De vloeibare arbeid van Deuze

Dat werken in of bij de media iets anders is dan tien, twintig jaar geleden, hoef ik niemand te vertellen. Maar de grote vraag is natuurlijk wat er nu precies is veranderd en hoe dat de inhoud van dat werk beïnvloedt. Dat het snel gaat met fundamentele veranderingen staat buiten kijf. Tien jaar geleden deden journalisten nog schampertjes over de invloed van internet; nu weet elke journalist dat internet bij het werk hoort. Convergent werken (met grofweg dezelfde inhoud meerdere mediavormen vullen) is zo’n beetje gemeengoed geworden, of journalisten dat nu wilden of niet. De multimediale werkvloer is overal te zien of is in aanbouw. En werksoorten die vroeger strikt gescheiden bleven lijken nu te vervloeien tot één grote digitale mediabrij.

Dit proces van ‘liquification’ (vervloeiing lijkt de beste term in het Nederlands) is het onderwerp van het nieuwe boek van mediawetenschapper Mark Deuze. Maar zijn boek is ook een schoolvoorbeeld van het vloeibare werk dat hij beschrijft. Ook mediawetenschappers houden zich namelijk niet meer aan de grenzen, routines en conventies van een bepaald vakgebied, zoals sociologie of psychologie, maar ze schrijven vanuit een vraag die men wil beantwoorden. En dan gebruikt men allerlei materiaal om een overtuigend betoog te schrijven.

Deuze bijvoorbeeld heeft de totale wetenschappelijke literatuur over werken bij media bij elkaar geveegd, selecteert daaruit wat hij nodig heeft en voegt daar gegevens aan toe van een niet nader aangeduid aantal ‘diepteinterviews’ die hij, zijn studenten en enkele collega-wetenschappers over de hele wereld hebben gehouden met ‘mediawerkers’. Die interviews krijgen we niet te zien, zodat we niet weten waarop nu wat is gebaseerd, maar dat zijn methodologische vragen waar de moderne mediawetenschapper zich niet meer om bekommert; het gaat immers om zijn verhaal en dat moet kort, overtuigend, onontkoombaar en verontrustend zijn.

Goeroe-wetenschapper
Van Deuze’s boek gaat dan ook een enorme suggestieve kracht uit. Met een verwijzing naar uitsluitend digitale bronnen beschrijft hij trends in maar liefst vier mediawerelden: marketing en PR, journalistiek, film en televisie, game design. Zijn werkgebied is niets minder dan de hele wereld: het onderzoek zou zijn gebaseerd op de situatie in vijf landen op vier continenten: Nederland, Nieuw Zeeland, Amerika, Finland en Zuid Afrika. En dat allemaal in een boek van krap 240 pagina’s vol met sweeping statements die meer zeggen over de auteur dan over de wereld die hij tot zijn onderwerp heeft gekozen. Een mens gaat er bewonderend van fluiten tussen de tanden: de hele convergerende mediawereld in een notendop verklaard.

En dan ook nog eens geïnspireerd door een herontdekte goeroe-wetenschapper. Voor Deuze is dat de oude Poolse socioloog Zygmunt Bauman (1925), die de laatste jaren furore heeft gemaakt met boeken over wat hij ‘liquid life’ of ‘liquid modernisation’ noemt. In zijn om het gebrek aan concrete omlijning en empirie bekritiseerde boeken schetst Bauman een indringend beeld van de moderne mens in zijn permanente zoektocht naar individualiteit, die nergens permanent gevonden wordt omdat de wereld ‘vloeibaar’ is geworden. Normen zijn tijdelijk, onzekerheid heerst en de mens verliest daardoor meer en meer controle over zijn bestaan. Anyplace, anywhere doet hij zijn heftige kunstje om weer weg te wezen naar een volgende fase in zijn individualiteit. Angst en onzekerheid liggen op de loer en die paar wereldburgers die uit de vloeibaarheid geld weten te slaan of er technologische en creatieve hoogstandjes mee kunnen verrichten, grijpen de macht.

Onstuitbare wals
Deuze beziet in dit nogal pessimistische licht de huidige mediawereld met zijn technologische convergentie, zijn economische samenclusteringen en zijn onduidelijkheden over traditionele normen zoals ‘journalistiek’, ‘reclame’ en ‘marketing’. Ook hier vloeien die zaken door elkaar tot een veelkleurig mengsel waarin niemand meer koers weet te houden. De onstuitbare wals van technologie en commercie verkruimelt deze bestaande beroepspraktijken en laat duizend nieuwe bloemen bloeien op de geïndividualiseerde digitale samenleving waarin ieder zijn eigen medium maakt.

Deuze hoopt met het beschrijven van dat inzicht te bereiken dat studenten meer in staat zullen zijn om zich in al dat vloeibare geweld staande te houden. Ik betwijfel of hij in die opzet slaagt. Veel om de hakken heeft zijn boek in praktische zin niet. Wil je weten hoe convergentieprocessen precies inwerken op een specifieke journalistieke, televisie- of computerpraktijk dan zijn er toch wel andere, meer concrete studies voorhanden dan Deuze’s hoofdstuk van dertig pagina’s over ‘journalistiek’ of ‘game design’ in vijf landen op vier continenten. Door de enorme pretentie van zoiets vervalt Deuze vanzelfsprekend in algemeenheden, die op zichzelf een knap en erudiet staaltje literatuurexercitie opleveren.

Maar de lezer blijft aan het eind toch achter met een zwoegend verlangen naar een concreet antwoord op de vraag wat multimediaal werken in een digitaal-convergerende werkcultuur nu precies betekent voor ‘een goede televisiereportage over de oorlog in Irak’ of een ’sterk stuk over criminaliteit in Amsterdam-West’. Dat het werk steeds complexer wordt en dat grenzen tussen specialismen vervloeien of misschien zelfs verdwijnen is zo langzamerhand een dooddoener aan het worden net zoals al die onbewijsbare voorspellingen dat de mediawereld één groot en hol vat aan het worden is vol vluchtige en commerciële inhoud.

Met de mond vol tanden
Fraaie vergezichten wellicht, maar wat heeft een verslaggever eraan die in Groningen het interactieve publiek in Appingedam probeert te voorzien van een betrouwbaar bericht over de staking van het openbaar vervoer? Die zit meer voor de praktische vraag hoe hij met zijn schaarse tijd zowel de krant, de website, het video-verslag en de podcast in elkaar zet. En die krabt zich het hoofd over wat hij moet met de woedende buspassagiers en buschauffeurs die de krant bestoken met honderden mails, sms’jes en telefoontjes.

Deuze staat op dit soort punten met de mond vol tanden. Door de oudere en sceptische redacteur zal hij dan ook worden gezien als de zoveelste onheilsprofeet die nooit met de poten in het bluswater heeft gestaan en buiten de realiteit van alledag staat. De jonge aanstormende talenten zullen hem veel meer omarmen als een hippe vertolker van hun levensgevoel, maar in de praktijk zullen ook zij algauw tot eigen oplossingen komen voor blijvende vragen. Zoals hoe je geloofwaardig en authentiek blijft in een wereld waarin sommigen ervoor pleiten dat nieuws in een game-vorm net zo goed journalistiek oplevert als een zorgvuldig geschreven bericht waaraan hoor en wederhoor ten grondslag ligt.

Mark Deuze schetst het brede kader waarin zo’n vraag misschien begrepen kan worden, maar een antwoord blijft hij ons schuldig. Hij geeft als het ware houvast in de vragen, maar is vloeibaar in de antwoorden.

Mark Deuze, Media Work, Digital Media and Society Series (Polity Press: Cambridge 2007), ISBN 978-0-7456-3925-3

Huub Wijfjes

Huub Wijfjes (1956) is mediahistoricus en verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is auteur van meerdere boeken en artikelen over (media)geschiedenis en journalistiek, waaronder: Journalistieke Cultuur in Nederland (samen met J. Bardoel, F. van Vree en C. Vos; Amsterdam University Press 2002) en Journalistiek in Nederland 1850-2000. Beroep, organisatie en cultuur (Boom Uitgevers 2004). In september 2009 heeft hij een multimediaal mediahistorisch project afgerond over de omroepvereniging VARA. Sinds maart 2011 is hij lid van de Commissie van Deskundigen van de Raad van Toezicht NOS.

Alle artikelen van Huub Wijfjes op De Nieuwe Reporter.

  • Lia

    beste Huub, leuke recensie. Maar wel jammer dat je niet uitlegt buiten wiens ‘realiteit van alledag’ Deuze staat.

    Of ga jij ervan uit dat ‘de realiteit van alledag’ voor iedereen (waaronder buschauffeurs in Appingedam als redacteuren op het hogeland als mediahistorici in Groningen als mediawetenschappers in Leiden als, en noem maar op) hetzelfde is?

    Misschien zit ‘em daar het verschil tussen je ‘oudere en sceptische redacteur’ en ‘jonge aanstormende talenten’ dan wel in.

  • mijn hemel Huub, wat heb ik je misdaan? want ik vrees dat ik weinig van je recensie snap.

    Je herhaalt voortdurend dat ik volgens jou zomaar wat roep gebaseerd op interviews die ik volgens jou blijkbaar niet eens heb gedaan, op basis van literatuur die ik blijkbaar gemakzuchtig bijelkaar veeg, met een enkele verwijzing naar filosofen waar “oudere” mensen blijkbaar van weten dat die zelf ook maar wat roepen. Ik sta met mijn mond vol tanden. Geef geen antwoorden op de vragen van de journalisten in Appingedam. En ik ben pretentieus (klaarblijkelijk, als ik je woorden goed begrijp, omdat ik meer dan alleen de journalistiek beschrijf, en omdat ik in meer landen dan alleen in Nederland onderzoek heb gedaan).

    Eigenlijk is je verhaal een enorm compliment voor mijn werk. Ik heb volgens jou geen respect voor wetenschappelijke disciplines, ben op z’n zachtst gezegd onorthodox in de manier waarop ik met methoden en data om ga, en kies vooral voor het wijdse overzicht en het Grote Gebaar in plaats van stukjes te schrijven die handige tips bevatten voor het harde werk dat verslaggevers in Groningen en Amsterdam-West elke dag weer doen.

    Inderdaad, dat is precies wie ik ben! Ik ben dolgelukkig dat je dat erkent.

    Los van mijn dank voor je complimenten, wil ik je toch even met alle respect wijzen op enkele feitelijke onjuistheden in je verder nogal vage verhaal.

    Je start met in een zinnetje zo’n beetje al mijn werk van de tafel te vegen: “het onderzoek zou zijn gebaseerd”… Het “zou” zijn gebaseerd? Tja. Vanzelfsprekend heb ik de zaak bijelkaar gelogen. Dat kan de enige logische verklaring zijn, want ik kan toch echt niet wellicht – hou je vast – gelijk hebben?

    Huub, ik vind het met alle respect – ik ken je goed en bewonder je werk – geen stijl (wanneer zijn GS-bloggers er als je ze nodig hebt?) om het werk van een collega op deze manier opzij te zetten. Je bent het niet met me eens, prima. Je wilt meer empirisch werk – ook goed. Heb ik het graag over. Maar ik zie niet uit waarom ik het zou moeten accepteren dat je me voor leugenaar uit maakt (hoe subtiel retorisch dan ook).

    Desondanks ben je van harte welkom de stapel van een kleine 600 transcripties van 15-30 pages per stuk te komen bekijken. Derde verdieping van het RTV gebouw op de campus van Indiana University te Bloomington, VSt. Ik maak koffie.

    Daarnaast beweer je (in een moment van plotse erkenning van het daadwerelijk bestaan van mijn empirische werk): “Die interviews krijgen we niet te zien,” Maar zeker krijg je die te zien: denk bijvoorbeeld aan de citaten die her en der door de hoofdstukken over mediawerkers verweven zitten. Ik kan inderdaad niet al die honderden informanten letterlijk citeren, toegegeven. Wat is daar precies mis mee?

    Je merkt op dat ik argumenteer “Met een verwijzing naar uitsluitend digitale bronnen.” Tja. Dit is een wellicht mooi voorbeeld van een retorische truuk, en het heeft de functie van het subtiel de geloofwaardigheid van mijn hele boek in twijfel te trekken zonder dat dat nou met harde argumenten of concrete voorbeelden duidelijk gemaakt hoeft te worden. De hoofdstukken over de vier domeinen van media werk hebben bijelkaar rond de honderd voetnoten en de gebruikte en veelvuldig gerefereerde en geciteerde literatuurlijst (die is achterin het boek afgedrukt) kent rond de 250 titels – bijna zonder uitzondering wetenschappelijke boeken en tijdschriftartikelen. Misschien is dat niet voldoende in jouw ogen? Welke relevante artikelen of boeken uit de internationale wetenschappelijke literatuur heb ik volgens jou gemist?

    Dan zeg je ook nog – en dit is een mooi voorbeeld van een stukje Google huiswerk waar jij en ik onze eerstejaars studenten een onvoldoende voor zouden geven – “En dan ook nog eens geïnspireerd door een herontdekte goeroe-wetenschapper” met een enkel linkje naar een artikel uit 2006 over Zygmunt Bauman uit het NRC Handelsblad. Ik hoef natuurlijk niet iemand als Bauman – een zowel gevierd als (gelukkig maar) bekritiseerd socioloog – hier te verdedigen. Maar heb je dat artikel in het NRC goed gelezen? Als je dat nog eens doet, zie je precies waar ik het in het begin al over had: de wetenschappelijke garde die door de bomen vol data het bos der betekenis niet meer ziet vindt hem maar niets, zij die op zoek zijn naar duiding, inspiratie en nieuwe analyses kunnen uitstekend bij Bauman terecht. In die zin ben ik er graag trots op dat je ziet dat mijn argumentatie verwant is met zijn werk en gedachtengoed!

    Terzijdetip: lees het werk van Bauman zelf ook eens. “Liquid Modernity” uit 2000 bijvoorbeeld. Of “Modernity and the Holocaust” (1989). Denk ook aan “Consuming Life” uit 2007. Mooi werk. Empirisch? Dat ligt er aan. Sinds wanneer is wetenschap gebaseerd op bronnenkennis en intellectuele diepgang niet relevant meer? Heb ik een missive van de Wereldraad der Wetenschappers gemist? Waarschijnlijk (en hopelijk) is dat verzeild geraakt in mijn spamfilter.

    Nou ja – deze reactie is al weer veel te lang. Mijn excuses daarvoor.

    Huub, dank voor het feit dat je mijn werk lijkt te zien voor wat het is: nogal ambitieus, tamelijk eclectisch en blijkbaar, volgens jou, een mogelijke bron van inspiratie of herkenning voor “jonge aanstormende talenten” (in de media of in de wetenschap wellicht). Dat is een fantastisch compliment, en als dat inderdaad mijn bescheiden bijdrage aan de academie mag zijn, ben ik oprecht dankbaar en intens gelukkig.

  • Op het gevaar af omschreven te worden als een groentje die nooit met de voeten in het bluswater heeft gestaan, toch dit:

    ik schrok toen ik las dat er kritiek gegeven werd op het feit dat Media Work geen praktisch advies geeft aan mensen uit de praktijk. Mocht dit een noodzakelijke voorwaarde zijn om van een goed wetenschappelijk werk te spreken, dan mag ik 99% van de literatuur die ik lees of gelezen heb in het kader van mijn eigen proefschrift, wegsmijten. Wetenschappelijke publicaties zijn inderdaad vaak te abstract en theoretisch om direct tot nut van mensen uit de praktijk te zijn. Maar zijn ze daarom minderwaardig? Of minder belangrijk? Of verdienen ze daarom kritiek? Ik hoop en meen alvast van niet. Overschat ik de praktijk als ik vermoed dat ze zelf best weet hoe met deze theorieën om te gaan? Deuze raakt enkele belangrijke aspecten, zonder altijd antwoorden voor de praktijk te geven. Maar is in veel gevallen de vraag stellen niet belangrijker dan ze te beantwoorden?

    Ook de kritiek als zou het een dooddoener zijn om het over de vervlechting van media te hebben, vind ik verrassend. Het doet me bijna m’n meest recente hoofdstuk de vuilbak ingooien. Hoe kan je vandaag de dag onderzoek verrichten of boeken schrijven over de huidige mediasituatie zonder het over de veranderende grenzen van media en skills te hebben? Ik merk trouwens bij mijn studenten dat die vervlechting helemaal niet zo algemeen bekend is als het op het eerste zicht lijkt, dus dit verdient onze verdere aandacht. Met McLuhan’s dooddoener ‘the medium is the message’ sla ik elk jaar studenten morsdood, maar het blijft voor mij essentieel dat ze dit begrijpen, pakweg om in te zien dat het internet geen uniform medium is, maar bestaat uit verschillende toepassingen met een eigen logica en specifieke effecten. Ik ben er van overtuigd dat studenten hier in de praktijk hun voordeel uit kunnen halen. En als ze echt praktische ‘tricks and tools’ nodig hebben, verwijs ik hen graag naar enkele praktijkhandboeken.

    Ik heb Mark Deuze nog nooit persoonlijk ontmoet,laat staan dat ik hem omarmd heb “als hippe vertolker van mijn levensgevoel”, maar ik geef toe dat ik misschien
    vooringenomen ben. Ik gebruik immers enkele ideeën en concepten van hem in m’n proefschrift. Voor mij zijn ze alvast waardevol om de productie en consumptie van mediaconvergentie te begrijpen, en dit zónder praktische tips en mét ‘dooddoeners’.

  • Natuurlijk, Deuze verbindt zich min of meer aan het gedachtegoed van Bauman, die overigens vooral bekritiseerd wordt vanuit conservatief-wetenschappelijke kring. Het siert Deuze dat hij juist niet in de val trapt van die traditionele wetenschap. De werkelijkheid om ons heen is nu eenmaal een lappendeken geworden van meningen, zichtbare en onzichtbare structuren.

    Dat Deuze kiest voor Bauman en niet voor bijvoorbeeld Zizek of Adorno zegt iets over zijn grondhouding in het vakgebied. Het heeft er alle schijn van dat Huub Wijfjes nauwelijks weet heeft van de complexiteit van de hedendaagse werkelijkheid en daarmee Mediawork af doet als een onsamenhangend geheel.

    Niets is waarschijnlijk minder waar. Toegegeven, Mediawork heb ik nog niet gelezen. Wel de vorige boeken van Deuze waarin hij op eenzelfde manier te werk gaat. Ik ben het meer dan eens niet met Deuze eens. Maar dat laat onverlet dat Deuze, volgens de beschrijving van Wijfjes, de mediawetenschap in dit boek probeert te omschrijven zoals het hoort. Door immers te doen alsof er in de mediawereld (en in de wereld daarom heen) sprake is van een helder en eenduidig systeem met duidelijke waarden en normen, ontstaat er pseudowetenschap.

    En die is, zoals overal op universiteiten en hogescholen te merken, helaas oververtegenwoordigd.

  • Het komt een enkele keer voor: de auteur van een gerecenseerd werk is zo verbolgen dat zijn meesterwerk de recensent tegenviel dat hij frontaal de aanval op de recensent opent. Ik heb dat in mijn meer dan 20-jarige arbeid als recensent (met honderden recensies) slechts twee keer eerder meegemaakt. Mark Deuze is de derde. Hij is zo’n auteur die liever de boodschapper vermoordt dan de boodschap weerlegt. Neem nu zijn poging om mij ervan te beschuldigen dat ik hem een leugenaar vind. Dat is natuurlijk nergens te vinden in mijn stuk; dat zou ik echt van niemand durven beweren zonder een sluitend bewijs te hebben. En om elk misverstand hierover weg te nemen: ik vind niet dat Deuze liegt.

    Ik schrijf wel dat ik het onaanvaardbaar vind om geen verantwoording af te leggen van de belangrijkste bronnen waarop iets gebaseerd is. En dan bedoel ik niet dat ik de 600 interviews zou willen lezen die blijkbaar gemaakt zijn (dank voor deze informatie, Mark), maar dat ik graag zou willen weten wie die 600 dan zijn, hoe ze zijn geselecteerd, hoe representatief ze zijn voor wat in de mediawereld, welke vragen aan hen zijn gesteld en hoe die antwoorden zijn verwerkt. Ik vind het een goede conventie in de wetenschap om daar inzicht in te krijgen alvorens we de interpretatie krijgen voorgeschoteld van de gegevens die eruit zijn gerold.

    Maar zoals ik beschrijf (feitelijk is dat de hoofdlijn van mijn betoog): aan dergelijke conventies heeft Deuze een hekel; die sluiten volgens hem niet meer aan bij de nieuwe, vloeibare tijd. Daar moeten misschien nieuwe conventies voor ontwikkeld worden, maar als ik het goed lees is zelfs dat de vraag. Alles wordt vloeibaar en dus heeft vastigheid weinig tot geen functie meer. Ik ben het daar helemaal niet mee eens, met bevestiging overigens van het gegeven dat overal (in de journalistiek en wetenschap bijvoorbeeld) conventies ter discussie worden gesteld. Maar als je van mediawerkers openheid en verantwoording over hun normen eist (daar ben ik het van harte mee eens) dan moet je zelf toch niet nalaten openheid en verantwoording te tonen.

    Ik geloof dat Deuze zich mijn kritiek ook te persoonlijk aantrekt en daardoor mijn tekst verkeerd leest. Als ik constateer dat hij (naast literatuur) vooral verwijst naar digitale bronnen dan interpreteert hij dat onmiddellijk als een veroordeling (alsof digitale bronnen minderwaardig zouden zijn en alleen gemakzuchtig bij elkaar gezapt kunnen worden), maar ik vind dat helemaal niet. Wel vind ik dat je ook bij digitale bronnen zorgvuldige bronnenkritiek moet toepassen en ik geloof niet dat Deuze dat altijd doet. Hij plukt overal wat vandaan dat hem in zijn gedachtegang uitkomt.

    Ben ik dan zo extreem en eenzijdig negatief dat het Deuze’s meelijwekkende reactie verklaart? Ik denk toch niet. Binnen het genre dat hij beoefent (en waar ik methodologisch grote bezwaren tegen heb) vind ik zijn werk een goede uitzondering. Het is in ieder geval systematische opgebouwd en helder geschreven. Ik noem zijn boek zelfs ‘een knap en erudiet staaltje literatuurexercitie’ dat ‘fraaie vergezichten opent’. Ook vind ik dat hij een breed kader schetst waarin antwoorden kunnen worden gezocht op vragen naar de manier waarop journalistiek zich zou kunnen ontwikkelen in onze dynamische tijd.

    Het zijn opmerkingen die Deuze’s werk de eer geven die het verdient, maar ik wil toch niet verhullen (dat is mijn taak als onafhankelijk recensent) dat dergelijke brede beschouwingen grote nadelen en beperkingen met zich mee brengen. Van een werk dat getuige de titel vooral over ‘mediawerk’ wil gaan, verwacht je namelijk ook analyses van concrete situaties en eventueel suggesties waar de praktijk iets aan heeft. En dan bedoel ik niet een boekje met ‘tips’, maar beschouwingen over een concreet journalistiek vraagstuk, zoals de organisatie van het nieuwsproces, onafhankelijkheid, engagement, verantwoordelijkheid, geloofwaardigheid e.d. Zoiets als het Genootschap van Hoofdredacteuren nu gedaan heeft met hun voorstel voor een journalistieke code (zie elders op deze site: http://www.denieuwereporter.nl/?p=1357 ).

    Maar dan hebben we het over een poging tot het in zekere mate vastvriezen van gedrag en opvattingen en daar is Deuze tegen; die wil ontdooien tot een moeras ontstaat waarin niemand zich meer vast wil leggen en ieder zijn ding doet. Persoonlijk vind ik dat de mensheid daar veel minder bij gebaat is bij het inzichtelijk maken van je normen, maar daar zal ik wel ouderwets in zijn. Dat zij zo.

  • @Huub: dank voor je toelichting – ik kan mezelf volledig vinden in al je aanvullend commentaar en accepteer je typering van mijn perspectief.

    ik ben inderdaad vooral geinteresseerd in wat er gebeurd (praktisch zowel als intellectueel) als je alles open gooit en laat stromen, maar ik heb net zoals jij respect voor zij, die het tegenovergestelde zinniger vinden.

    ik las in je recensie inderdaad meer venijn dan nu blijkt – een reden te meer waarom ik je uitleg enorm waardeer.

    overigens, heel concreet: de reden waarom een methodologische appendix c.q. uitleg ontbreekt in het boek is domweg omdat ik met mijn manuscript 12.000 woorden over de maximumgrens van de uitgever zat. het weglaten van zo’n te doen gebruikelijke appendix (en daarin ben ik het met je eens, Huub) was ons compromis.

    overigens zijn die honderden interviews nooit bedoeld, opgezet of uitgevoerd als representatief. ik wilde alleen zien hoe de inzichten opgedaan uit bronnenonderzoek (alles van individuele weblogs van mediawerkers via vakbladen tot aan de wetenschappelijke literatuur over mediawerk) zich verhielden tot het discours van professionals.

    daarnaast heb ik de individuele hoofdstukken over de vier beroepsgroepen (journalsitiek, reclame, film/TV, videogames) voor publikatie laten lezen door enkele expert-contacten binnen die disciplines – dit om te zien of zij mijn beschrijving en duiding van hun wereld herkenden.

    gezien de reacties die ik krijg – vooral nu het boek uit is – van met name mensen uit de praktijk (bij presentaties van de conclusies op congressen van professionals, zoals bijvoorbeeld in Amerika op InVerge voor marketing en reclamemensen, of bij het Newsguild voor journalisten), denk ik dat mijn conclusies tamelijk nauw aansluiten bij de huidige ontwikkelingen in de praktijk van mediawerk en -management.

    Ongetwijfeld zijn er verschillen in de mate en snelheid waarin zich de door mij geschetste trends zich ontwikkelen in verschillende bedrijfstakken of landen – maar de richting en betekenis van de ontwikkelingen zijn nagenoeg hetzelfde – vandaar mijn soms nogal “sweeping’ stellingname in het boek.

    Los van dit alles, en in alle oprechtheid: dank voor je recensie en uitleg! wellicht trek ik je kritiek meer aan omdat ik een fan van je werk ben…

  • Henk Ruyssenaars

    Citaat Huub Wijfjes: “Ik schrijf wel dat ik het onaanvaardbaar vind om geen verantwoording af te leggen van de belangrijkste bronnen waarop iets gebaseerd is. En dan bedoel ik niet dat ik de 600 interviews zou willen lezen die blijkbaar gemaakt zijn (dank voor deze informatie, Mark), maar dat ik graag zou willen weten wie die 600 dan zijn, hoe ze zijn geselecteerd, hoe representatief ze zijn voor wat in de mediawereld, welke vragen aan hen zijn gesteld en hoe die antwoorden zijn verwerkt. Ik vind het een goede conventie in de wetenschap om daar inzicht in te krijgen alvorens we de interpretatie krijgen voorgeschoteld van de gegevens die eruit zijn gerold.”

    Doet me denken aan de oude man in de Sahara die ervoor waarschuwde nooit uit bronnen te drinken die men niet kent.

    Maar, is één van deze figuren die zich journalist durft te noemen, of ’n hoogleraar journalistiek met ‘extern gefinancierde’ leerstoel, ooit opgestaan en heeft gezegd dat de invasie van Irak illegaal was?

    Dat er volgens de cijfers van UNICEF vóór deze invasie begon in 2003, al anderhalf miljoen dode Irakezen waren gevallen door de VS/GB sancties? En dat daar volgens de laatste informatie nog 1.2 miljoen bijkomt? We zijn dus medeschuldig gemaakt aan het vermoorden van 2,7 miljoen mensen in Irak alleen al. En niemand die er iets hardop in de media van zegt?

    En waarom doen ze dat dan niet?

    Wat ‘journalistiek’ is, weten de meesten in Nederland niet meer. Ze maken infotainment voor rekening – en volgens het format – van hun opdrachtgevers, en regelmatig bewieroken de propagandisten elkaar wederzijds.

    Maar, aangezien de invasie van Irak illegaal was, dan maakt dat al deze mensen die er niets van zeggen toch zeker oorlogsmisdadigers?

    Dat zei tenminste de Secretaris generaal van de Verenigde Naties Kofi Annan in en BBC interview: de invasie van Irak is illegaal. – BBC Url.: http://tinyurl.com/5pl2v

    En dus strafbaar.

    Dat geldt ook voor alle propagandisten.

    HR

  • Wat Mark Deuze doet (onderzoeksjournalistiek) is alleen al goed om het bestaan van het uitstervende ras van echte vorsers nog wat op te rekken. Dankzij Google hoef je niet steeds de deur uit en via bol.com vallen de boeken die je moet lezen voor de literatuurlijst achterin ook al gemakkelijk op de deurmat. Het journalistieke leven is er vele malen gemakkelijker op geworden. De verwerking van journalistieke stukken evenzeer, ook al noemt Henk Ruijssenaars de meeste producten gemakhalve infotainment. Panem et circences, Henk!

    Overigens, Henk (even buiten de discussie). Ik kende de opmerkelijke uitspraak van Kofi Annan niet. Misschien was ik op vakantie… Overigens zou een goede onderzoeksjournalist al snel constateren dat de oorlog in Irak gewoon wordt geredigeerd door de Federale Bank van Amerika. Er wordt grof geld aan verdiend en als er veel geld valt te verdienen, heiligt het doel alle middelen. Illegaal of niet.

    In de journalistiek is het al niet anders. Infotainment brengt geld op, serieuze onderzoeksjournalistiek niet. Die paradox zal alleen maar groeien.