Anneke van Ammelrooy werkt en woont een groot deel van het jaar als journalist in Bagdad. Met ingang van vandaag schrijft ze een maandelijkse column voor De Nieuwe Reporter.
Opnieuw heeft een buitenlandse organisatie een rapport geproduceerd over wantoestanden in Irak. Dit keer is het Article 19, een Britse club die met geld van het United Nations Development Program de persvrijheid heeft onderzocht.
Het is het tweede rapport van Article 19 dat wemelt van de verwijzingen naar Iraakse en internationale wetgeving en een beroep doet op de Iraakse rompregering om zich aan de wet te houden.
Op zich lijkt dat nuttige en vertrouwde kost, ware het niet dat het een fundamenteel probleem blootlegt van de 20e en 21e eeuw: een ongerechtvaardigd en soms dodelijk geloof en vertrouwen in “de wet”.
Workshops voor Arabische journalisten, inclusief de Iraakse, propageren uiteraard de rechtsstaat. Altijd worden aan de deelnemers mediawetten van andere landen kwistig rondgedeeld, om daar een voorbeeld aan te nemen. Maar wetgeving die niet voortkomt uit of gedragen wordt door een samenleving, beschermt geen rechten of vrijheden en schept de levensgevaarlijke illusie dat er wél bescherming bestaat.
Sigaretten verkopen
Vele jaren geleden besprak ik voor de Volkskrant een serie dikke Duitse boeken over vervolging en verzet in Nazi-Duitsland. Mij is een zeer bijzonder verhaal bijgebleven over een welvarende, hoogopgeleide wijnhandelaar die zich drie jaar lang bij de nazi-rechtbanken wist te verdedigen tegen zijn opsluiting en deportatie. Het verhaal is zo uitzonderlijk dat het inderdaad opname in de serie rechtvaardigde. Een hardnekkig geloof in de macht van het recht dreef deze man en in zijn voordeel kan gezegd worden dat hij daarmee jaren aan zijn leven toevoegde. Uiteindelijk legde hij toch het loodje waardoor de vraag gewettigd is of hij niet beter al jaren eerder zijn conclusies uit de machtsovername door de nazi’s had kunnen trekken.
Het beetje progressieve wetgeving in Irak dat de persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en het recht op informatie verkondigt, kan wel succesvol in de Iraakse gerechtshoven ter verdediging van journalisten en media worden ingezet – wij hebben daar zelf goede ervaringen mee, met dank aan moedige rechters – maar daarmee zijn journalisten en andere mediawerkers niet beschermd tegen het geweld van de overheid en het Amerikaanse leger, het geweld van het gewone volk dat zich laat inhuren door milities en evenmin tegen terroristen.
Tientallen journalisten hebben hun conclusies al getrokken en zijn het land ontvlucht of verkopen nu liever sigaretten – zoals in de tijd van Saddam.
Geen steun bevolking
Het gaat er niet in de eerste plaats om dat wetgeving in principe een uiting van een soevereine natie moet zijn, hoewel ook dat belangrijk is. Nederland neemt nu de anti-roken manie van de Amerikanen over, maar in het verleden niet het Amerikaanse verbod op alcohol drinken. Bijna alle mediawetgeving in Irak is nog door de Amerikaanse gouverneur Paul Bremer afgekondigd en wordt in regeringskringen “dus” totaal genegeerd, terwijl er geen haast wordt gemaakt met vervanging door wetten van Iraakse makelij. In plaats daarvan stoffen politici en rechters oude, nog geldige wetjes uit de tijd van de dictatuur af, wetjes die hen vertrouwd en nuttig voorkomen, want om het mild te zeggen: zo democratisch zijn ze niet.
Maar nog veel belangrijker is dat de Iraakse bevolking de vrijheden steunt noch bevecht. De overweldigende meerderheid is ongetwijfeld wel voorstander van alle democratische vrijheden maar men heeft geen idee hoe men media of journalisten kan steunen en beschermen.
Dat begint er al mee dat men voor een krant geen redelijke prijs wil betalen. De stem des volks roept dat “al zo veel dingen duurder zijn geworden” en lezers willen niet meer dan 250 dinar (15 eurocent) betalen, de prijs voor een krant in 2003 toen die nog maar half zo dik was (acht pagina’s, nu zestien of meer). Wie in Irak 500 dinar vraagt, prijst zich meteen uit de markt. Niemand gelooft dat dat anders zal zijn als eerst dagenlang op de voorpagina wordt uitgelegd waarom de prijsverhoging noodzakelijk is. Tegelijkertijd is het zo dat lezers een slaatje slaan uit de populariteit van bijvoorbeeld onze krant, die in Baghdad een straatwaarde heeft van vijf partijgebonden kranten, en beklagen ze zich over de vele advertentiepagina’s…
Uit mijn tijd als correspondente in Rome in de jaren ’80 herinner ik me een campagne van een Italiaanse krant die was overgenomen door een bedrijf dat weinig goeds voor had met de zittende journalisten. Die bezetten de krant en vroegen de lezers op een goede dag zo’n tien euro voor de krant te betalen, om het dagblad draaiende te houden. Het was een daverend succes. Zoiets zal in Irak nooit gebeuren, ook niet met 1 euro.
Televisiescherm nooit op zwart
Er wordt natuurlijk zo verschrikkelijk gemoord in Irak dat het onbegonnen werk lijkt iets van afschuw, medeleven of protest te laten horen na weer een moordpartij door een shi’itisch doodseskader of sunnitische extremisten. Toch is de ene dode de andere niet. Maar reacties in Turkije zoals na de moord op Hrant Dink of in Rusland na de moord op Anna Politskaya zijn volslagen ondenkbaar in Irak. De eerlijkheid gebiedt dan wel te zeggen dat een protest-begrafenis organiseren of zelfs maar bloemen neerleggen op de plek van de moordaanslag meestal suïcidaal is in Baghdad en andere steden, maar er zijn zoveel andere acties denkbaar “to name and shame” de vermoedelijke daders.
Moorden op journalisten zijn daarom in Irak nooit een reden voor een premier om daartegen tekeer te gaan op televisie, noch voor het parlement om tijdens live uitgezonden debatten een minuut stilte in acht te nemen, noch voor collega’s om het televisiescherm eens zwart te laten. In plaats daarvan probeert elk televisiestation de indruk te wekken dat Irak een normaal land is met nieuwsjournaals, talkshows, soaps, satirische lol en voetbal.
Hoofdredacteuren worden door de premier uitgenodigd voor een bijeenkomst om te horen dat hij… “geen opdracht heeft gegeven voor de moorden” (dat ontbrak er nog maar aan) of “geen controle heeft over de milities”, hoewel die de gewapende vleugels vormen van de shi’itische partijen in zijn partijalliantie. Het is alsof het ontbreken van controle, van een op papier vastgelegde “chain of command” elke andere actie van de premier uitsluit, wat natuurlijk niet zo is. Maar wie zou hem moeten pressen daartoe?
Zodra Amerikaanse militairen een studio van de partij van de premier binnenvallen omdat die verdacht wordt van heulen met shi’itische geweldenaren, wordt er een cameraploeg opgetrommeld om de reddingsactie van de premier te laten zien op de staatstelevisie. Voor andere studio’s doet de premier nooit wat. Nooit wordt er een uitzondering voor de media gemaakt bij uitgaansverboden en rijverboden voor alle autoverkeer. De regering compenseert de gemiste inkomsten niet, ook niet in de vorm van gratis benzine voor de generatoren.
Gratis kranten uitdelen
Het voert te ver om hier uit te leggen hoe journalisten zich dan wél beschermen, zonder veel steun van de bevolking en de politiek, zonder alle wettelijke maatregelen waarop Article 19 wedt en zonder betrouwbaar politie-onderzoek naar moorden. Laatst heb ik hoofdredacteuren en mediatycoons in Irak opgeroepen méér voor medewerkers te doen die tijdelijk moeten onderduiken – laat ze enkele maanden in het buitenland een cursus doen, betaal hun huur in een andere stad, laat ze elders bureauwerk in plaats van verslaggeving doen. Zelfs dat is aan dovemansoren gericht.
Maar het zou een actiekoers zijn die Article 19, UNDP en vele anderen zouden kunnen steunen, om ervoor te zorgen dat met de halve middenklasse ook niet de halve journalistiek uit Irak vlucht, temeer daar nog zo ongelooflijk veel goede journalistiek in Irak kan worden bedreven. Daarvoor moet de nadruk op betere wetgeving en internationale verdragen worden losgelaten. Dat is echter onwaarschijnlijk omdat Article 19, als buitenlandse club, weinig méér kan doen dan rapporten schrijven over dit soort onderwerpen – de grote makke van bijna alle internationale mensenrechtenorganisaties.
Nooit is er internationaal geld om het gebrek aan steun door de zwaar geïntimideerde Iraakse bevolking te compenseren. Dat geld zou gebruikt kunnen worden om bijvoorbeeld gratis kranten aan de bevolking uit te delen om solidariteit te mobiliseren, om redacties en drukkerijen te verhuizen, om gevluchte journalisten te helpen, om de gezinnen van journalisten te compenseren, om de oorlogsschade aan redactiegebouwen te herstellen, om hoge boetes opgelegd door foute rechters te betalen.
Voor zover ik weet zijn de Nederlandse en Spaanse regering de enige die dat doen en zijn de EU of de VN in geen velden of wegen te bekennen. Er is wel een kleine industrie rond de misère van de Iraakse journalistiek ontstaan waarvan alleen buitenlandse NGOs beter worden, die als onderaannemer voor de VN en EU figureren. Tegelijkertijd laten enkele internationale NGOs zich ringeloren door de Amerikaanse regering om nooit Iraakse media direct te steunen. Dat mag blijkbaar alleen het Pentagon.
2 reacties