Leen d’Haenens is verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en aan het Centrum voor Mediacultuur & Communicatietechnologie, Katholieke Universiteit Leuven.
Het was druk op de openingsavond van het congres ‘Press and Press Support in a Digital Age‘ van het Stimuleringsfonds voor de Pers in Studio Pulchri. Een internationaal gezelschap was het: uitgevers, beleidsmensen van het ministerie van OC&W, academici, voormalige en huidige bestuursleden van het Stimuleringsfonds keken reikhalzend uit naar de speech van minister Plasterk. Hij vroeg zich luidop af of de journalisten niet meer begaan zouden moeten zijn met professionalisering, en trok de vergelijking met de leraren en het onderwijs waarvoor hij op advies van de commissie Rinnooy Kan een smak geld op tafel zou leggen om de hoogste noden te lenigen.
De nood is ook hoog in de journalistiek maar er kwamen vooralsnog geen toezeggingen van de minister in de richting van meer steun aan de pers. Wel werden de moeilijke tijden geschetst aan de aanbodzijde (crossmediale platforms en journalisten die hun offline stukjes ook online en liefst nog met eigen origineel beeldmateriaal in aantrekkelijke web-tv moeten zien te gieten) en de receptiekant (het dagelijkse ritueel van de krant lezen bij een geurende kop koffie is jongeren vreemd). De voorzitter van het Stimuleringsfonds grapte nog als reactie op de speech van de minister dat zijn eigen dochter die net 32 was geworden toch nog de weg naar de krant had gevonden, maar cijfers uit de VS en ook in onze contreien bewijzen dat dit niet geldt als een algemene trend.
Frankrijk
Perssteun, direct en indirect, verschilt erg van land tot land, zo bleek uit een aantal presentaties op donderdag. Dergelijke steun wordt door de Europese Commissie vooralsnog niet gezien als een Europese aangelegenheid: vertrekkend van het subsidiariteitsbeginsel dient elke lidstaat de aard van de interventie te bepalen en kunnen eigen accenten worden gelegd. Vanuit de zorg voor het behoud van een pluriforme informatievoorziening en niet in het minst omwille van het behoud van minderhedenbladen is dergelijke steun gerechtvaardigd.
Het voorbeeld van Frankrijk, in Europa het oudste voorbeeld van perssteun, is voor Nederland zeer interessant: hier heeft recent een koerswijziging plaatsgevonden van een behoudsgeoriënteerde visie op persbeleid naar een proactieve, toekomstgerichte aanpak waarbij het ministerie van economische zaken miljoenen euro’s per jaar pompt in initiatieven gericht op innovatie, online diensten en modernisering.
Hopelijk wordt het Franse voorbeeld ter hand genomen bij het uittekenen van de krijtlijnen van een toekomstgericht persbeleid in Nederland: de centrale aandacht voor de publieke omroep en het ontbreken van enige visie ten aanzien van de pers in het jongste regeerakkoord voorspelden niet veel goeds, maar we zijn inmiddels zeven maanden verder en nu ligt er ook de publicatie “De krant doorgeklikt” van het Stimuleringsfonds voor de Pers dat een handreiking biedt met informatie over wegen die hierbij begaan kunnen worden.
Paginagrote infografieken
Uiteraard moeten er keuzes gemaakt worden ten aanzien van de te varen koers. Hierbij kan men zich de vraag stellen waar vooral de meeste investeringen te doen: zouden die persbedrijven die de grootste risico’s nemen het meest ondersteund moeten worden, of zij die het meest inzetten op innovatie en online platforms, of nog zij die zich het meest oriënteren op trainingen voor journalisten? Het ondersteunen van de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden bij journalisten lijkt mij alvast zeer waardevol.
Twee voorbeelden ter illustratie. Het vinden van de juiste balans tussen beeld en tekst is cruciaal: een krant, als traag medium, krijgt juist meerwaarde door inlassing van bijvoorbeeld dagelijkse paginagrote infografieken om moeilijk te bereiken lezersgroepen zoals jongeren en allochtonen over de brug te halen. Dit veronderstelt echter intense samenwerking tussen journalisten en grafici; vooral de vertaling van ‘de wereld’ naar de realiteit van de regio vormt hier de grote uitdaging.
Het tweede voorbeeld waar aan begeleiding en ondersteuning kan worden gedaan, heeft te maken met de professie van de journalist zelf en de begeleiding van toonaangevende journalisten en redacteurs in de doorstroming naar een leidinggevende functie, zodat in eigen rangen kan worden gerekruteerd eerder dan in persvreemde managerskringen. Training en coaching van managementvaardigheden en technieken van ‘people management’ zijn hierbij onontbeerlijk.
Allochtonen
En dan rest ons natuurlijk de hamvraag: hoe het professioneel gemaakte nieuws tot bij de moeilijk te bereiken (allochtone) jongere, want de lezersgroep van de toekomst, brengen? Uit onderzoek is in elk geval duidelijk gebleken dat jongeren wel degelijk geïnteresseerd zijn in nieuws op voorwaarde dat het op ieder moment van de dag beschikbaar én betrouwbaar is. De waarheidsgetrouwheid bleek de belangrijkste motivatie voor allochtone jongeren; nieuwsmedia uit het land van herkomst worden niet gehanteerd omwille van hun referentiële waarde, maar als een middel voor sociaal leren, om de taal van hun ouders beter te leren kennen, of om dat deel van de wereld te ontdekken waar hun roots liggen.
De ontevredenheid ten aanzien van het Nederlandstalige nieuws van allochtone jongeren, die in veel onderzoek aan de orde is gesteld, maakt echter dat Nederlandstalige nieuwsmedia veel kansen laten liggen om allochtone lezers aan zich te binden. Nochtans zijn de functies van de reguliere nieuwsmedia, de media uit het thuisland, en de media gericht op specifieke etnisch-culturele groepen zoals de minderhedenbladen zeer uiteenlopend en complementair. Ze bijten elkaar dus niet; ze bieden enkel een andere invalshoek, een ander ‘frame’ op de werkelijkheid, en dat wordt ook zo ervaren door deze doorgaans zeer kritisch ingestelde en zich breed oriënterende lezersgroep die verschillende nieuwsmedia wikt en weegt en combineert.