Oorlogsjournalistiek is een zwaar vak. Journalisten die uitgezonden zijn geweest naar een conflictgebied lijden vaker dan gemiddeld aan psychische aandoeningen zoals depressies en posttraumatische stressstoornissen. Welke factoren zorgen hiervoor? Niet per se de gevaarlijke werkomgeving zelf, volgens dit artikel in het oktobernummer van het wetenschappelijke tijdschrift Journalism Practice.
Voor het onderzoek werden diepte-interviews gehouden met 54 journalisten van de BBC en Reuters die in 2003 waren uitgezonden naar de Irakoorlog. De oorlogsjournalisten werd gevraagd tegen welke problemen en ergernissen zij aanliepen voor, tijdens en na hun verblijf in Irak. Van de geïnterviewden hadden 31 hier ‘embedded’ gezeten, oftewel geïntegreerd in een legerunit. De overige 23 waren ‘unilateral’, oftewel journalisten die min of meer op eigen houtje werkten en veel meer vrijheden hadden dan hun collega’s in de legereenheden. Tussen de twee groepen bleek, net als in een eerder onderzoek, geen significant verschil te zijn gekeken naar hoeveel journalisten naderhand aan psychische klachten leed. Maar er bestonden wel verschillen tussen wat de groepen als stressvol en ergerlijk hadden ervaren.
Geïrriteerd
Ruim de helft van de journalisten uit beide groepen liet weten in aanloop naar hun uitzending in toenemende mate gestresst en geïrriteerd te raken. De vijf meest genoemde oorzaken hiervoor waren zorgen over de aanwezigheid en het gebruik van chemische wapens; onzekerheid over de duur van de uitzending; hoe het met hun gezin zou gaan tijdens hun afwezigheid; gebrek aan tijd om goed voor te bereiden en het moeten samenwerken met collega’s met wie ze niet eerder hadden samengewerkt. De unilateral journalisten waren sterker dan hun embedded collega’s bezorgd over hun veiligheid in het conflictgebied. Toch wilden de meeste journalisten graag naar Irak. Een van hen vertelde: ‘Dit was *het* verhaal van misschien wel de afgelopen twintig jaar. Ik wilde er stomweg bij zijn. Om bij te wonen en te zien hoe een regime verandert, is iets heel plezierigs.’
Tijdens de uitzending verbleven veel van de embedded journalisten onder relatief primitieve leefomstandigheden in militaire tentenkampen in de woestijn. Van hen noemde 35 procent dit fysiek en emotioneel zeer zwaar. De journalisten die geïntegreerd waren in Britse militaire units slaagden er meestal in een goede relatie op te bouwen met de militairen. Degenen die binnen Amerikaanse units verbleven echter niet. De journalisten noemen hier zelf verschillende mogelijke redenen voor. Zo hadden zij het idee dat de Amerikanen hen als verdacht beschouwden omdat zij zelf niet Amerikaans waren; of dat militairen dachten dat de verhalen van de journalisten toch nooit de Verenigde Staten zouden bereiken en het dus niet nodig was ze te helpen.
Er bleek nog een derde, onverwacht probleem te spelen bij het werk in Irak. 42 procent van de embedded journalisten vertelde dat hun verblijf vooral werd gekarakteriseerd door gebrek aan activiteit en verveling. Een van de journalisten verklaarde tegenover de interviewers: ‘Ik verwachtte meer van de oorlog – meer actie – het was een beetje een anti-climax’. Een ander: ‘Het was de verveling waar ik het slechtste mee om kon gaan. Ik ben geen grote drinker, maar door de verveling dronk ik veel meer dan normaal’.
Hotels
De unilateral journalisten leefden aan het begin van hun tijd in Irak veelal onder minder zware omstandigheden dan hun embedded collega’s. Zij verbleven bijvoorbeeld in hotels of in accomodaties die speciaal voor mediapersoneel waren ingericht. Maar 52 procent rapporteerde dat de leefomstandigheden gedurende hun verblijf verslechterden en dat zij niet voorbereid waren op hoe slecht de omstandigheden zouden zijn. Verder ervoer 26 procent van de ondervraagden het als negatief dat er een soort competitiedrang ontstond tussen journalisten van verschillende nieuwsorganisaties, die allemaal onder druk van hun thuisbasis als eerste met een verhaal wilden komen. Nog eens 26 procent van de unilateral journalisten was van mening dat de druk vanuit de redactie om als eerste met een verhaal te komen leidde tot onveilige situaties en onnodig risicogedrag. Daarnaast voelden veel van de journalisten zich ‘op zichzelf aangewezen’ en ‘kwetsbaar’ zonder militaire bescherming. 70 procent kende een collega-journalist die tijdens het werk omkwam, wat gevoelens van onveiligheid vergrootte.
Terug in het thuisland had 80 procent van de embedded journalisten het gevoel dat zij hun werk goed hadden gedaan. Maar 70 procent was niet geheel tevreden met de manier waarop hun collega’s en management hen verwelkomden. Zo meende 23 procent van de journalisten dat het management meer oog had voor de verhalen die ze meebrachten dan voor hun persoonlijke welzijn. Onder de unilateral journalisten was 52 procent na thuiskomst ontevreden over hun uitzending naar Irak. De voornaamste redenen hiervoor waren de onveilige situatie, de te hoge druk om met verhalen te komen en een gebrek aan gevoel van professionele voldoening. De unilateral journalisten dachten allemaal dat de embedded journalisten beter beveiligd werden en betere toegang kregen tot verhalen. Verder voelde 57 procent zich na thuiskomst niet gesteund of ondergewaardeerd door hun management.
In lijn met theorieën
Op basis van deze resultaten concluderen de auteurs van het artikel dat de stress die de oorlogsjournalisten ervoeren grotendeels in lijn zijn met twee bestaande theorieën rondom werkgerelateerde stress, in plaats van voortkomen uit de gevaarlijke situatie in Irak op zich. De eerste theorie waarbij de verhalen aansluiten is het zogenoemde ‘job demand – control model’. Dit model voorspelt dat er stress op zal treden bij banen die mentaal of psychisch veel van iemand vragen, als mensen tegelijkertijd weinig controle hebben over hun werk en weinig sociale steun krijgen. Dit speelde volgens de onderzoekers bij zowel de embedded als unilateral journalisten tijdens hun verblijf in Irak. Bijvoorbeeld doordat de embedded journalisten het gevoel hadden te weinig bewegingsvrijheid te hebben en te worden tegengewerkt door de militairen, terwijl de unilateral journalisten in hun bewegingsvrijheid werden beperkt door de gevaarlijke situatie en leden onder de race om als eerste een verhaal te scoren.
De tweede theorie is die van ‘effort-reward imbalance’, waarbij mensen veel energie en moeite in hun werk stoppen maar hier (al dan niet gevoelsmatig) weinig waardering voor terugkrijgen. Dit is een beproeft recept voor werkgerelateerde stress, waar beide groepen journalisten onder meer aan leden na thuiskomst uit Irak. De auteurs roepen dan ook op basis van dit onderzoek op om in de toekomst niet alleen de conflictsituatie zelf aan te wijzen als oorzaak van trauma’s bij oorlogsjournalisten, maar vooral ook de beroepsgerelateerde en organisationele factoren in het oog te houden.