Een nieuwe code, een oud geluid

Het Genootschap van Hoofdredacteuren heeft de eerste stappen gezet op weg naar een modernere ethische code. Kees Buijs meent dat de opstellers van de nieuwe code te veel naar de productiekant kijken. “Ik wil ervoor pleiten óók aandacht te schenken aan de invalshoek van degenen voor wie de journalistiek bedoeld is: het publiek, de burger, de consument en soms het slachtoffer.”

Tijdens de presentatie van de leidraad van de Raad voor de Journalistiek, afgelopen voorjaar, merkte Henk Blanken op dat de leidraad (pdf) nauwelijks iets zegt over de dilemma’s als gevolg van de onstuitbare opkomst van internet. Dat klopt. De leidraad bevat algemene journalistieke uitgangspunten plus een flink aantal uitwerkingen van standpunten die zijn geformuleerd naar aanleiding van klachten. Over internetjournalistiek wordt tot nu toe bij de Raad voor de Journalistiek veel minder geklaagd dan over perspublicaties en tv-programma’s – interessant is de vraag hoe dat komt – hoewel het aantal klachten over online-informatie en –publicaties wel toeneemt. De leidraad zal mede daarom te zijner tijd worden aangevuld.

Prima dat het Genootschap van Hoofdredacteuren de Raad voor de Journalistiek een stap vóór is, door zijn bestaande gedragscode uit 1995 aan de moderne eisen aan te passen. De opstellers pakken lastige vragen aan die vrijwel alle zijn terug te voeren op internet. Iedereen en alles verspreidt nieuws en andere informatie, maar is iedereen met een pc ook journalist, wanneer is informatie journalistiek, en zijn alle gegevens die op internet belanden, daardoor openbaar?

Er zijn veel overeenkomsten tussen code en leidraad als het om journalistieke do’s en don’ts gaat. Dat is niet zo vreemd: over 90 procent van de beroepsethiek bestaat in Nederland overeenstemming, zoals onderzoek van de RU Nijmegen en de discussie bij de presentatie van de leidraad lieten zien. De verdienste van de opstellers van de code is dat zij proberen grensgebieden enigszins te reguleren: het grensgebied tussen journalist en publicist, tussen privé en openbaar, tussen nieuws (journalistiek) en andere content. Dit doen zij voornamelijk door er beproefde journalistieke principes op toe te passen: waarheidsgetrouwheid, integriteit, brontransparantie, controleerbaarheid, verantwoordingsplicht en geen onevenredige inbreuk op de privésfeer. Zo bezien bevat de nieuwe code een bekend, oud geluid. Waarmee overigens niets mis is.

Ik betwijfel of hun poging in alle opzichten geslaagd is. Vermoedelijk komt het doordat de opstellers vooral vanuit de journalistieke productiekant naar oplossingen zoeken. Ik wil ervoor pleiten óók aandacht te schenken aan de invalshoek van degenen voor wie de journalistiek bedoeld is: het publiek, de burger, de consument en soms het slachtoffer. Voor iemand die zich onterecht benadeeld voelt door een publicatie of een programma in een journalistiek medium, maakt het immers absoluut niet uit of de boodschapper een beroepsjournalist is, een burgerjournalist die een code onderschrijft of een publicistische vrijbuiter. Hij spreekt het medium aan, of beter gezegd: de redactie van het medium waarin het gewraakte artikel heeft gestaan of waarin het gewraakte programma is uitgezonden. Het is primair de redactie die verantwoordelijk is voor het opstellen en bewaken van journalistieke normen en regels waaraan haar artikelen en uitzendingen behoren te voldoen. Dat geldt óók voor nieuwssites op internet en (groeps)weblogs. Wie meent te moeten klagen over een publicatie, mag niet verzeild raken in een discussie over de vraag wie precies verantwoordelijk is voor wat op een nieuwssite of een journalistieke weblog is verschenen, en in welke mate. De leidraad is hierover in al zijn beknoptheid helderder (zie art. 5.1) dan de code.

Over het verschil tussen leidraad en code nog drie punten:

- Art. 10 van de code stelt dat de journalist in columns, recensies en opiniërende berichten een grotere vrijheid toekomt als het gaat om onder meer het controleren van feiten. In de leidraad is bewust gekozen voor een algemenere formulering (art. 3.1). Een zwart op wit gezette grotere vrijheid ten aanzien van feiten kan een vrijbrief worden voor recensenten en schrijvers van commentaren en beschouwingen die op halve waarheden zijn gebaseerd.

- Art. 18 noemt het zoeken naar hoor en wederhoor een journalistiek basisprincipe. Toch is de code opvallend zuinig met de uitwerking van dit principe, te meer nu het belang van wederhoor vanwege de actualiteitsrace op internet alleen maar groter is geworden. De leidraad is op dit punt beter uitgewerkt: wanneer wel wederhoor, wanneer niet, etc. (art. 2.3)

- Art. 26: ‘De journalist lokt geen incidenten uit met de bedoeling nieuws te creëren of er een misstand mee te illustreren.’ We zijn het er snel over eens dat journalisten geen rellen mogen uitlokken, zoals journalisten van Panorama deden door bij het Feijenoordstadion in Rotterdam vlak vóór de wedstrijd tegen Ajax een auto te parkeren vol Ajax-attributen. Maar als met het creëren van nieuws een misstand aan het licht gebracht wordt die anders verborgen zou zijn gebleven, dient dit wel degelijk een maatschappelijk belang. In zijn boek ‘Vrijheid van nieuwsgaring’ geeft Gerard Schuijt het voorbeeld van Algemeen Dagbladjournalist Hovius, die onder verschillende namen een rijbewijs aanvroeg én verkreeg. Zo wist hij aan te tonen hoe gemakkelijk het was aan een vals identiteitsbewijs te komen. Aanleiding was de mededeling van de minister van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer dat men zich over de fraudegevoeligheid van rijbewijzen geen zorgen hoefde te maken. (Schuijt, p. 76-78) Daarom ontbreken in art. 2.1.2 van de leidraad de laatste zeven woorden van art. 26 van de code.

Kees Buijs schreef bovenstaand artikel op persoonlijke titel.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>