Tussen journalistieke praktijk en commercieel succes

Het Kim, forum voor reflectie op journalistiek, gaat het komende jaar met een weblog de aandacht vestigen op het spanningsveld dat bestaat tussen commercieel succes en journalistieke onafhankelijkheid. Hieronder de introductietekst van Bart Brouwers, hoofdredacteur van Sp!ts en bestuurslid van het Kim.

De principes van onafhankelijkheid van een kranten- of omroepredactie worden doorgaans vooral gerelateerd aan overheid, religie of politiek. Gezien de recente ontwikkelingen in medialand is het echter minstens zo interessant om de aandacht te richten op financiële onafhankelijkheid.

Het is zeker niet zo dat de kwaliteit van een redactie een-op-een samenhangt met de omvang ervan en de beschikbare budgetten. Aan de andere kant: een door de uitgever, het moederconcern, de overheid of de investeerders uitgeknepen redactie zou op enig moment in problemen kunnen komen als het gaat om het uitoefenen van de van haar verwachte taken.

Daarbij gaat het – in essentie – om het volledig en pluriform informeren van haar publiek over relevante gebeurtenissen en ontwikkelingen, zodat het zich staande kan houden in de (veranderende) maatschappij. Niet iedere redactie hoeft dat op dezelfde manier te doen, maar binnen de eigen context ligt er altijd een zekere verantwoordelijkheid op dit terrein.

Het vinden van relevante feiten, het controleren van de machthebbers, het achterhalen van (vaak bewust verborgen) informatie, het ontrafelen van verstrengelde belangen; het zijn allemaal klassieke onderdelen van de journalistiek, die, indien weggesneden, gevolgen kunnen hebben voor het functioneren van een democratische samenleving.

Liefdadigheid
Uitgevers, media-investeerders en overheden hebben in dat licht dan ook een taak die in de ogen van velen verder gaat dan het op basis van zo min mogelijk kosten winstgevend maken van hun mediabedrijf, hun krant of hun tv-journaal. Natuurlijk, zo lang als er uitgevers zijn, hebben deze vooral een winstoogmerk met de door hun uitgebrachte (kranten)titels. Het is niet louter uit liefdadigheid dat door de eeuwen heen nieuwe titels zijn ontstaan.

Tevens is het begrijpelijk dat ook een overheidsorgaan altijd zoekt naar besparingsmogelijkheden bij de door haar gesubsidieerde (radio en tv-)redacties. Maar in onze maatschappij is het even vanzelfsprekend dat deze geldschieters een andere, verder strekkende verantwoordelijkheid hebben dan de eigenaren van – pakweg – een koekjesfabriek of een tweedehands autohandel.

Het beeld anno 2008 is divers en mogelijk zelfs paradoxaal. Aan de ene kant zijn er recentelijk journalistieke initiatieven geweest (Opinio, De Pers), waar de redactionele inhoud op een veel hoger plan lijkt te staan dan commercieel succes. Maar tegelijkertijd zijn er juist bij enkele traditionele spelers op de mediamarkt (PCM, Mecom, overheden) signalen die lijken aan te tonen dat de bereidheid om te investeren in de versterking van een onafhankelijke pers afneemt.

Overheid
Voor de overheid zou het van het grootste belang moeten zijn de democratie zo sterk mogelijk te maken. Een goed functionerende pers helpt daarbij, zoveel is wel duidelijk als er een vergelijking wordt gemaakt met regimes waar zo’n medialandschap ontbreekt. Hoe sterker de onafhankelijke journalistiek, des te beter de burgers geïnformeerd zijn en des te krachtiger de democratie. Omgekeerd zou dat evenzeer kunnen gelden: hoe zwakker de journalistiek, des te wankeler de democratie.

Er is vanuit die optiek wat te zeggen voor de gedachte dat het een overheidstaak is om, zowel rechtstreeks (als subsidieverstrekker) als indirect (via bijvoorbeeld belastingwetgeving of stimulerende maatregelen) de financiële armslag van redacties te vergroten. Tenzij financiele ruimte hier ‘betaald’ moet worden met inhoudelijke afhankelijkheid natuurlijk.

Uitgeverijen
Het bedrijfsleven heeft in de bescherming van de democratische beginselen van onze samenleving formeel geen taak, maar wel kan relatief gemakkelijk worden vastgesteld dat het loslaten van die zorg een trendbreuk zou betekenen. Traditionele krantenuitgeverijen waren geen koekjesfabrieken; er bestond een sterke communis opinio dat uitgeverijen niet alleen winst zochten maar tevens iets als het “nut van het algemeen”, of maatschappelijke belangen zouden moeten dienen. Zelfs RTL heeft het vanaf de start van die zender in Nederland belangrijk gevonden om met een eigen, dure redactie een rol te spelen in de onafhankelijke nieuwsvoorziening op tv.

Maar in hoeverre gaat dat principe anno 2008 nog op? Misschien is het een teken aan de wand dat een grootaandeelhouder van een krantenconcern nog niet zo lang geleden onomwonden toegaf niets met kranten te hebben en slechts in rendementen geïnteresseerd te zijn.

Spanningsveld
Een openbaar, inhoudelijk debat over het spanningsveld tussen journalistieke praktijk en commercieel succes, kan bijdragen aan zowel de meningsvorming over dit thema als de aanpak van eventuele knelpunten erin. Vragen die daarbij aan bod gaan komen zijn:
- in hoeverre bepaalt (of beperkt) het geld van de uitgever de redactionele mogelijkheden?
- moet een redacteur open staan voor de wensen of verzoeken van adverteerders?
- kan “non-spot” of “brand placement” (vormen van vermenging van commerciële en redactionele belangen) werken in journalistieke uitingen? En is er wat dat betreft nog een verschil per mediumtype (krant, tijdschrift, tv, radio, internet)?
- hoort een hoofdredacteur thuis in de raad van bestuur van een uitgeversconcern?
- tekenen kranten die de muur tussen commercie en redactie zo hoog mogelijk houden hun eigen doodvonnis?
- zijn er lessen te trekken uit het Apax-avontuur van PCM? En wat betekent de komst van buitenlandse investeerders als Mecom voor de journalistiek?
- zorgt de opkomst van gratis kranten en van journalistieke internetactiviteiten voor een minder principiële houding bij de traditionele media?
- kunnen we op dit vlak wat leren van de ervaringen in andere landen, zoals de VS of Duitsland?
- is (zelf)regulering op dit gebied nog wenselijk?


2 reacties:

Ron C. de Weijze
6 maart, 2008

Het komt helaas nooit meer voor dat ik op de Nederlandse televisie een actualiteitenrubriek kan bekijken zonder onmiddellijk te worden geconfronteerd met clientelisme, eenzijdigheid of gewoon bloosloze partijdigheid. Het is ongelofelijk dat dat kan met publiek geld. Het systeem zit kennelijk zo in mekaar dat zich dat veel te lang in stand kan houden. Met kranten heb ik dat iets minder, omdat ik er voor mijn ontspanning een stuk minder van afhankelijk ben en er veel meer nieuwsbronnen zijn. Het gaat mij om de kwaliteit, de mogelijkheid om onafhankelijk te kunnen vasthouden aan informatie waar ik al over beschik danwel dat ik deze moet loslaten. Zodra de (betaalde) eenzijdigheid ostentatief in beeld komt, vervliegt die mogelijkheid. Het maakt mij juist partijdig naar de andere kant, zoals je ook voor de underdog kiest in een wedstrijd. Dat heeft niets meer met nieuwsvoorziening en kwaliteitsstandaarden te maken. Waarom kan het niet zo eenvoudig zijn als de taal ons suggereert: je verdient je aandacht of je verdient die niet. De lezer pays attention of hij pays die niet. Als de informatie zelf al een commercieel tintje heeft of regelrechte propaganda is, dan is die het niet eens WAARD om gebruikt te worden voor bevestiging of ontkenning. Daar is geen deelneming in elkaars besturen voor nodig. Daar zijn geen commercieel hangende oren voor nodig. Daar is bereidheid voor nodig om de teerling die je zelf bent, te werpen. Om het nut van het algemeen van dienst te zijn, het gedemocratiseerde nieuwsfeit zelf, en de maatschappij die daar om zit te SPRINGEN.


Laat een reactie achter »