Inmiddels doet elk zichzelf respecterend journalistiek medium ‘iets met user generated content’. Maar te weinig redacties vragen zich precies af wat ze daarmee willen bereiken en beschouwen de slechte kwaliteit ervan als een natuurwet. Maar voor wie oog heeft voor de psychologie van het bijdragend publiek is er nog een wereld te winnen. Deel 1 van een serie over ‘redactionele communities in de praktijk’.
Een recente mededeling van Skoeps.nl zegt het nog zo mooi: de site heeft zich volgens de makers “ontwikkeld tot een white label platform voor user generated content (UGC) waar inmiddels vele partijen gebruik van maken.” Het initiatief van Talpa en PcM slingerde tot vorig jaar november elke maand een ronkend persbericht de wereld in, maar inmiddels is het even stil. Begrijpelijk. Want voor wie zich ook maar even in de site verdiept, is de waarheid onontkoombaar: Skoeps.nl werkt niet, heeft niet gewerkt en zal op deze manier niet gaan werken.
De site is geïnspireerd door de dood van Theo van Gogh en de aanslagen in Londen. Daar doken al snel zeer nieuwswaardige beelden op, die journalistieke en commerciële interesse meer dan waard waren. De oplossing leek verrassend simpel: bied ’16 miljoen reporters’ de kans hun foto’s en video’s naar de site te uploaden en Skoeps.nl moet wel een spraakmakend platform voor de burgerjournalist worden.
De werkelijkheid laat een ander beeld zien. Zo bevat de rubriek Binnenland, die toch het belangrijkste katern van Skoeps.nl zou moeten zijn, de afgelopen 2 dagen niet meer dan 6 filmpjes en foto’s. In totaal stuurden 15 verschillende Skoepers op 27 februari 2008 iets in. En dat is inclusief de content die de site al binnenkrijgt door de samenwerking met hogescholen, regionale TV-zenders (de regionale omroeprubriek ‘Ik op TV’ maakt soms een verdacht professionele indruk) en de aloude calamiteitenjournalisten met een bakkie. En dan rekenen we ook foto’s mee met illustere titels als “Smurfen ongeschikt voor kinderen”. Bij al die items is geen enkel commentaar geplaatst.
De bedenkers van Skoeps.nl schermen met reusachtige bezoekersaantallen, aantallen reporters en een Spin Award voor ‘beste websiteconcept’. Toegegeven, er zijn in die maanden een paar aardige filmpjes verschenen, maar van een wervelende journalistieke site kan toch geen sprake zijn.
Reactie Skoeps
Lian Kool, hoofdredacteur van Skoeps.nl is het oneens met de kritiek: “Ik vind dat het best wel doorloopt op de site, meer zou misschien zelfs onoverzichtelijk worden. De site zag er inderdaad statisch uit, maar dat had meer met vormgeving te maken. Er zijn in totaal ongeveer 100 inzendingen per dag, waarvan 70% wordt goedgekeurd (dit aantal kon niet worden bevestigd. Een steekproef op 27 februari 2008 kwam op 15 verschillende Skoepers waarvan drie met ongeveer vijf bijdragen uit hetzelfde evenement. Een steekproef eerder kwam nog lager uit, EVH). Daarvan komt een portie uit de samenwerkingen die we aangaan en een belangrijk ander deel van de 200 reporters die we een mobieltje hebben verstrekt en die in ruil daarvoor één keer per week een foto of video moeten maken. Daarnaast hebben we 7000 geregistreerde deelnemers en doordat we dagelijks de beste inzending belonen met € 250,-, komen er meer inschrijvingen. De bezoekcijfers zijn een beetje stabiel, zo rond de 5000 bezoekers per dag.”Kool vindt bovendien dat kwantiteit niet alles zegt, en ziet een toename in de kwaliteit van de content. “Skoepers stappen steeds gemakkelijker op iemand af, en maken steeds betere beelden. Mijn doelstelling voor 2008 is dan ook te gaan naar 250 reporters, beter verdeeld over Nederland.”
In antwoord op de vraag wat ‘Ik op TV’ met de site te maken heeft, geeft ze aan dat het een Endemol-project is. Endemol deelt de techniek met Skoeps.nl. “Zij maken items voor de regionale TV. Wij mogen ook hun content gebruiken en zij die van ons. Of het allemaal burgerjournalisten zijn en of ze ook werken met een kleine professionele redactie die de filmpjes maakt, dat weet ik niet. Dat moet je aan Endemol vragen.”
Kleine kans
De vraag naar wat er mis gaat, is interessant voor de Nederlandse journalistiek. Skoeps.nl is namelijk allerminst een uitzondering, maar eerder een verzameling van veelvoorkomende denkfouten die nagenoeg allemaal voortkomen uit de onwil zich echt te verdiepen in de actieve gebruiker die je voor zo’n site zo hard nodig hebt (voor meer details, zie ook deel 2).
Het begint met de wens filmpjes van moorden en bomaanslagen binnen te krijgen. De journalistiek wordt inderdaad steeds vaker geconfronteerd met die aanwezige burgerjournalist met zijn fotocamera in zijn mobiel. Maar dat is nauwelijks een verschijnsel dat je kunt organiseren. Hoe vaak heb je de afgelopen weken in je vrije tijd iets nieuwswaardigs gezien, gefotografeerd of gefilmd en verstuurd? Een brand, een ongeluk, een opstootje? Precies. En die drempel is voor de amateur nog vele malen hoger. Als een minister van dit land wordt neergeschoten is de mogelijkheid aanwezig dat een burger iets spectaculairs filmt. Maar hoe groot is de kans dat die persoon een enthousiaste Skoeper is? Die het vervolgens snel op www.skoeps.nl gaat uploaden?
Voor wie er nuchter naar kijkt is die journalistieke droom niets meer dan een fata morgana. En dan gingen we nog voor het gemak uit van de assumptie dat 16 miljoen reporters het leuk vinden om journalistje te spelen, snappen wat nieuwswaardig is, en de technische vaardigheden bezitten om er nog iets fatsoenlijks van te maken. Dan vergeten we voor het gemak maar even dat een nieuwe site een merk is dat nog bekendheid moet krijgen onder het Nederlandse publiek, zodat je bezoekers en reporters krijgt. En dat je in de tussentijd een te statische site hebt, waar mensen vaak niet meer terugkeren, laat staan amateur-verslaggever worden. Over de commerciële haalbaarheid van zo’n onderneming durf ik niet eens te beginnen.
Goede bedoelingen
Op kleurrijke congressen schermen deskundigen met succesvolle buitenlandse (sic) sites als Youtube en Ohmynews.com, in de praktijk blijkt het draaiend krijgen van grote burgerjournalistieke sites meestal een onmogelijke opgave. Zijn dan alle interactieve projecten verloren moeite?
Geenszins, maar we moeten effectiever worden. Ongetwijfeld zullen er sites komen die alle webjournalistieke wetten tarten, maar de meesten zullen snel een veilige aftocht zoeken. Intussen zijn er een aantal signaalbegrippen, die voor elke realist het teken zijn om alarmfase 1 af te kondigen: als een redactie of uitgever een interactieve site begint om met weinig moeite leuke content binnen te krijgen, of omdat ‘we er simpelweg iets mee moeten’ kunnen ze zich beter nog een keer bedenken. En zeker als het onder ‘een andere vlag’ gaat gebeuren.
Om het beste uit je mensen te halen, moet er allereerst zeer indringend naar de goede bedoelingen van alle partijen worden gekeken, en naar de parameters van succes: wanneer noem je het project geslaagd? Na het stellen van de vraag ligt er direct een belangrijke keuze voor: moet het mooi materiaal opleveren of veel bezoekers? Meestal kiezen initiatiefnemers onbewust voor de boter én het beleg: als er gewoon veel content binnenkomt zit er vast iets moois tussen. Maar wat men zich nauwelijks realiseert, is dat zelfs als die gedachtegang werkt en 1% van het aangeleverde materieel journalistiek bruikbaar is, je nog met een site van 99% rommel opgescheept zit. Leuke niemendalletjes misschien, sympathiek, maar het blijven niemendalletjes. En dat trekt meer rotzooi aan dan je denkt.
Als je heel bewust voor vergroting van je lezerspubliek gaat door het bieden van een sociaal platform, kan dat niettemin een heel legitieme keuze zijn. De Telegraaf heeft er heel bewust voor gekozen om mensen op de site te laten reageren op artikelen en lezers zo bij de site te betrekken. Niemand heeft de illusie dat uit die commentaren mooie journalistieke verhalen komen en dat hoeft ook helemaal niet. De commentaren maken de site levend en bevestigen de indruk dat de krant tussen de mensen staat.
Ook de gespiegelde beslissing kan ‘to the point’ kan zijn: mooie content van minder mensen. De popsite 3voor12 heeft een geselecteerde groep burgerjournalisten aan het werk om een inmiddels indrukwekkende database op te bouwen.
Maar de combinatie van overweldigende aandacht en schitterende burgerjournalistiek komt maar zelden voor. Meestal raken redacties al snel teleurgesteld in wat de site aan journalistiek of bezoekers oplevert, omdat de vraag naar het ‘waarom’ simpelweg nooit helder op tafel kwam.
Tijd en geld
Bij de vraag naar mooie content of meer interactieve bezoekers horen verschillende redactiemodellen (zie deel 2 van deze serie). Maar één ding hebben alle UGC-projecten gemeen: ze kosten tijd en geld. Dat lijkt een enorme open deur, maar de meeste interactieve projecten leiden nog steeds aan het erfenissyndroom: je blijft hopen op de excentrieke achteroom die je plotseling geld nalaat. Maar niets komt voor niets. Elke journalist die denkt dat mooi materiaal als vanzelf de redactielokalen binnen komt wandelen, komt bedrogen uit. Iedere uitgever die stiekem droomt van kleinere redacties omdat een deel van de journalistiek even goed door de lezers kan worden ingevuld, is naar te veel hippe marketingcongressen geweest.
De motor van de tweerichtingen kent maar twee soorten benzine: redactionele en promotionele aandacht. Interactiviteit betekent mailtjes beantwoorden, bekijken, modereren, editen, blocken, verrijken en koppelen. Er moet gebouwd en geëvalueerd worden, verstuurd en gepromoot. UGC is geen manier om gemakkelijk ‘de haarvaten van de samenleving’ op te zoeken. Zonder opoffering, tijd, geld en geloof is elk redactionele community project tot mislukken gedoemd. Net journalistiek eigenlijk. Wie dat niet beseft, kan al snel beweren dat ‘user generated content gewoon niet werkt’.
Interactie is geen natuurverschijnsel dat je niet kunt manipuleren. Het tweede en laatste deel van ‘redactionele community’s in de praktijk’, dat morgen op De Nieuwe Reporter verschijnt, handelt over de specifieke redactionele en promotionele maatregelen die redacties kunnen nemen om de kwaliteit van UGC te doen toenemen.
Pingback: Mijn nieuws van 1 maart | Verbeelding