethische kwesties, gezondheidsperikelen, het gelijk van de markt, goede relaties en oude vriendschappen. Zie alleen al hoe de kwestie Rasmussen in Nederland vanwege ‘onze’ Raboploeg wordt behandeld en hoe daar in andere landen heel anders over wordt gedacht. Of hoe de voorzitter van de internationale wielerunie ineens wordt aangepakt omdat hij aan Rasmussen komt, terwijl er toch werkelijk alle aanleiding was om de man eerder eens stevig bij de lurven te vatten. Zie hoe de veronderstelde onaangename Franse volksaard er meteen bij gehaald wordt wanneer iemand uit dat land een standpunt over doping heeft. Zie de bijkans krankzinnige manier waarop gereageerd is op de Duitse pogingen om in elk geval het ergste vuil op te ruimen. Zie hoe de enkele maanden geleden nog steevast als een gentleman aangeduide Erik Zabel van zijn voetstuk is gestoten, met tussen de regels door méér dan een vermoeden dat hij niet één keer een testpiloot is geweest maar natuurlijk een vaste klant was.
Gekke Henkie
De hele discussie wordt al tientallen jaren in de versukkeling geholpen door persoonlijke voorkeuren, goede vrienden en nationalisme. En dan zijn er ook nog de commerciële belangen die dwars door dat verhaal heen lopen. Als de dopingkwestie te dichtbij komt, vinden we ineens zoveel nieuwe aspecten aan de zaak, dat wij alle misstanden van de wereld helder kunnen duiden, behalve doping in de sport.
De ene na de andere ploegleider die door Mart Smeets op de Nederlandse televisie geïntroduceerd werd als nog zo een gentleman in de sport, gekamde haren, stropdas om, keurig met twee woorden spreken, helder standpunt over doping, blijkt hem op alle manieren te hebben bedot, belazerd, bedonderd en betoeterd. Smeets is geen uitzondering. Er is geen betere reden om te zeggen: het is mooi geweest, we zijn gekke Henkie niet, onze aanpak deugt niet, wij weten en anders hadden we het kunnen weten dat de kluit belazerd wordt, dat wij in de maling genomen worden, het is hoogtijd om op een andere manier verslag te doen van het wielrennen.
Maar nee, dan besluiten ARD en ZDF om als helder signaal maar eens even te stoppen met de wielerverslaggeving, en dan hangt de hele journalistiek godbetert aan de nobelste en hoogste journalistieke motieven. Dan heeft de leiding van de NOS met dagelijks vele uren Tour de France op het programma het ineens over een dure journalistieke plicht om alles te blijven vertonen. Duur zal de plicht ongetwijfeld zijn, maar journalistiek? Met de ouderwetse liefhebber, hobbyist en fan in grote verwarring Maarten Ducrot dagelijks urenlang aan de microfoon?
2 reacties