De ‘maatschappelijke rol’ van de pers. De ‘controlerende taak’ van de pers. De pers als ‘waakhond’. Als ‘pitbull’. Als ‘luis in de pels’. De zogenaamde ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid van de media’ wordt tegenwoordig in een ongekend brede waaier van cliché’s aan je opgedrongen. Niet in de laatste plaats door allerlei commissies, adviesraden en andere deftige genootschappen, die met subsidiegeld klaarstaan om de waakhond-, pitbull- dan wel luisfunctie van het journaille en hun kanalen nieuw leven in te blazen. Of de hoge dames en heren nu codes ontwerpen, ombudsmannen initiëren, uithuilbalies inrichten of zinloze subsidies aan kansloze media verstrekken: ze blijven, keer op keer, aan het waanbeeld hangen dat ergens in een bepaald gebouw op een bepaalde etage door een bepaalde groep mensen met een bepaalde opleiding en een bepaalde vorm van beschaving wordt besloten of iets de toets der kritiek kan doorstaan, ja of nee? Dat ergens het finale oordeel geveld wordt over wat kan en niet kan, wat deugt en niet deugt, wat waar is en niet waar, over wat aangemoedigd dan wel ontmoedigd dient te worden. Kortom: de droom dat de pers, of althans een deel van de pers, voldoende geld en arrogantie in kas houdt om die krachtige, morele instantie te zijn, die het volk bij de les houdt, zonodig tuchtigt en niet alsmaar naar de mond praat.
Het voortdurende gehamer van hogerhand op de ‘kerntaken’ van de journalistiek en het bewaken dan wel begeleiden van het ‘publieke debat’, is een verkapte motie van wantrouwen. Niet alleen tegen burgers in het algemeen, maar ook tegen de ontwikkeling van het huidige medialandschap waarin het verschil tussen vraag (wat het publiek wenst) en aanbod (wat het publiek krijgt) inderdaad steeds kleiner wordt. En burgers zelf steeds vaker actief ‘content’ produceren. De vraag luidt dan ook: is al dat wantrouwen en die drang tot sturing van bovenaf terecht? Moet het volk blijvend getuchtigd worden door het journaille? Of hebben we hier te maken met beleidsmakers annex relikwieën die een verouderde opvatting over journalistiek hanteren en de situatie ‘op de grond’ in 2008 allang niet meer op een realistische manier inschatten? Ik denk het laatste.
Rotterdam
Neem even de situatie in mijn eigen omgeving: Rotterdam. Volgens de bureaucraten die aan de subsidiekranen draaien is daar sinds het wegvallen van Rotterdams Nieuwsblad, Het Vrije Volk en het Rotterdams Dagblad – alsmede het zieltogend doormodderen van het vijgenblaadje AD/RD – sprake van een ‘democratisch gat’ dat gedicht moet worden met nieuwe initiatieven, waarbij een krant het meest genoemd wordt. Geredeneerd vanuit het oude model – waarin journalisten politici op de huid zitten en politici op de thee komen bij journalisten – is dat misschien een correcte constatering.
En het idee dat het gemeentebestuur gebaat is bij een structurele vorm van tegengas is, vooruit, ook nog te volgen. Maar waar is het geloofwaardige businessmodel dat zo’n medium de schijn van levensvatbaarheid verschaft? Welke (jonge) Rotterdammers zitten naast de Metro nog op een betaalde krant te wachten? Hoe kun je dat ‘democratisch gat’, lopend door de stad, anders zien dan als een fictie? Een alibi om de geldkraan open te zetten en volledig staatsgefinancierde kritiek te organiseren? Over de hoofden van burgers, nog wel. Pure illusiepolitiek.
De scheidslijnen in de mediawereld lopen allang niet meer langs geografische en morele lijnen. En zullen dat steeds minder doen. Er is weinig behoefte aan een nieuwe Rotterdamse krant, een nieuwe kerk. Als er al een jonge groep is die ambities heeft en de hoop op een succesvolle toekomst voor de stad symboliseert, dan kijkt die veel verder dan de Coolsingel. En sluit die zich nationaal en internationaal aan bij gelijkgestemden, die dezelfde ambities najagen, dezelfde interessegebieden hebben. Hoewel het woord ‘communicatie’ een commerciële bijklank heeft, is het essentieel om te begrijpen waarom sommige media snel groeien en andere media in een structurele malaise terecht zijn gekomen. Wie slim bezig is, schept platforms waar geïnteresseerden onderling met elkaar in conclaaf gaan en hun eigen bijdragen leveren (communicatie!). Wie denkt nog steeds een eenzijdige boodschap naar lezers of kijkers te kunnen ‘brengen’, legt het af (éénrichtingsverkeer). Me dunkt dat de politieke elite dit allang doorheeft, en het internet gebruikt om via burgerfora, themasites en webpanels nieuwe vormen van betrokkenheid te genereren, die het zogenaamde ‘democratisch gat’ allang gedicht hebben. Ook de gevestigde kranten beginnen het licht te zien en gaan door met hun diversificatie van vorm en inhoud (zie ‘Hart en ziel’ van De Volkskrant, zie ook vk.tv).
Een ideologische ‘familie’
Nooit zal ik de kracht van een idee, ideaal, visie of droom onderschatten. Zeker niet als aanjager van journalistieke prestaties. Als journalist van De Groene Amsterdammer heb ik vier jaar lang aan den lijve ondervonden wat het betekent om lid te zijn van een ideologische ‘familie’ en hoe dat een verrijking kan zijn voor je ontwikkeling. Zo’n hechte leerschool zou ik mijn HBO-studenten van harte toewensen. Maar ik kan niet langer aanzien hoe cultureel of anderszins bevlogen bestuurders met zakken geld proberen een illusie na te jagen over een ‘kritische pers’, die inmiddels lang en breed ontmaskerd is als een verzameling café’s en sociëteiten waar politici, journalisten en kunstenaars hun eigen, nogal losgezongen dialoog voeren. Zou dat het toppunt van democratie zijn? Laat me niet lachen.
Als ergens nog een zak geld ligt om nieuwe media-initiatieven te ondersteunen (bijvoorbeeld in Rotterdam), dan pretendeer ik daarvoor betere (en goedkopere) ideeën klaar te hebben liggen dan het vanaf nul opstarten van wéér een papieren titel en de bijbehorende drukpersen.
13 reacties