Wat wil de student journalistiek?

* Journalistiek is in heel Europa een populaire studie. Maar wie zijn deze studenten en wat beweegt hen?
* Britse en Noorse journalistiekstudenten blijken meer waarde te hechten aan ‘lichte’ vormen van journalistiek en ’schrijven over wat ze leuk vinden’ dan aan traditionele journalistieke waarden als publieke dienstverlening en de waakhondfunctie.

Er zijn veel journalistiekopleidingen in ons land en het aantal jongeren dat een studie in deze richting wil doen groeit nog altijd. En dat brengt problemen met zich mee. Vorige week viel hier op De Nieuwe Reporter de afscheidsspeech van docente Jeannette Klusman te lezen waarin zij zich afvraagt of er wel plek is voor de vele hbo’ers in de serieuze journalistiek. Het lijkt van niet, maar waardoor komt dit? Zijn de hbo-studenten misschien te weinig gemotiveerd? Moet er strengere selectie komen op de scholen voor journalistiek? En is het wel terecht dat studenten van universitaire journalistiekopleidingen tegenwoordig vaak geprefereerd worden door de serieuze media?

Deze discussie speelt niet alleen in Nederland: hij wordt in veel Westerse landen gevoerd. Maar vaak blijft het bij discussiëren, er vindt weinig relevant onderzoek plaats. Wie zijn de huidige journalistiekstudenten? Wat motiveert hen journalistiek te gaan studeren? Hoe verandert deze motivatie gedurende de studie en tijdens of na het afstuderen? Hoe makkelijk komen de ex-studenten aan een baan? In het oktobernummer van het wetenschappelijke tijdschrift Journalisme Practice staan twee artikelen die wel op deze vragen ingaan: de een gaat over de Britse situatie, de ander over de Noorse. Deze artikelen zijn niet vrij toegankelijk, de links verwijzen naar de abstracts.

Groot-Brittannië
In Groot-Brittannië is het aantal studenten journalistiek, net als in andere West-Europese landen, de laatste jaren sterk gestegen. In tien jaar tijd is het aantal studenten dat kiest voor een ‘undergraduate’ studie (waarbij studenten rechtstreeks na de middelbare school journalistiek gaan studeren, oftewel vergelijkbaar met de Nederlandse hbo-opleidingen) gestegen van ruim vierhonderd naar ruim tweeduizend per jaar. Mark Hanna en Karen Sanders hebben met behulp van vragenlijsten geprobeerd een beeld te krijgen van deze studenten. Zij voerden hun onderzoek op twee momenten uit, beide keren onder grote groepen studenten van verschillende opleidingen. De eerste keer dat deze studenten ondervraagd werden was aan het begin van hun studie; de tweede keer aan het eind.

Van de Britse undergraduate studenten journalistiek is ongeveer zestig procent vrouw en veertig procent man. De studenten komen sociaal-economisch gezien vaak uit gezinnen uit de hoogste- of middelklasse. Ongeveer tien procent van de studenten heeft minimaal één familielid dat in de journalistiek werkt. Onder beginnende journalisten wordt als voornaamste motivatiereden een vrij vage omschrijving gegeven zoals ‘dit past het beste bij mij’ of ‘journalistiek lijkt mij interessant’ (41%). 27% van de studenten geeft aanvankelijk ‘het creatieve proces’ of ‘liefde voor schrijven’ als motivatie en 21% de ‘afwisseling’ en ‘uitdaging’ die journalistiek werk met zich meebrengt. Aan het eind van de studie liggen deze cijfers anders. De eerdergenoemde vaag omschreven redenen scoren nog steeds het hoogste, 46% van de bijna afgestudeerden noemt dit een zeer belangrijke motivatiereden. Maar nu op de voet gevolgd door de afwisseling en uitdagingen van het vak (45%).

De opleidingen wilden geen cijfers geven over uitval onder studenten, maar de auteurs schatten uit hun eigen gegeven dat zo’n 15% van de studenten voortijdig afhaakt. Aan het begin van de opleiding zei 75% er ‘zeker’ van te zijn dat zij in de journalistiek wilden werken; 23% twijfelde. Maar ook hier lagen de cijfers aan het eind van de opleiding anders: nu zei nog maar 53% van de studenten in de journalistiek te willen werken, 38% twijfelde en 9% wilde dit ‘zeker niet’. Waarom zo veel studenten nu (misschien) niet meer de journalistiek in wilden, is niet verder onderzocht.

De richting waarin studenten die wel de journalistiek in wilden werk zouden willen krijgen veranderde gedurende de studie nauwelijks: ongeveer 35% gaf voorkeur aan de ‘lichtere’ journalistiek, zoals het schrijven van artikelen over lifestyle of muziek. 25% van de studenten wilde graag de ‘echte’ nieuwsjournalistiek in en 20% zag het meeste in sportjournalistiek. Zij wilden dit het liefst doen bij tijdschriften (30%), een nationale krant (20%) of de televisie (18%). Aan de vragenlijsten zat geen vervolgstudie na het afstuderen vast. Of de studenten inderdaad werk vonden, al dan niet in de gewenste richting, is dus niet onderzocht. Maar volgens een eerder onderzoek had in 2002 slechts 7% van de in Groot-Brittannië werkende journalisten alleen een undergraduate graad in de journalistiek; verreweg de meeste journalisten hadden of alleen een graad in een andere studie, of een graad in een andere studie plus een postgraduate graad in de journalistiek.

Noorwegen
De Noorse studie van Gunn Bjornsen en zijn collega’s richt zich op drie cohorten studenten van de twee belangrijkste Noorse universitaire journalistiekopleidingen. Zij kregen zowel aan het begin van hun studie, aan het eind en drie jaar erna vragenlijsten voorgelegd. De Noorse opleidingen zijn selecter dan de Britse; in Groot-Brittannië wordt ongeveer 80% van de studenten toegelaten tot een studie journalistiek, maar in Noorwegen zijn de toelatingsregels – vanwege het grote aanbod – haast net zo streng als bij de studie medicijnen. Het zijn vooral vrouwen die een plekje op een van de opleidingen weten te bemachtigen: van de Noorse journalistiekstudenten is 66% vrouw en 33% man. Ruim de helft van de studenten heeft voor zij aan journalistiek begonnen al een andere studie gedaan. Dit is meestal een studie in een richting als letteren, geschiedenis of politicologie. Net als de Britse studenten komen hun Noorse studiegenoten veelal uit gezinnen met een hogere of gemiddelde sociaal-economische status. Verder zijn ze vrijwel zonder uitzondering jong (begin 20) en autochtoon. Bijna eenvijfde van de studenten heeft een vader of moeder met journalistieke ervaring.

Gevraagd naar hun motivatie noemde, over de verschillende cohorten en meettijdstippen bekeken, 84-88% van de Noorse journalistiekstudenten de variatie en levendigheid van het beroep als voornaamste reden om hiervoor te kiezen. Bjornsen staat redelijk uitgebreid stil bij de vraag wat er gebeurd is met de traditionele waarden van publieke dienstverlening en de waakhondfunctie van de media. Deze waarden worden sterk benadrukt in de opleidingen Ze worden door veel van de ondervraagde studenten wel genoemd als belangrijk onderdeel van de het beroep, maar de meesten geven toch de voorkeur aan schrijven over onderwerpen die zij zelf leuk vinden in plaats van onderwerpen die het maatschappelijk belang dienen. De maatschappelijke idealen lijken bovendien af te nemen naarmate de studenten verder vorderen in hun studie en carrière.

Het aantal studenten dat na de opleiding werk vond in de journalistiek lag in de Noorse studie hoog: 75% vond gelijk na het afstuderen werk en na drie jaar had 45% van de afgestudeerden een vast contract. Volgens 67% van de studenten zelf hadden zij ‘veel’ aan hun studie gehad; 14% gaf aan de opleiding niet zo nuttig te hebben gevonden.


2 reacties:

Lia
26 oktober, 2007

Het gaat niet om de vraag wat de studenten willen, het gaat om de vraag wat journalistiek is en wat studenten dáármee willen. Vergelijk het eens met een loodgieter of een timmerman. Het gaat niet om de vraag wat een timmerman wil, het gaat om de vraag wat timmeren is en wat een studenttimmerman dáármee wil.

Is het raar om te denken dat hbo-scholen hun studenten willen helpen een plek binnen het vakgebied te vinden? Hebben zij (daarom) binnen het journalistieke onderwijs de grenzen van wat journalistiek is, verruimd? Zijn de grenzen van wat journalistiek is, verruimd? Dat zijn de vragen die gesteld moeten worden, en niet de vraag “wat wil de student journalistiek.”

Een School of Media in het noorden van het land legt de focus op civiele journalistiek. En kookt op die manier voor dat civiele journalistiek de toekomst zou (moeten) hebben. Ze geeft zomaar ineens haar eigen draai aan wat journalistiek is. Wat is haar belang? Je moet/wil als opleiding die keus (voor die beperking) misschien wel maken (of zou dat van hogerhand opgelegd zijn, door het college ivm het samengaan met de VU?), toch zou je studenten ook kunnen stimuleren een eigen visie op het vak te ontwikkelen. Mij heeft het in het besef achtergelaten dat visie, noch aankomende journalisten ruimte geven een eigen visie op het vak te laten ontwikkelen, prioriteit op deze “school” of media heeft.

[...] Recentelijk berichtte Nadine Böke voor De Nieuwe Reporter over Brits en Noors onderzoek naar wat studenten journalistiek zo aanspreekt in het beroep van journalist en wat hun ideeën zijn over de mogelijke beroepsuitoefening. Aan Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg wordt sinds 1999 aan alle nieuwkomers gevraagd wat hen tot de keuze van een journalistieke opleiding heeft gebracht en hoe ze tegen het vak aankijken. Bovendien krijgen de vers afgestudeerden nog eens de gelegenheid om hun beroepsideeën prijs te geven. Het zou aardig zijn om de onderzoeksresultaten van Tilburg te vergelijken met de buitenlandse. Echter: de vraagstellingen wijken te sterk van elkaar af. Een open vraag naar de belangrijkste reden om journalist te worden levert een ander antwoordpatroon op dan de gesloten vraag (dus met voorgegeven antwoordmogelijkheden) wat de belangrijkste reden is om te kiezen voor een hbo-opleiding journalistiek. Bovendien zijn in het engelse onderzoek pr en voorlichting expliciet gerekend tot het werkterrein van de journalist. [...]


Laat een reactie achter »