Ooit werden Jaap Stam, Frank de Boer en Edgar Davids betrapt op doping. Dat kon natuurlijk niet waar zijn. Gezonde Hollandse jongens die zouden slikken of spuiten, het was schier bespottelijk. De voetbaljongelui reageerden natuurlijk verontwaardigd en lieten hun zaakwaarnemers de peperduurste advocaten aanrukken om de zaak af te handelen. Dat lukte deels: de spelers werden veroordeeld, maar zodanig dat ze nauwelijks een wedstrijd hoefden te missen. Ik herinner me uit die dagen dat de media de ontkenningen van onze helden braaf noteerden en zich het liefst verre hielden van enig oordeel. Ik heb mijn stukjes over die affaire gelukkig met het grootst mogelijke wantrouwen bij elkaar getikt.
Jaap Stam ging zo ver een Groningse professor te consulteren die uiteindelijk tot de bevinding kwam dat Jaaps lichaam zo eigenaardig in elkaar zit dat het uit zichzelf verboden stoffen produceert. Elke derde keer liep Jaap aldus kans tegen de lamp te lopen bij een dopingcontrole. Ik heb dat goed onthouden. Alleen al in september en oktober 2001 werd Stam in Italië drie keer gecontroleerd, één keer dus met positieve gevolgen. Zou Jaap sindsdien geen drie keer meer zijn gecontroleerd…? Niettemin is Stam nooit meer in verband gebracht met doping.
Het Algemeen Dagblad kwam die dagen met een paginagroot verhaal onder de kop ’Duivelse opdracht voor Jaap Stam’. Dat was de insteek: hoe moest arme Jaap zich in hemelsnaam verweren tegen een test die aan het licht had gebracht dat hij nandrolon in zijn lijf had, meer dan het dubbele van de maximaal toegestane waarde. En die maximaal toegestane waarde was volgens dopingwetenschappers eigenlijk al twee keer te hoog…
Commerciële journalistiek
Het AD is een krant die wel vaker bericht vanuit het belang van de sporter – of van hem die populair is bij het volk. Het is een vorm van commerciële journalistiek die elders zelfs met een zekere trots wordt uitgedragen. Hoofdredacteur Johan Derksen van Voetbal International heeft vaak genoeg uitgelegd hoe ’het werkt’: als het Nederlands elftal wint, is de bondscoach goed bezig. Wordt er verloren, dan wordt de man afgezaagd. Want dan merken we dat aan de losse verkoop, redeneert Derksen. En dat moeten we niet hebben.
Johan heeft het overigens commercieel voortreffelijk voor elkaar: zijn pontificale aanwezigheid bij Voetbal Insite heeft van hem een verbaal begaafde, mediagenieke persoonlijkheid gemaakt, wat natuurlijk nooit weg is: gratis reclame voor zijn blad. Zo zorgt Hugo Borst elke zondagavond bij Studio Voetbal voor gratis reclame voor het AD; elke week gooit Hugo er wel een nieuwtje of bewerkinkje uit zijn eigen krant tegenaan. Kassa! Het valt in beide gevallen (Voetbal Insite en Studio Voetbal) trouwens op dat de heren analytici de indruk wekken alsof er maar drie kranten bestaan in Nederland, maar dat zal ongetwijfeld als kinnesinne van een regionaal journalist worden uitgelegd.
Persconferenties
Als het gaat om het analyseren van de vermaledijde connectie tussen sport en commerciële journalistiek, is voetbal toch wel een lekker doorzichtig wereldje. Trainers worden niet meer op hun vakmanschap beoordeeld , maar op hun persconferenties. Een subliem voorbeeld was het EK voetbal van 2000, in Nederland, wat de media aanspoorde tot een nog uitbundiger chauvinisme dan tegenwoordig al gebruikelijk is wanneer het om Oranje gaat.
Frank Rijkaard maakte er niet veel van, de twee jaar dat hij bondscoach was, maar tijdens het eindtoernooi groeide plots de waardering voor deze debutant. Oranje won! Weliswaar had Rijkaard daar part noch deel aan, maar hij deed het wel steeds leuker op de bijeenkomsten met de pers. Helaas stond daar dan weer tegenover, dat hij de halve finale tegen Italië uit zijn handen liet vallen: zwak spel van Oranje, waardeloze coaching van Rijkaard, bizarre wissels. In de strafschoppenserie werd het Nederlands elftal uitgeschakeld en dat vonden volk en media vooral sneu voor Frank, die – goed voor zijn imago! – door een attente camera van de NOS nog even huilend in beeld kwam. Vier jaar later vonden volk en media het helemaal niet sneu dat Dick Advocaat met het Nederlands elftal in de halve finale van het EK werd uitgeschakeld. De Kleine Generaal had zich onmogelijk gemaakt met een wissel waarvan zelfs de grootste leek in het peloton verslaggevers zag dat het een rare was.
Eigen schuld, dikke bult
Nu dan hebben ARD en ZDF zich teruggetrokken uit de Tour en schreef Dick van der Meer, adjunct-hoofdredacteur van het AD, dat het hier een kwestie betreft van eigen schuld, dikke bult. Moet je als medium maar niet zo dicht tegen sporters aanschurken – dan kun je geen afstand meer bewaren. Hoor wie het zegt, de bijna hoogste journalistieke baas van een krant die grof betaalt om zich supporter van de eredivisie te mogen noemen. En van de geweldige Christijan Albers. Toen de coureur ineens de pits uitreed, terwijl zijn helpers nog niet klaar waren met tanken, werd hij ontslagen. Het AD noemde hem ’slachtoffer’ van de algehele malaise…
Van der Meer maakt een voor de gemiddelde sportliefhebber voortreffelijke krant, maar hij moet niet met het vingertje gaan wijzen en over Duitse hypocrisie beginnen. Hypocriet is je journalist noemen en stiekem je onafhankelijkheid verkopen. Hoeveel onafhankelijke sportjournalisten hebben we nog? Voetbaljournalisten houden het hoofd boven water door vriendjes te blijven met belangrijke spelers, trainers en officials. Dat doen ze ondermeer door al die lieden te interviewen, het verhaal voor plaatsing netjes op te sturen en te gedogen dat de protagonist in kwestie, of diens zaakwaarnemer, het artikel vervolgens kundig en naar eigen believen herschrijft.
Veel weten, weinig schrijven
In het wielrennen verkopen journalisten hun ziel door veel te weten en weinig te schrijven. Pas als ze zijn gestopt of anderszins niet meer zo gebonden zijn aan hun zwijgplicht, beleven ze een coming out. Bert Wagendorp, de eminente schrijver van de Volkskrant, deed het in 2002 met een verrukkelijke, maar ook onthutsende column.
’Ik verloor mijn onschuld in het vroege voorjaar van 1986, in hotel Stella Maris in De Panne. Die avond bleef het bier maar doorkomen en gaf Jan Raas een flinke klap op mijn opname-apparaat, ten teken dat het interview was afgelopen en we nu écht gingen praten.
Mijn ziel was lelieblank en ik geloofde heilig in de liefde en de schoonheid. Ik wist niet wat cynisme was. Ik dacht nog dat de beste altijd won.
Na wat inleidende onthullinkjes, zei Jan Raas het volgende: De afgelopen vijftien jaar is er bij de profs maar één man op puur sportieve wijze wereldkampioen geworden: Joop Zoetemelk. Ik schrok. In alle andere gevallen was er dus gekocht of verkocht, waren er afspraken gemaakt of geschonden. (…)
Tsjongejonge – zei ik – ik was namelijk sprakeloos.
Dit ga jij natuurlijk nooit in de krant zetten, zei Jan Raas, die nota bene zelf in 1979 wereldkampioen was geworden. Nee vanzelfsprekend niet, zei ik. Dit mag nóóit bekend worden. Dit is een groot geheim. Man man, als dit openbaar wordt breekt de pleuris uit. Mijn naam is haas.
Niet alleen was ik nu een ingewijde, ik was nog toegetreden tot de gezworenen van de wieleromertà ook. Toen ik de opwinding enigszins te boven was, voelde ik mij intens gelukkig. Ik hoorde erbij.’
Bert schreef vervolgens dat hij het wielrennen daarna met geheel andere ogen ging bekijken – ’maar de koersen werden er niet minder opwindend van, integendeel’. Zo gaat dat. Journalisten worden in vertrouwen genomen, weten na enige tijd ’hoe het werkt’ en beperken zich verder tot de rol van propagandist.
Ruud Verdonck (Trouw), een andere voortreffelijke sportschrijver, fabriceerde ooit een essay voor De Journalist waarin hij zich verbaasde over het feit dat de Nederlandse media maar geen verband wisten te leggen tussen de turbodijen van Jeroen ’Jerommeke’ Blijlevens en doping – maar die link wel razendsnel wisten te leggen als het om buitenlandse coureurs ging. Jaap Bloembergen zette onlangs in NRC Handelsblad nog uiteen wat hij als wielerverslaggever allemaal wist (maar niet schreef?). Jaap had nog eens een oud bandje van zolder gehaald met een interview met Blijlevens. Jaap: ,,Heb je wel eens doping gebruikt?’’ Blijlevens: ,,Ik ben nooit positief bevonden’’. En dat dan tien keer herhaald. En zo had Bloembergen dubieuze ervaringen met Michael Boogerd en Erik Dekker, mannen die anno 2007 nog altijd de heren van fatsoen kunnen spelen, want nooit zijn betrapt. Dekker liet zich ooit ontvallen dat hij er wel voor zorgde onder de 50 te blijven, de hematocrietwaarde die epo aantoont. Het was een lelijke verspreking van Dekker die later stamelend piepte dat hij verkeerd was geciteerd, of zo.
Heel het peloton wielerverslaggevers weet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat het hele peloton wielrenners slikt en/of spuit. Maar ja, wie erover begint en zich achterdochtig opstelt, kan het schudden in het wielerdorp. Bovendien is daar het aloude adagium dat je op epo alleen de Tour echter niet uitrijdt. Nee.
Dopingverdacht
Vandaag, zaterdag 21 juli 2007, lees ik in de krant de reactie van persvoorlichter Jacob Bergsma van de Rabobank waarom was verzwegen dat Michael Rasmussen door de Deense wielerbond uit de WK- en Olympische ploeg is gegooid, nadat de renner dopingcontroles had omzeild. ,,Wij dachten dat het helemaal geen bericht was.’’ De verslaggever van de GPD hangt Bergsma in een analyse niet op, maar vindt het wel onverstandig van Bergsma. Want wat gebeurt: ’Duitse media noemden Rasmussen direct ,,dopingverdacht’’.’
Ja, vind je het gek? De GPD-man wel. Hij wijst op Libération, ,,een krant die al jaren probeert renners met een klein smetje aan doping te linken”. Libération schreef dat Rasmussen ’veel sterker is dan de gedrogeerden van vroeger’. Hij trapt ’zonder moe te worden, zonder te verzwakken’ bergop hogere wattages dan mannen als Virenque in hun beste jaren. En daarvan weten we inmiddels allemaal hoe die prestaties tot stand kwamen, zegt Libération. Zou het kunnen dat de verslaggevers van Libération gewoon hun werk goed doen èn verstand van wielrennen hebben?
De Draai van de Kaai
Ach, waarom zou je je als wielerverslaggever druk maken? Het volk vindt het prima allemaal, fietsen is fietsen. Ik herinner me jaarlijkse terugkerende, hilarische momenten op de redactie van Brabants Nieuwsblad in Roosendaal als ik mij weer eens beschikbaar stelde om de Draai van de Kaai te verslaan. Nee, het was toch beter wanneer een collega dat deed. Iedereen wist dat anders een bijtend stuk zou zijn vervaardigd van dit nep-criterium – en dat zou de krant slecht uitkomen; de lezers vonden het immers geweldig, die rondjes rijdende beroemdheden.
Feitelijk zijn we dus terug bij de tijd dat Koot en Bie de kwaliteit van de Nederlandse televisie aan de kaak stelden. ,,Als het maar beweegt – en in kleur’’, riep Koot wanhopig uit. Zo gaat het weer: als de wieltjes maar draaien en als de bal maar rolt…
8 reacties