De conceptcode van het Genootschap van Hoofdredacteuren. Het is een giant leap forward. Eindelijk een volwassen poging de globale grondslagen van het journalistieke vak in Nederland weer te geven. De oude gedragscode van het Genootschap kan wat dat betreft geen aanspraak maken op de titel voorgaande versie. De oude code is een kruimelige tekst en lijkt vooral een satirische uiting van weerzin en dédain jegens geschreven beroepsethiek. Als die zeven punten de Nederlandse journalistiek beschrijven, dan zou dat tamelijk droevig zijn.
Maar goed, het is maar een code – dode letters op papier. Alleen daarom is het schrale commentaar sinds de presentatie van de conceptcode niet echt te plaatsen.
Dat is gelijk misverstand nummer een: de aanname van de nieuwe code zal in de praktijk van alles veranderen. Alsof het een handvest voor een ethisch reveil is. Flauwekul. We hebben al uitgebreide journalistieke beroepsethiek in de dagelijkse praktijk, en de code vormt daar hooguit een weerslag van.
Misverstand nummer twee is dat de code zal reguleren. Alsof het een disciplinerende maatstaf is, met tuchtrechtspraak en sancties. Een mildere variant op dit verwijt is de vrees dat de code betuttelend zal werken en tot kleinburgerlijke zelfcensuur gaat leiden. Ook allemaal flauwekul natuurlijk. Een vrijblijvende code kan nooit het geweten en de handelingsvrijheid overrulen. Wie zegt daarvoor bang te zijn, moet zichzelf geen journalist of zelfs burger willen noemen.
Dan de conceptcode zelf. Die is erg gedetailleerd. Veel te gedetailleerd voor een basiscode, zou ik willen zeggen. Aan de andere kant ontbreken er belangrijke zaken, zoals meer tekstuele uitleg over het waarom van een code. Eigenlijk zou de tekst moeten gaan de gedeelde grondslagen of streven de journalistiek, niet wat een journalist in bepaalde situaties zou moeten doen of nalaten. Dat is aan individuen en individuele redacties om in te vullen.
Een paar kritiekpunten.
1. Het lijkt nu alsof journalistieke beroepsnormen uit de komen lucht vallen. Dat wekt de ten onrechte het gevoel van willekeur uit naam van traditie. Er ontbreekt een belangrijke verwijzing naar het doel van journalistiek: het geven van accurate/goede/pluriforme/betrouwbare informatie waarmee burgers kunnen functioneren in een vrije samenleving. Je kunt het ook het creëren en instandhouden van een vrije marktplaats van ideeën noemen. De term democratie mag best genoemd worden.
2. Burger en samenleving zijn in de nieuwe code vrijwel onzichtbaar. Uit dat ene uitgangspunt – journalistiek als publieke dienst voor een vrije samenleving – volgen alle basisbeginselen, zoals waarheidsgetrouwheid, transparantie en onafhankelijkheid van de macht en van nieuwsbronnen. Sterker: ze krijgen er hun betekenis door. En ze definiëren de relatie die de code aan alle kanten zou moeten omvatten: tussen journalistiek en samenleving. Dat is hetgeen waarop de journalistiek aangesproken kan worden.
3. De code gaat over goede werkwijzen in de journalistieke praktijk, maar formuleert het in de vorm van de beroepshouding van ‘de journalist’. Waarmee weer de onontwarbare knoop ‘wie is journalist’ op tafel wordt gegooid. Niet doen. Iedereen kan journalistiek bedrijven. En het recht op vrije nieuwsgaring (punt 1 van de code) is geen alleenrecht van de journalist, het komt alle burgers toe. Het is dus passender om van journalistiek te spreken in plaats van ‘de journalist’. Dat maakt de code ook gelijk minder moreel dwingend voor eenieder die zich journalist noemt. (De oplossing in conceptcode om iemand journalist te noemen als ie de code onderschrijft, zal vooral veel allergie opwekken.)
4. De code heeft nogal wat ronkende woorden (‘integer te werk gaan’), en negatieve, niet te specificeren formuleringen. Bijvoorbeeld: het ‘vermijden van tendentieuze berichtgeving’. Ook waarheidsgetrouwheid is zo’n beladen begrip met een morele bijklank. ‘Streven naar verificatie’ is veel neutraler. Verificatie van feiten, gegevens en uiteenlopende meningen belichaamt het journalistieke streven naar objectiviteit. Daarmee kan veel worden afgedekt: controleerbaarheid, wederhoor, eigen waarneming, etc.
5. Onder punten ‘fair’ en ‘open vizier’, krijgt de code het karakter van een interne ethische richtlijn. Feitelijk gaat het hier om de vraag wanneer het recht op vrije nieuwsgaring kan botsen met andere grondrechten van burgers (meestal privacy). Dat kan in veel algemenere termen worden afgedaan, vooral omdat daarop heel veel uitzonderingssituaties en discussies mogelijk zijn – zie de recente uitzending van Peter R. de Vries.
6. Geen enkele code kan het definitieve woord spreken over alle beginselen en alle situaties. Daarom mag er een punt nooit ontbreken, namelijk dat in de journalistiek men altijd vrij is om zijn eigen geweten te volgen, en zijn eigen keuzes te maken. Zelfs als die in strijd zijn met de uitgangspunten van een code.
3 reacties