Na mij jarenlang te hebben verzet tegen de manie die onder mijn vrienden woedde, ben ik december 2006 bezweken en toch ook maar lid geworden. Hyves. Tot die tijd hield ik vol: “Ik zie mijn echte vrienden al te weinig, laat staan dat ik ze ook nog digitaal moet opzoeken en te maken krijg met ex-vrienden en mensen van acht jaar geleden. Dat ik ze al acht jaar niet meer gesproken heb moet een reden hebben, ik heb er geen behoefte aan oppervlakkige krabbeltjes te sturen.” Ik heb nu 86 digitale vrienden, waaronder hele goede die ik bijna dagelijks zie, maar ook mensen die ik tien jaar geleden in Spanje op vakantie heb ontmoet en daarna nooit meer gezien of gesproken heb. Precies waar ik geen zin in had. Alle redenen waarom ik geen lid wilde worden.
En toch ben ik er bij gekomen, meteen ook enthousiast lid van allerlei andere hyves: De Amsterdam Oud-West Hyve, de Margreet Dolman Hyve, de Jane Hyve, zelfs de Ik-heb-sproeten Hyve. Mijn persoonlijke hyve is sinds 29 december 1282 keer bekeken en er staan 22 foto’s op. Tsja.
Wat zegt het over mij dat ik blijkbaar toch bij die kudde moet horen? Wat zegt het over mijn generatie dat we ons allemaal heel graag willen laten zien, onszelf omschrijven in profielen, en elkaar allemaal willen laten zien waar we van houden, waar we aan denken, mee bezig zijn en waar we zijn? Je kan zelfs aangeven met welke merken je je identificeert. Een greep uit waar mijn vrienden zich zoal mee afficheren: Albert Heijn, Ben & Jerry’s, Coffee Company, Dove, Firefox, H&M, K-swiss, Nivea, Pickwick, Postbank, Pringles, Revlon, T-Mobile, Vero Moda, Villeroy & Boch, Zilveren Kruis.
IKEA
Ik behoor tot de eerste generatie waarbij internet een vanzelfsprekend onderdeel van het bestaan is geworden. De traditionele media die worden gekenmerkt door termen als one-to-many en top-down staan niet meer op zichzelf en worden omsingeld door het internet: peer2peer, many-to-many en bottom-up, niche-gericht. In het land der traditionele media is éénoog koning, maar op het internet is iedereen koninklijk. Wij zijn allemaal in staat onszelf in het spotlicht te zetten en ons te laten bewonderen. Wij zijn allemaal in staat om dingen uit te zoeken en stukjes te schrijven, burgerjournalist te zijn en voor een encyclopedie te schrijven. Marx was er vast dol op geweest, en Adorno had er waarschijnlijk zijn vraagtekens bijgezet. De individualiteit waarmee we onszelf aan de wereld verkopen komt namelijk neer op een samengestelde individualiteit; zoals iedereen zijn huis inricht met andere spullen van IKEA.
Het individu is in mijn generatie niet meer een op zichzelf staand principe. Mensen nu zijn onderdeel van heel veel verschillende groepen en de unieke combinatie van die lidmaatschappen maakt onze identiteit uit. De grote gemene deler is niet meer dan een momentopname. Dat maakt “de kudde” tot een niet meer te bereiken groep, want de kudde bestaat ook niet meer. De Publieke Omroep voelt het, de politiek voelt het, de marketeers spelen er op in. Niche-marketing is het toverwoord, de LongTail-theorie is het economische principe en distributie per internet is wat het mogelijk maakt. Internet heeft namelijk geen loods nodig voor zijn spulletjes, en Amazon.com kan van een bepaald boek met gemak twee exemplaren per jaar verkopen. Ze staan niet op een plank in de weg van de bestsellers die het geld moeten verdienen. Dit leidt tot het volgende: de Long Tail. De verkoop van alle niche-producten bij elkaar levert meer op dan de top-tien.
Laatste ademtocht
Over een jaar of 20, 30, is niemand meer lid van een omroep. Of van een politieke partij. De niche is het nieuwe regulerende principe en digitale technologie maakt van die toekomstvisie realiteit. De kudde gaat zijn laatste ademocht tegemoet, en het individu dat bestaat uit een unieke combinatie van niches is het individu van de 21e eeuw.
Wat betekent deze conclusie nu voor de journalistiek? Hoe moeten we omgaan met burgerjournalistiek, niches en de verdergaande commercialisering van het journalistieke landschap?
Burgerjournalistiek
Met betrekking tot burgerjournalistiek, er is al zoveel over gezegd en geschreven, wil ik me beperken tot een korte weergave van de voor- en tegenstanders, in de vorm van een citaat uit een artikel van Donnacha DeLong en de reactie daarop van David Weinberger. DeLong is de woordvoerder nieuwe media van de National Union of Journalists (de NVJ van Groot-Britannië). Weinberger is onderzoeker bij de Berkman Centre for Internet & Society, verbonden aan de Harvard School of Law. In tegenstelling tot wat je in eerste instantie zou verwachten, is DeLong verre van enthousiast over het zogenaamde Web 2.0:
“There are those who claim that Web 2.0 democratises the media. It would make everyone equal, yes, but should they be? It’s like saying anyone can play for Manchester United. In one of the main examples given to explain Web 2.0, Wikipedia replaces Britannica Online. Is that the kind of democracy we want – where anyone can determine the information that the public can access, regardless of their level of knowledge, expertise or agenda?”
Weinberger, van huize uit filosoof ziet het geheel een stuk positiever in. Zijn voornaamste argument tegen DeLong is dat bijvoorbeeld Wikipedia niet zozeer bestaat uit “random individuals” maar dat er een complexe sociale dynamiek aan ten grondslag ligt.
“Donnacha acts as if the Web were as weak as its weakest link because we can’t tell the difference between weak and strong links. […] Of course the Web isn’t always at its best, and Donnacha is right to remind us of that. But perhaps this is Donnacha’s […] fallacy: Citizen journalism is not “everybody writes what they want and we have to read it all as if it were all of equal value,” just as Wikipedia isn’t just a big blank scratch pad with publicly available pencils. Citizen journalism is founded on the idea that while many people can contribute, we need ways to surface what is of value.”
Naast de idee dat iedereen producent van media wordt (of al is) draait dit essay ook om de vraag hoe het publiek nog te bereiken nu ‘de kudde’ aan het verdwijnen is. De Publieke Omroep in het bijzonder heeft hier een probleem, aangezien de zendtijd wordt verdeeld naar gelang het aantal leden. Om een idee te geven van hoe groot het probleem is: de NCRV verliest zestig leden per dag. De A-status van deze omroep is dus mogelijk over een paar jaar verleden tijd.
Ook hier denk ik dat de digitale wereld de volgende stap is. Sterker nog, de digitale ontwikkeling in de markt zoals met de Long Tail Theory wordt voorspeld is mijns inziens een niet te stoppen ontwikkeling. Of de NPO wil of niet, de niche wordt ook bij hen het regulerende principe. Het open net zal waarschijnlijk niet volledig verdwijnen, maar met de huidige verdeling van zendtijd zullen er over een paar jaar geen omroepen met A-status meer bestaan en zijn drie netten ruim bedeeld – om het op zijn zachtst te zeggen. Themakanalen zijn op dit moment het meest voor de hand liggende antwoord op de vraag hoe het publiek nog te bereiken is. De NPO is er mee bezig, er zijn nu 17 digitale themakanalen onder de noemer Nederland 4, maar er zou veel meer aandacht en geld naar toe moeten om er zeker van te zijn dat de NPO in de toekomst marktleider kan zijn in het veranderde, in niches opgedeelde medialandschap. Zodat ‘het publiek’ zich kan verdelen in allerlei kleine kuddetjes, zoals op Hyves, en het op die manier ook nog bereikt wordt.
Dit essay kwam tot stand in opdracht van de Veerstichting en werd eerder in verkorte vorm gepubliceerd in de Volkskrant.
Pingback: www.ditdanweerwel.nl » Blog Archive » DNR: ‘De publieke omroep moet naar Hyves kijken’