De voorgestelde nieuwe ethische code van het Genootschap der Hoofdredacteuren is een bewonderenswaardig werk – een oprechte poging om overzicht en waar mogelijk orde te scheppen in de ontologische chaos van de informatiesamenleving, waarbinnen journalisten (al dan niet gesalarieerd, al dan niet beroepsmatig, al dan niet online) zo goed en kwaad als mogelijk hun verhalen proberen te vertellen.
De tekst is een knappe balans tussen een ietwat paternalistische toon uit het verleden en het relativisme van de huidige ‘hyperrealiteit’ van internet. Het stelt vast dat de journalistiek vooral een idee is – en stelt aan dat idee hoge eisen. De grootste meerwaarde die het document wellicht heeft, is het gegeven dat journalistiek uiteindelijk wordt ontkoppeld van media (als bedrijfstak, als merknaam, als genre, of als technologie). De journalistiek is, met andere woorden, een houding.
Journalistiek als houding
Uit de gehanteerde definitie wordt duidelijk dat de ‘journalistiek als houding’ (in plaats van ‘journalistiek als beroep’) benadering nadrukkelijk een bewuste en bepaalde attitude is: een journalist wordt geacht zichzelf als zodanig te benoemen en zich ter verdediging en verantwoording daarop te beroepen. In dit alles is de journalist transparent – en dit is een beleden transparantie die afgeleid wordt van de mate waarin ‘een publiek’ juist niet transparant is bij het publiceren van nieuws.
Dat mag een lichtelijk naieve oproep zijn in de eigentijdse context van breed gedeeld cynisme ten opzichte van elke vorm van autoriteit (insluitend ethische codes) en een toenemende hang naar zogenaamde ‘authentieke’ verhalen om betekenis te geven aan een beangstigende en tegelijkertijd oncontroleerbare nieuwswerkelijkheid van (bijvoorbeeld) wereldwijde migratie, terrorisme, klimaatsverandering en kapitaalvlucht. Aan de andere kant is deze bewuste naïveteit juist lovenswaardig: het introduceert een pragmatisch optimisme in de discussie, roept op tot handelen en heeft daardoor een inclusief en inspirerend karakter.
Journalistiek als discussie
Waarnemers als Jaap Stronks en Francisco van Jole mogen gelijk hebben als ze opmerken dat codes – hoe goed dan ook – gedoemd zijn tot vergetelheid omdat ze de constante toets der dagelijkse nieuwswerkelijkheid niet (zullen) doorstaan.
Ik waag op te merken dat het daar misschien niet om gaat. Wat deze code doet – inclusief de wijze waarop de code eerst ter discussie wordt voorgelegd – is bijdragen tot bezinning en reflectie op wat journalistiek is (of zou kunnen zijn). In die zin is deze code superieur aan enige andere set van spelregels, omdat de tekst van de code – uitzonderingen zoals de definitie van nieuws en de realiteitsclaims besloten in de behandeling van het “duidelijk onderscheid” tussen feiten, beweringen en meningen daargelaten – eerder uitnodigend in plaats van beperkend is.
Ik ben me niet bewust van enig ander land in de wereld waar op dit moment door de journalistieke beroepsgroep een dergelijk openhartige en juist ook formele discussie wordt gevoerd over het aanpassen van de zelfdefinitie. Ook in die zin komt de opstellers van dit document en daarmee de aanjagers van deze discussie hulde toe.
Los van dit alles blijft het boeiend om te zien hoe in de tekst en discussie rondom een journalistieke code een wereldbeeld terugkomt van regels, codes, traditie, waarheid, theorie en structuur enerzijds en openheid, inclusiviteit, verandering, vaagheid en praktijk anderzijds. Dat is een valse tegenstelling. Het moge afdoende duidelijk zijn dat elke code, elke beroepstraditie, elke bedrijfsstructuur en elke vorm van formele organisatie waar dan ook altijd uitdrukkingen waren (en zijn) van pure symboliek, van bepaalde cultuur, van specifieke concensus, van afspraken tussen (sommige) mensen welke daardoor instrinsiek van tijdelijke aard zijn. Dat maakt niet alle afspraken even nuttig of voor alle betrokkenen even waar (en daarmee nutteloos en collectieve leugens), het zorgt er wel voor dat argumenten tegen dergelijke afspraken noodzakelijkerwijs geproduceerd worden door de code op zich. Ofwel: spelregels maken uitzonderingen zichtbaar.
Journalistiek als beslissingsruimte
Ik vraag me af – en dat doe ik als wetenschapper, niet als journalist – of we niet het beste kunnen uitleggen wat journalistiek is (en daarmee wat ‘echte’ of ‘goede’ journalistiek is) aan de hand van het middengebied: het veld tussen de werkelijkheid van code en de praktijk van gedrag. Tot op zekere hoogte heb ik dit in mijn boekje ‘Wat is Journalistiek?’ (uit 2004) al eens aangestipt: in het gegeven dat er voor elk verhaal, voor elke publikatie en voor elke keuze in het nieuwsgarings- en selectieproces ook andere keuzes mogelijk zijn (geen oneindig aantal, maar zeker meer dan een) schept ruimte voor elke journalist om zelfstandig beslissingen te nemen. Het gaat om (het stimuleren en prikkelen van) de beslissingruimte, de ‘agency‘ van de individuele journalist – niet zozeer of een beslissing ‘waar’ of ‘het beste’ was.
Een code als deze draagt bij aan de mogelijkheid voor journalisten om in dergelijke omstandigheden verantwoordelijkheid te nemen. Maar in feite draagt het feit dat hij of zij oud (of jong) is, man (of vrouw) is, nieuwkomer (of ervaren rot) is, allochtoon (of autochtoon) is, rijk (of arm) is, bij een krant (of tijdschrift, radio, TV, internet) werkt – op z’n minst ook allemaal bij tot een wezenlijke reflectie op journalistiek handelen.
Er is niet een journalistiek, noch een vorm van journalistiek handelen. Journalistiek handelen is primair creatief handelen. Ik denk dat deze nieuwe code bijdraagt aan dit besef en in die zin juich ik zowel de code, de mensen die aan de code hebben gewerkt, alsmede de discussie rondom de code toe.
Journalistiek als burgerjournalistiek
Tot slot vraag ik me ondanks al mijn enthousiasme wel af in hoeverre de werkgevers in de journalistiek hoegenaamd iets met deze code kunnen? De cynicus kan wellicht opmerken dat deze code de deur open gooit voor het aanemen van onbetaalde ‘journalisten’ door mediabedrijven om het nieuwsgaren, -selecteren en –publiceren voor hen te doen zodat zij niet alleen daarmee kunnen bezuinigen op gesalarieerde redacteuren, maar daarbij ook nog eens kunnen claimen journalistiek werk te doen met dezelfde status als zij, die daarvoor afhankelijk zijn qua beroep.
Ik hoop oprecht dat het zo’n vaart niet zal lopen – maar de ervaring leert dat er nu al genoeg voorbeelden zijn (in Engeland, Frankrijk, Amerika) van ontslagen op redacties en daarmee gepaard gaande verschuivingen in de richting van ‘hyperlokale’ burgerjournalistiek. De vraag is of een code zoals deze dergelijke processen legitimeert.
2 reacties