Het heet zelfregulering, maar journalisten zelf doen weinig

Minister Plasterk had in zijn uitnodigingsbrief uitdrukkelijk vermeld dat het de bedoeling was dat journalisten zelf aanwezig zouden zijn. Daarom had hij de uitnodiging ook gestuurd naar redacties van kranten, actualiteitenrubrieken en journaals. Maar wie op 7 februari tijdens de werkconferentie van het ministerie over ‘journalistiek en zelfregulering’ om zich heen keek, zag bar weinig journalisten. Wel wetenschappers en hogere machten uit de journalistieke wereld, zoals afgevaardigden van het Genootschap van Hoofdredacteuren, de Raad voor de Journalistiek en de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Het is typerend voor een debat over zelfregulering in de journalistiek. Het heet zelfregulering, maar de journalisten zelf doen weinig; de voorstellen en maatregelen worden over hun hoofden uitgestrooid. Dat journalisten zelf weinig in te brengen hebben komt goed tot uiting in twee vormen van ‘zelfregulering’ die de revue passeerden:

1. Er is een Raad voor de Journalistiek die mensen ter verantwoording roept die zelf menen dat ze geen journalist zijn. Dat is natuurlijk een kolderieke situatie:
Raad: U moet verschijnen voor de Raad voor de Journalistiek.
Vermeende journalist: Maar ik ben geen journalist.
Raad: Volgens ons wel.
Vermeende journalist: Vreemd.
Raad: En u moet zich verantwoorden want u hebt de journalistieke regels overtreden.
Vermeende journalist: Dat kan kloppen, want ik ben geen journalist…

2. Er is een wetenschappelijke nieuwsmonitor die de mediaberichtgeving onderzoekt zonder te luisteren naar journalisten. Dat wil zeggen, zonder ze te vragen hoe berichtgeving tot stand is gekomen en waarom dat op die manier is gegaan. Die methodiek levert weliswaar volop stof op voor het bekritiseren van de media, maar geeft weinig inzicht in de beweegredenen en werkwijzen van journalisten.

‘Zelfregulering’ is bij de twee genoemde punten wellicht het verkeerde woord. Het centrale kenmerk van zelfregulering is namelijk dat het initiatief uitgaat van de betrokkenen zelf. In dit geval de journalisten zelf. Om tot zinnige zelfregulering te komen moet je eigenlijk voldoen aan twee voorwaarden:

1. Niks van bovenaf opleggen, dat leidt alleen maar tot contraproductieve reacties, zoals ‘wij laten ons niet muilkorven’.
2. Het initiatief moet uitgaan van journalisten.

Die uitgangspunten hebben een keerzijde: het vergt een journalistiek die trots is, trots op de verantwoordelijke functie die ze vervult in de samenleving. En ook wil laten zien aan de buitenwereld dat ze haar best doet om die functie zo goed mogelijk te vervullen en daarbij bepaalde normen hanteert.

Een discussie over de maatschappelijke functie van de journalistiek en de normen die horen bij een goede uitoefening van die functie zou vooral door journalisten moeten worden gevoerd en niet door wetenschappers, adviesorganen en hotemetoten. Hoewel die best eens een goede aanzet of aanvulling kunnen geven in zo’n discussie.

Conceptcode
Inmiddels is een poging tot zo’n discussie geïnitieerd door Henk Blanken en Bart Brouwers met een conceptcode die ze voor het Genootschap van Hoofdredacteuren hebben opgesteld. Helaas is er tot heden geen inhoudelijk discussie tussen journalisten over de inhoud van die code ontstaan. Wellicht doordat veel journalisten het nut van zo’n code ontgaat.

Ik denk dat zo’n code kan bijdragen aan de herkenbaarheid van goede journalistiek. Er wordt tegenwoordig veel gepubliceerd, maar wat komt uit handen van betrouwbare journalisten? Journalisten die de feiten controleren, zich verdiepen in een kwestie, wederhoor toepassen, etc. Kortom, journalisten die journalistieke normen hanteren. Een code waarin die normen zijn terug te vinden kan daaraan bijdragen.

Maar een code alleen is niet genoeg. Die verdwijnt al te gauw weer in een stoffige dossierkast of in een verloren hoekje van het miljoenhoekige wereldwijde web. Trotse journalisten die willen zorgen voor betrouwbare journalistiek zouden dat moeten laten zien aan de buitenwacht. Op een of andere manier zouden mensen moeten kunnen zien dat een publicatie van een journalist komt en niet van een of andere knakker die geen journalistieke aspiraties koestert. Zijn er wellicht journalisten met een goed idee?

Bovenstaand stuk verscheen eerder op de weblog van Alexander Pleijter.

Eén reactie

  1. Ik ben geen journalist maar bemoei me graag met de, tsja, waarheidscommissie dan maar. Want de waarheid is (be)denkelijk in goede handen bij de commissie, dat is-ie meer bij de journalisten die in het veld opereren, en nog meer bij de mensen die in het veld wonen en genoeg hebben van de spindocters, smaakmakers en social engineers. Waarheid is geen waarheid als er waarheid op staat. Het is geen King pepermunt die van bovenaf wordt gegeven aan het kleine kind, zoals mijn opa mij gaf als ik hem tegenkwam in het oude dorp. Waarheid is onafhankelijke bevestiging, herhaalbaarheid door iedereen onder dezelfde omstandigheden, precieze (‘correct’ is gestorven helaas) vertegenwoordiging van wat het zegt te vertegenwoordigen. Daar hebben we allen een vingerspitsengevoel voor en daar zijn we trots op, dat laten we ons niet uit handen graaien of van onze arm afhakken.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>