Motieven en beroepsideeën studenten journalistiek

Recentelijk berichtte Nadine Böke voor De Nieuwe Reporter over Brits en Noors onderzoek naar wat studenten journalistiek zo aanspreekt in het beroep van journalist en wat hun ideeën zijn over de mogelijke beroepsuitoefening. Aan Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg wordt sinds 1999 aan alle nieuwkomers gevraagd wat hen tot de keuze van een journalistieke opleiding heeft gebracht en hoe ze tegen het vak aankijken. Bovendien krijgen de vers afgestudeerden nog eens de gelegenheid om hun beroepsideeën prijs te geven.

Het zou aardig zijn om de onderzoeksresultaten van Tilburg te vergelijken met de buitenlandse. Echter: de vraagstellingen wijken te sterk van elkaar af. Een open vraag naar de belangrijkste reden om journalist te worden levert een ander antwoordpatroon op dan de gesloten vraag (dus met voorgegeven antwoordmogelijkheden) wat de belangrijkste reden is om te kiezen voor een hbo-opleiding journalistiek. Bovendien zijn in het engelse onderzoek pr en voorlichting expliciet gerekend tot het werkterrein van de journalist.

Motieven en ideeën van eerstejaars
Sinds 1999 zijn in Tilburg zo’n 2400 eerstejaars kort na het begin van hun studie ondervraagd. De respons is alle jaren zeer hoog geweest, tussen 97 en 99 procent. Vanaf 2001 is de vragenlijst gestandaardiseerd.

Journalist willen worden is niet altijd het belangrijkste motief om te kiezen voor een hbo-opleiding Journalistiek. In Tilburg geldt dit de laatste zeven jaren voor 56 procent. In de periode 2001-2003 schommelde dit rond de 50 procent, sinds 2004 ligt het iets hoger, rond de 55 procent. Zo’n 15 á 20 procent wil, meer algemeen, graag bij media gaan werken. Per saldo hebben zeven op de tien eerstejaars mediawerk (al dan niet journalistiek) voor ogen. Gemiddeld 23 procent kiest vooral voor de opleiding in de overtuiging daar later veel kanten mee uit te kunnen.

Van deze laatste groep vallen er gaande de opleiding meer uit de boot dan van de mensen die vanaf het begin directer op journalistiek zijn gefocust. Het cohort 2004 kende na twee jaar 60 procent studiestakers, van wie de helft uit eigen initiatief (vooral omdat journalistiek toch geen goede keuze bleek) en de andere helft op basis van slechte studieresultaten. Kennelijk hebben jongeren een beeld van de journalistiek dat niet goed strookt met de werkelijkheid van het vak, zowel qua inhoud als qua moeilijkheidsgraad. Maar geldt dit ook voor de studenten met een journalistieke achterban en voor hen met enige journalistieke werkervaring?

Familie in de journalistiek
Door de jaren heen heeft 13 procent (met slechts een geringe variatie per jaar tussen 10 en 15 procent) van de studenten familie die in de journalistiek werkzaam is. Indien bovendien gelet op vrienden en kennissen blijkt 35 procent een journalistieke ‘achterban’ te hebben. Deze gegevens kunnen al dan niet stimulerend werken. Het blijkt echter weinig uit te maken: het hebben van een journalistieke achterban is voor 28 procent een positieve prikkel geweest om te kiezen voor een journalistieke opleiding, terwijl 23 procent van de andere studenten eveneens door familie of vrienden en kennissen op het spoor van journalistiek is gekomen. De journalistieke achterban blijkt geen invloed te hebben op het resultaat, althans op het doorlopen van de opleiding. Opvallend is hooguit dat studenten mét een journalistieke achterban minder snel zelf het initiatief nemen om de studie te staken.

Gemiddeld 45 procent van de eerstejaars heeft al enige journalistieke ervaring opgedaan voorafgaand aan de opleiding, zij het doorgaans met onbetaald werk. Evenmin als de journalistieke ‘achterban’ heeft journalistieke werkervaring invloed op studiesucces. Maar mensen mét enige journalistieke ervaring volharden sterker: ze stoppen minder op eigen initiatief dan studenten zonder werkervaring.

Van de tien voorgelegde prikkels, die mogelijk een rol speelden bij de keuze voor journalistiek, refereren de studenten het meest aan hun eigen beleving: plezier in schrijven (67 procent), interesse in nieuws (62 procent) en belangstelling voor media (61 procent). Bij alle lichtingen sinds 1999 is plezier in het schrijven een belangrijker stimulans geweest voor vrouwen dan voor mannen. Interesse in nieuws heeft stelselmatig hoger gescoord bij mannen dan bij vrouwen. De veronderstelde afwisseling van soort werk en onderwerpen heeft een rol gespeeld bij de beroepskeuze voor 43 procent; bij vrouwen meer dan bij mannen.

Afwisselend werk
Het journalistieke beroep wordt vooral aantrekkelijk gevonden omdat het afwisselend werk biedt en omdat je veel interessante mensen ontmoet. Maar ook het genieten van mooie eigen producten, het veel op pad zijn en de autonomie scoren hoog. Dienen van de samenleving wordt door niet meer dan 45 procent een aantrekkelijk aspect van het journalistieke beroep gevonden.

Sinds 2002 zijn publiekstijdschriften en televisie (op afstand gevolgd door dagblad) de favoriete mediumtypen, waarvoor de aspirant-journalisten zouden willen werken. In 1999 en 2000 stond dagblad nog bovenaan.

Op een rangordelijst naar de mate van belangrijkheid van journalistieke doelen plaatsen de eerstejaars het zo snel mogelijk informatie naar het publiek brengen bovenaan. Ook het geven van analyses van complexe problemen staat hoog. Verrassend is dat het bieden van ontspanning en vermaak van de negende plaats in 1999 gestegen is naar een tweede plaats in 2003 tot op heden.

Plannen en opvattingen van afstudeerders
Tussen juni 2003 en september 2006 zijn 201 afstudeerders Journalistiek ondervraagd over hun plannen en beroepsideeën. 59 procent wil het liefst direct in de journalistiek gaan werken, 29 procent gaat liever (eerst?!) naar de universiteit. Het belangrijkste motief voor de keuze van de opleiding blijkt enige invloed te hebben op de plannen ten tijde van het afstuderen: 63 procent van hen die destijds expliciet aangaven journalist te willen worden opteren aan eind van de opleiding inderdaad voor werken in de journalistiek; van degenen die met een bredere optie (wil graag bij media werken, je kunt er veel kanten mee uit) zijn gestart wil 51 procent direct na het afstuderen de journalistiek in.

Het favoriete mediumtype is het publiekstijdschrift: 30 procent zou daar het liefst willen werken, 20 procent geeft de voorkeur aan televisie, 18 procent kiest voor dagblad, 10 procent radio en 7 procent zou het liefst de voorlichting in gaan. De landelijke media genieten duidelijk de voorkeur boven de regionale en de bedrijfsjournalistiek.

Tweederde van de afstudeerders vindt het bieden van ontspanning en vermaak een belangrijk journalistiek doel voor zichzelf als beroepsjournalist. Geen enkel ander voorgelegd journalistiek doel scoort zo hoog. Nog geen kwart vindt het belangrijk om zelf als beroepsjournalist claims en uitspraken van de overheid te gaan onderzoeken; eenderde ziet voor zichzelf in het kritisch volgen van ontwikkelingen op het gebied van economie en politiek een belangrijke taak.

Evenals aan het begin van de opleiding gelden aan het eind de afwisseling in het werk en het ontmoeten van interessante mensen als de meest aantrekkelijke beroepsaspecten. Hier is het genieten van het maken van mooie producten bij gekomen. De altruïstische beroepsaspecten (misstanden blootlegggen en de samenleving dienen) worden gaande de opleiding door minder studenten aantrekkelijk gevonden.


9 reacties:

Lia
18 november, 2007

Ik vind dit een interessant onderzoek.
Is de reden van verschuiving van waarden ook onderzocht?
“Aan het begin van de opleiding gelden de afwisseling in het werk en het ontmoeten van interessante mensen als de meest aantrekkelijke beroepsaspecten. Aan het eind is daar het genieten van het maken van mooie producten bij gekomen. Altruïstische beroepsaspecten (misstanden blootlegggen, samenleving dienen) worden gaande de opleiding door minder studenten aantrekkelijk gevonden.”

Is het zo dat de altruistische waarden minder aantrekkelijk worden gevonden? Of worden zij minder aantrekkelijk gevonden ten opzichte van de andere waarden. Als dat laatste zo is, zou het dan zo kunnen zijn dat dit is omdat studenten die aan het eind van de opleiding zijn het idee hebben dat ze hun weg hebben gevonden/zelf de openingen kunnen vinden die ze nodig hebben om hun journalistieke wegen te bewandelen/hun invloeden kunnen doen gelden, terwijl studenten die aan het begin staan die weg nog aan het blootleggen zijn? Het zou stroken met de uitkomsten dat mensen mét enige journalistieke ervaring sterker volharden en minder stoppen met de opleiding dan studenten zonder werkervaring. Ik ben benieuwd.
vriendelijke groet,

Mark Deuze
18 november, 2007

Ben ook benieuwd naar het antwoord op Lia’s vraag. Journalisten in spe lijken hun beeld van het beroep vooral bij te stellen op basis van individualistische waarden: lekker voor jezelf in alle vrijheid leuk bezig zijn in plaats van “the greater good” dienen. Dat roept vragen op naar de rol van reflectie en ethiek in de opleiding (en hoe dit soort thema’s pedagogisch worden aangepakt).

Daarnaast valt eens te meer op dat echt helemaal niemand het voor zich ziet om als internet-, online-, of multimediajournalist te gaan werken – terwijl zij daar in de huidige beroepspraktijk zo’n beetje allemaal op worden afgerekend. Hoewel journalistenopleidingen wel degelijk sterk inzetten op nieuwe media in het curriculum, lijkt daar een soort ontmoedigingscultuur achter te zitten – hoe kan het toch dat studenten journalistiek anno 2007 die media nog steeds niet zien voor de creatieve vrijplaatsen die het (kunnen) zijn?

Lia
18 november, 2007

Mark,

persoonlijk is mijn ervaring dat de docenten van wie ik les kreeg (niet Fontys) beter waren in projectie (eigen gevoel toeschrijven aan studenten) dan in reflectie (wat vind ik van een situatie (willekeurig), hoe zou ik deze eventueel kunnen veranderen).

Dat is raar en niet goed : reflecteren op gevoelsniveau is onder- beter gezegd niet belicht, terwijl dat wel een niveau is waarop beslissingen worden genomen, namelijk over de (inhoudelijke) richting die de student wil inslaan.

Michaël Opgenhaffen
18 november, 2007

Net als Mark ben ik elk jaar weer verbaasd dat zo weinig studenten de online nieuwsmedia als potentiële werkgever zien. Elk jaar vraag ik in het begin van m’n cursus ‘online journalistiek’ waar ze willen werken en slechts een absolute minderheid denkt aan online media. Na een reeks van colleges is er een stijging te zien (gelukkig maar voor mijn arbeidsvreugde), maar het blijft een minderheid. Ik vraag hen ook regelmatig naar de redenen hiervoor:

- aanzien (zeggen dat je voor een krant, tijdschrift, radio of tv werkt heeft volgens mijn studenten meer aanzien dan voor een online medium te werken. Hierbij denken ze vooral aan hun ouders, grootouders, mensen die niet met online nieuws zijn opgegroeid).

- geld (ze denken dat een traditioneel medium beter betaalt dan een online medium)

- werkuren (het idee leeft dat ze, eens ze online journalist zijn, dag en nacht beschikbaar moeten zijn om van thuis uit berichten online te plaatsen)

- inhoud (online is het vooral ’samenvattende verslaggeving’, terwijl in kranten en tijdschriften er meer achtergrond en diepgang kan gegeven worden).

Uiteraard kan ik elk argument voor het grootste deel tegenspreken, maar toch zijn er ook zaken die ik ter verdediging van deze clichébeelden kan opwerpen.

- aanzien (doe eens de test: ‘hoeveel mensen van boven de 40 kent een online journalist bij naam?’ Ik zeg niet dat alle aanzien moet afgemeten worden aan naambekendheid, maar het kan een indicatie zijn, zeker vanuit het standpunt van ambitieuze studenten. Probleem blijft volgens mij dat er online veel te weinig namen van auteurs bij de nieuwsstukken geplaatst wordt, alsof het stuk door een robot zou zijn gemaakt.)

- geld (door het succes van gratis burgerjournalistiek en het gebruik van shovelware door online media is het niet zo vreemd dat studenten denken dat er weinig toekomst is voor online journalisten en dat die enkelingen weinig verdienen door concurrentie met burgers die het zelfs gratis willen doen.)

- werkuren (zeggen we als docent journalistiek niet allemaal dat er online ‘geen deadlines zijn’ of er net ‘een permanente deadline heerst’?)

- inhoud (hoeveel ‘traditionele online nieuwsmedia’ hebben een exclusief editoraal of opiniebijdrage? Hoeveel primeurs scoren ze in vergelijking met traditionele media? Hoeveel online journalisten van een digitale krant mogen naar een belangrijke gebeurtenis terwijl de traditionele journalist op de redactie moet blijven? Antwoord: veel te weinig)

Nogmaals, ik ben er heilig van overtuigd dat online journalistiek als beroepsmogelijkheid een belangrijk aandeel heeft (en nog meer zal krijgen) en dat studenten te traditioneel denken als het op beroepsdroom aankomt.

Maar we mogen ook niet voorbijgaan aan de gebreken (of beter eigenschappen) van de online nieuwsmedia die er voorlopig voor zorgen dat ‘online journalistiek’ als minder aantrekkelijk wordt beschouwd. In mijn overtuiging is het de opdracht van de online media om dit bij te sturen en de opdracht voor docenten om deze clichébeelden te nuanceren en toekomstige inspanningen van online media te accentueren (en dus inderdaad ook in te spelen op het gevoelsniveau van studenten zoals LIA schrijft).

Lia
19 november, 2007

Even om misverstanden te voorkomen: er is een groot verschil tussen inspelen op gevoelsniveau en reflecteren op gevoelsniveau. Ik heb het met opzet niet over inspelen op het gevoelsniveau van studenten. De kans dat er teveel sprake raakt van sturing (door een (bevlogen) docent (bijvoorbeeld richting online media) wordt daarmee te groot. Ik heb het over met studenten reflecteren op gevoelsniveau. Dus: vragen stellen, doorvragen, na laten denken, structuur aanbrengen in het denken over de richting die een student in wil slaan, of beter gezegd, aan het begin van een opleiding zei in te willen slaan en aan het eind van een opleiding zegt in te willen laten slaan.
groet,

Toon Rennen
21 november, 2007

Beste Lia, Mark, Michael,

Jullie vragen mij hoe het zit met de verschuiving van waarden onder journalistiek-studenten en met hun geringe belangstelling voor online journalistiek.
Ik kan alleen extra onderzoeksinformatie geven. Echte verklaringen heb ik niet. Uiteraard kan ik wel wat speculeren.

Verschuiving van waarden en voorkeuren

Van de laatste 262 onderzochte afstudeerders vindt 93% de afwisseling in het journalistieke werk een aantrekkelijk beroepsaspect. 91% vindt het kunnen genieten van het maken van mooie producten aantrekkelijk en 90% ziet uit naar het ontmoeten van interessante mensen. Het enige van deze drie beroepsaspecten dat voor deze populatie nog populairder is geworden is dat van het genieten van het maken van mooie producten; aan het begin van de opleiding gold hier een percentage van 82%. Autonomie en het veel op pad zijn worden zowel aan het eind als aan het begin van de opleiding door ruim 80% aantrekkelijk bevonden.
Aan de andere kant zien we dat 44% aan het eind van de opleiding nog ambitie heeft om misstanden bloot te gaan leggen en 43% om de samenleving te gaan dienen, terwijl bij de start maar liefst 68% het aantrekkelijk leek om maatschappelijke problemem aan de kaak te stellen en 51% om dienstbaar te zijn aan de samenleving.
Ik denk dat we de verklaring voor deze verschuivingen niet moeten zoeken bij de opleiding, die immers voortdurend hamert op de maatschappelijke functie en verantwoordelijkheid van journalistiek, maar dat het vooral een kwestie is van persoonlijke ontwikkeling van jongeren tussen de 17 en 23 jaar die ideologisch weinig bevlogen zijn en voor wie werk allereerst leuk moet zijn en niet zwaarwichtig. Dit is dus een generatiegegeven, dat los staat van de beroepskeuze. Bovendien hebben deze studenten afgelopen jaren kennis gemaakt met een beroepspraktijk, die verhoudingsgewijs veel ruimte is gaan geven aan lichtere onderwerpen en meer onderhoudende genres.
Hoe dan ook, tijdens de jaren van hun opleiding zijn per saldo studenten voor zichzelf juist de wat ‘lichtere’ journalistieke doelen (bieden van ontspanning en vermaak, presenteren en signaleren van nieuwe trends, ontwikkelen van de intellectuele en culturele interesses van het publiek) belangrijker gaan vinden; met toegenomen voorkeur voor ‘zachtere’ onderwerpen zoals kunst & cultuur, toerisme & recreatie, gezondheid, welzijn & opvoeding. Hier sluiten de favoriete mediumtypen publiekstijdschrift en televisie naadloos bij aan.

Internetjournalistiek

Gevraagd naar het mediumtype waarvoor ze het liefst willen werken kiezen inderdaad maar weinig (2%) afstudeerders voor internet. Ook bij hun tweede voorkeur blijft de score laag, nl. 4%. Onder eerstejaars zijn er eveneens maar weinigen die in internet hun favoriete werkmedium zien; bij de lichting 2007 is dat niet meer dan 2%. Daar staat tegenover dat in 2007 22% de opleiding is binnengekomen met journalistieke werkervaring op internet, waarvan meer dan de helft (ook) op een eigen weblog
De verklaringen voor de geringe belangstelling van journalistiek-studenten voor online journalistiek die Michaël noemt zijn plausibel. Ik zou er één aan toe willen voegen die te maken heeft met de vraagstelling. Misschien denken studenten veel multimedialer dan ze in het beantwoorden van de voorgelegde vragen kwijtkunnen. Ik sluit niet uit dat ze werken op internet een vanzelfsprekend aspect van álle journalistiek werk vinden en dat ze, gevraagd naar hun favoriet mediumtype of beroepsveld, eerder denken aan de traditionele media, omdat daar vrijwel alle werkgevers zitten.

Anke
21 november, 2007

Wat ik echt mis in het onderzoek is een onderzoek onder deeltijdstudenten journalistiek in Tilburg. Want die zijn er namelijk ook! Gemiddeld een stukje ouder dan een voltijdstudent, maar absoluut gemotiveerd om het vak in te gaan. En van deze deeltijdstudenten is er ook een aantal dat uitdrukkelijk in een “nieuwe media” omgeving werk wil vinden.

Wij (deeltijdstudenten) vallen vaak buiten dergelijke onderzoeken. Jammer, want voor een juiste beeldvorming over motieven en beroepsideeën is deze groep ook interessant!

Lia
21 november, 2007

Hallo Toon,

Dank je wel voor je aanvullende toelichting. Deels kan ik me wel vinden in je uitleg dat een verschuiving van de waarden minder bij de opleiding dan bij de studenten moet worden gezocht. Het zal immers ook een weerspiegeling zijn van wat er maatschappelijk gezien gebeurt; minder overall ideologieen, meer ‘maakbaarheid’ van de eigen omgeving dwz vormgeven van het eigen leven/kiezen uit de vele keuzemogelijkheden die er zijn etc. Als de maatschappelijke kaders ooit weer veel strakker worden gezet, dan zullen ongetwijfeld de meer activistische journalisten weer opstaan.

Niettemin denk ik dat het toch ook een kwestie is van vraag en aanbod. Kennelijk verschuiven de waarden van de studenten die redelijk altruistisch/ideologisch aan de opleiding beginnen naarmate de studie vordert richting lichtere vormen van journalistiek. Dat kan zijn omdat om welke reden dan ook hun waarden verschuiven (ouder worden en relativeren of moedeloos omdat ze de last van de wereld niet op hun schouders kunnen dragen of wat dan ook ;-)), maar het kan ook zijn omdat de opleiding de nadruk legt op ‘zachtere’ onderwerpen. Of omdat het overgrote deel van de medestudenten voor zachtere onderwerpen kiest en de ik zal ze maar even ideologisch getinten noemen daarin wel mee moeten gaan omdat producties bijvoorbeld per klas worden gemaakt en de ijkpersoon een jup is in plaats van een activist. Dit is een beetje het kip/ei verhaal. Stem je het aanbod af op de vraag, en zo ja op welke vraag dan, die van studenten of die van het werkveld, of wordt de vraag afgestemd op het aanbod. Overigens kan ik me wel voorstellen dat je met het grote aanbod van journalistieke opleidingen op zowel hbo als universitair niveau wel keuzes maakt in het aanbod, maar daar zou dan misschien nog meer duidelijkheid over gegeven kunnen worden opdat studenten niet gaandeweg de opleiding ontdekken dat opleidingen keuzes hebben gemaakt in dat wat ze aanbieden, maar dat ze dat voorafgaand aan hun keus al weten. Dan hou je als student ook werkelijk wat te kiezen.

Je opmerking over internet als vanzelfsprekendheid slaat inderdaad veel hout, waarbij ik wel opmerk dat ik als oudere toch nog veel heel veel voorkeur voor de ‘ouderwetse’ media en de lange documentaires heb.
Nogmaals dank voor je aanvulling, het interesseert mij enorm.
Vriendelijke groet,
Lia

Toon Rennen
23 november, 2007

Anke,

Sorry dat ik in mijn bericht voorbij ben gegaan aan de deeltijd-studenten, terwijl zij bij binnenkomst evenzeer ondervraagd worden over hun motieven en beroepsideeën. Dat onderzoek loopt sinds 2000; met een gemiddelde response van 87%. Omdat er de laatste vier jaar niet meer dan 42 afstuderende deeltijders zijn ondervraagd kan ik over hen nauwelijks houdbare statistische gegevens presenteren. Overtuigend is wel dat maar liefst 86% van die 42 ook echt wil gaan werken in de journalistiek, terwijl slechts 53% van hen dit aan het begin van de opleiding te kennen gaf (nog eens 25% koos voor de opleiding om zich verder te verdiepen in de kennis en vaardigheden van journalistiek).

Ik beperk mij nu tot enkele gegevens over de eerstejaars deeltijd-studenten en wel in een vergelijking met de voltijd-studenten.
· Deeltijd-studenten hebben meer journalistieke werkervaring en zijn daar ook vaker voor betaald. Meer dan een kwart heeft die ervaring opgedaan bij verenigings-, personeels- en/of bedrijfsbladen.
· Ze hebben doelgerichter gekozen voor journalistiek.
· Deeltijd-studenten hechten meer waarde aan het middels journalistiek ontwikkelen van intellectuele en culturele interesses van het publiek alsook aan het stimuleren van het publieke debat over zaken waarover de politiek nog besluiten moet nemen.
· Ze vinden de ontspanningsfunctie van journalistiek minder belangrijk alsook het focussen op nieuws voor een zo breed mogelijk publiek.
· Qua favoriet mediumtype kan het dagblad bij de deeltijders nog concurreren met publiekstijdschrift en televisie.
· In de top-5 van favoriete onderwerpen staan wereldnieuws en kunst & cultuur bij vol- én deeltijders bovenaan. Daarna komen de verschillen: deeltijders kiezen meer voor nieuws uit de multiculturele samenleving, gezondheid/welzijn/opvoeding/onderwijs en binnenlandse politiek, terwijl de voltijders zich liever met geweld & criminaliteit, sterren uit de amusementswereld en rampen & ongelukken bezighouden.
Al bij al lijkt de leeftijd een belangrijke rol te spelen. Deeltijders zijn immers een stuk ouder dan voltijd-studenten.


Laat een reactie achter »