Geheimen en de code

Er is een nieuwe journalistieke code opgesteld. Ik moet bekennen dat ik niet eens wist dat er een oude was. Maar dat komt misschien door de manier waarop ik ooit journalist geworden ben. Namelijk door op een dag te beslissen dat ik dat was. Ik was 20 jaar, pakte een notitieblok, ging op reportage naar België en schreef een artikel dat ik vervolgens probeerde te verkopen.

Als internet toen beschikbaar was geweest, had ik dat verhaal ongetwijfeld online gezet. Juist die ontwikkeling is aanleiding een nieuwe code te maken, begrijp ik. Want door internet veranderen de spelregels.

Ik neem de code door en lees niets waar ik het hartgrondig mee oneens ben of dat ik niet wist. Misschien gold dat ook voor de oude code, stel ik mezelf gerust. Dat de code zoiets is als het wetboek en eenzelfde magische werking kent: iedere Nederlander wordt geacht het wetboek te kennen, vrijwel niemand heeft het ooit gelezen en toch handelen de meeste mensen er naar.

Collectief domein
Tot ik kom bij punt 14. Privacy en privé-websites. “Tussen het particuliere en het openbare domein is een collectief domein komen te liggen. Journalisten moeten zich ervan bewust zijn dat informatie die bijvoorbeeld aan een openbaar toegankelijke vriendensite of weblog wordt toevertrouwd niet altijd ook bedoeld is voor publicatie in een massamedium. In dit geval kan sprake zijn van een “privé-situatie”.”

Dit is wat mij betreft een van de grootste nieuwe dilemma’s die de opkomst van internet met zich meebrengt. Op dat gebied is er namelijk echt een fundamentele verandering gekomen waar je oude regels niet zo gemakkelijk op los kunt laten.

Ik liep er voor het eerst tegenaan toen ik in 1995 met de Daily Planet begon, een Nederlandstalige nieuwsbrief waarmee ik wilde onderzoeken wat de invloed van internet was op de journalistiek. Ik citeerde daarbij onder meer uit nieuwsgroepen, op discussiegebied de voorloper van wat nu webfora zijn. Daar was niet iedereen blij mee. Waren die discussies nu privé of openbaar?

Openbaar natuurlijk. Het is net als een ingezonden brief, zeiden collega’s als ik het dilemma voorlegde. Die vergelijking is zoiets als de constatering dat de computer net een typemachine is. Waar, maar wel heel weinig waar. Want aan de andere kant hield geen nieuwsgroepdeelnemer er rekening mee dat zijn achteloos in bijvoorbeeld de kleine nieuwsgroep alt.cows.moo.moo.moo achtergelaten opmerkingen vervolgens aan de 30.000 lezers van de Daily Planet werden opgediend.

Privacy
Internet heeft dat probleem zelf opgelost met pseudoniemen. Het is niet meer Jan van Klaveren uit Oldenzaal die iets zegt maar johnnyclover of reuteldreut. Dat vermindert het schaderisico. Maar moet de journalistiek daar aan meedoen? Moet je citaten toeschrijven aan pseudoniemen? Ook als je niet weet van wie ze afkomstig zijn? Of moet je achterhalen wie er achter schuil gaat en dat publiceren? Want wat als Jan van Klaveren gemeenteraadslid is en zo een lastercampagne tegen zijn opponenten begint?

Als de werkelijkheid virtueel is, moet je die dan doorprikken of juist intact laten om er verslag van te kunnen doen?

Het dilemma speelt tot op de dag van vandaag waarin bijvoorbeeld in Afghanistan gestationeerde militairen onder pseudoniem hun gal spuwen. Mag je dat publiceren of moet je hun privacy respecteren? Is het wel privacy?

Zelfmoord
Vorige week nog liep ik als journalist tegen het probleem aan toen deelnemers aan een openbaar forum er in een urenlange durende speurtocht in slaagden een aangekondigde zelfmoord te voorkomen. De persoon in kwestie werd op het nippertje door gealarmeerde hulpverleners gered. Het resultaat was dat er een hele reeks privé-gegevens op straat kwam te liggen. De forumbeheerder drukte me op het hart daar niets mee te doen en sloot het forum af.

Met de afsluiting verdween ook de openbare bron en daarmee het karakter van het verhaal. Het werd van openbaar ineens privé. Moest ik dat verhaal dan toch brengen omdat het zo mooi laat zien hoe internet kan leiden tot saamhorigheid en Samaritaans gedrag? Moest ik dan vertellen om welk forum het ging? Ik zag er uiteindelijk vanaf maar dat was meer ingegeven door het emotionele pleidooi van de forumbeheerder en praktische omstandigheden dan door een principiële afweging.

“Tussen het particuliere en het openbare domein is een collectief domein komen te liggen,” stellen de opstellers. Het klinkt als een waarheid maar het is onzin van de bovenste plank. Wat is dat collectieve domein dan? Is dat zoiets als het niet bestaande verschijnsel ‘publiek geheim’?

Heroïnehoeren
Het verschijnsel is misschien nog wel het best te vergelijken met de affaire Rob Oudkerk. Hij vertelde op een feestje tegen columniste Heleen van Royen dat hij naar de heroïnehoeren ging. Zij schreef dat op. Nog steeds loopt onder journalisten de discussie of ze dat nou had mogen doen. Was dat feestje het openbare, privé of collectieve domein?

Het antwoord is irrelevant want ze heeft het gewoon opgeschreven. Als de krant het had geweigerd had ze de column wel op internet gezet. Door publicatie werd de kwestie groot nieuws en schreef iedereen het over. Wat overblijft is niet meer dan een theoretisch vraagstuk.

Dat is misschien wel het probleem met iedere journalistieke code. Hij is nooit bestand tegen nieuws.

Eén reactie

  1. DrNomad schreef op 7 december 2007 om 11:11

    Codes en regels kennen per definitie twee problemen. In de eerste plaats is de vraag, wat wil je ermee, en in de tweede plaats, hoe pas je ze toe.

    Nederland heeft ooit een wet ingevoerd voor de maximale diameter voor de romp van een schip. Hierdoor kon het werk van schepenbouwers en havenbouwers op elkaar afgestemd worden. De schepen pasten in de havens, ze waren niet te groot.

    Ten tweede is altijd de vraag, hoe pas je regels en codes toe. Mensen maken de fout dat je regels en codes consequent moet toepassen, vanuit de gelijkheidsgedachte. Niet zozeer toepassing van de code is daarin het probleem, maar de gelijkheidsgedachte. Consequent zijn kan schadelijker zijn dan individueel maatwerk. Voor wetten geldt dat ze consequent toegepast moeten worden, maar voor private regels hoeft dat helemaal niet.

    Een code zou je volgens mij moeten zien als ethische basis. Vergelijk het met het abortusdebat, de centrale vraag is, waar leg je de grens; terwijl de basisethiek dat je geen mensen mag doden overeind blijft.

    De gedachte achter een code is goed. Het discrimineert de kwaliteit van de journalist en jonge journalisten kunnen zich eraan optrekken. Een beetje journalist moet bij dillema’s zowel de toepassing als de geest van de code in acht nemen. Want, om maar eens een extreem voorbeeld te geven, wat je natuurlijk niet wil hebben is dat één of andere tweederangs journalist een beetje gaat staan liegen in bijvoorbeeld de grote rectificatieshow. Zeker in deze tijd straalt de handeling van de enkeling af op zijn omgeving.

    En dan nog dit. Veel regels zijn onderhavig aan verandering wegens de actualiteit. Zoeken naar iets statisch is verspilling van energie. Twijfel over de feilbaarheid van de code is terecht, maar dit hoeft niet centraal te staan.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>