EU: 25 voorlichters op 1000 journalisten

Communicatie over de Europese Unie en de Europese Commissie is notoir slecht. Maar waar ligt dit aan? Enkele recent verschenen onderzoeken bieden nieuw inzicht in deze problematiek.

Toen in 1999 de Europese Commissie (EC) die werd geleid door Jaques Santer viel, werd dit mede geweten aan het slechte media-beleid van deze Commissie. Leden van de Commissie-Santer zouden zich hebben schuldig gemaakt aan fraude en corruptie, maar toen journalisten hier lucht van kregen en er vragen over begonnen te stellen, kregen zij van het communicatiebureau te horen dat er niets aan de hand was en werden zij stomweg genegeerd of afgewimpeld. Met als gevolg dat deze journalisten zich extra hard vastbeten in de zaak en de volledige commissie af moest treden.

De nieuw aangestelde commissievoorzitter Romano Prodi, tegenwoordig premier van Italië, probeerde tussen 1999 en 2004 het persbeleid van de EC te verbeteren. Maar slaagde hij hierin? Daarover gaat een artikel van twee Britse mediawetenschappers in het huidige nummer van het tijdschrift European Journal of Communication.

Het artikel is niet vrij toegankelijk; de url verwijst naar de abstract. Peter Anderson en John Price hielden diepte-interviews met 23 EC-persvoorlichters en Britse journalisten, om te onderzoeken welke veranderingen zij gedurende de genoemde periode hebben ervaren en wat zij van deze veranderingen vonden. De overkoepelende conclusie is dat Prodi er enigszins in is geslaagd de communicatie te verbeteren, maar nog lang niet goed genoeg.

Beter personeel
Een positief punt aan Prodi’s hervormingen van het communicatieapparaat van de EC is dat hij beter personeel heeft aangesteld. Ten tijde van Santer was sommig personeel binnen de communicatieafdeling duidelijk niet capabel. Prodi trok onder meer enkele doorgewinterde politiek journalisten aan die het klappen van de mediazweep goed kenden. Het ’beleid’ dat journalisten moesten worden genegeerd en afgewimpeld werd afgeschaft. Een verandering die door de geïnterviewde journalisten als zeer positief werd beschouwd. Verder werd de communicatie tussen in Brussel gestationeerde communicatiewerkers en hun collega’s die op landsniveau werkten verbeterd, onder meer via dagelijkse videoconferenties in de ochtenduren waarbij het belangrijkste nieuws van de dag werd besproken.

Maar daar bleef het bij. Ondanks de positieve personeelsveranderingen bleef de communicatieafdeling van de EC onder Prodi onderbezet. Er waren 25 persvoorlichters die samen de communicatie met onder meer duizend in Brussel gestationeerde journalisten en met twintigduizend EC-medewerkers moesten verzorgen. Ook werd het beschikbare budget, volgens de door Anderson en Price geïnterviewde persvoorlichters, verkeerd ingezet. Zo was er in 2004 zeventien miljoen euro beschikbaar voor communicatie met de media en 35 miljoen voor folders, internetsites en andere vormen van informatievoorziening. Maar uit onderzoek onder burgers was gebleken dat zij informatie over de EC liever via de media verkrijgen dan via folders of sites. Verder concentreerde de communicatieafdeling zich vooral op de in Brussel gestationeerde journalisten en niet op die in de afzonderlijke lidstaten, wat de invloed op nationale media beperkte. En bleken er problemen te blijven tussen de communicatie van de persvoorlichters en de EC-medewerkers. Dit alles zou mede komen doordat Prodi zich ontpopte als een ietwat zwak leider die geen hard beleid uitzette.

Alleen Britse journalisten
Anderson en Price erkennen dat hun onderzoek slechts beperkt van opzet was. Bovendien hebben zij alleen Britse journalisten geïnterviewd, geen journalisten uit een van de andere EU-lidstaten. Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam verschenen afgelopen jaar twee masterscripties die zich vanuit Nederlands perspectief op deze EU-communicatieproblematiek richten.

Binnen de Nederlandse media heeft de EU een lage zichtbaarheid, Europese politici komen nauwelijks in het nieuws, de berichtgeving is vaak licht negatief van toon en is vaak te nationaal van karakter; zo vat Bibi van den Dijck eerder onderzoek naar EU-berichtgeving in de Nederlandse media samen. Om tot een dieper inzicht te komen in waarom dit zo is interviewde zij elf parlementair journalisten over waar zij, in relatie tot de EU, zoal tegenaan lopen in hun werk. De elf waren journalisten van zowel kranten, tijdschriften, de televisie als de radio. Van Dijck concludeert dat voor veel parlementair journalisten de EU nauwelijks een rol speelt binnen hun verslaggeving. Als Europa voldoet aan bepaalde nieuwscriteria zoals actualiteit, urgentie, spanning, conflict, makkelijk uitlegbaar, als er een nationale link is en als het leeft in de Haagse politiek, is er wel kans dat de EU in het nieuws komt.

Verder wijzen de geïnterviewden op een gebrek aan kennis en interesse op het gebied van Europa. Dit zou zowel spelen bij de media als bij politici en burgers. Opvallend is ook dat deze drie groepen elkaar aanwijzen als oorzaak van het gebrek aan kennis en interesse en dus als reden dat berichtgeving over de EU niet tot stand komt. Er lijkt sprake te zijn van een soort kip-en-ei verhaal, cirkelbewegingen die zichzelf in stand houden.

Politici
Hanna Gillissen en Jolanda van Drie kiezen er in hun gezamenlijke scriptie voor de problematiek vanuit een iets ander perspectief te benaderen: waar denken politici dat het mis gaat? Zij vroegen tientallen politici van Nederlandse oorsprong mee te werken aan diepte-interviews over hun visie op de communicatieproblematiek rondom de EU. Het ging hierbij om nationale politici met de EU in hun portefeuille en om Europarlementariërs. Negentien van hen waren bereid mee te werken. Het algemene beeld dat voortkomt uit de interviews is dat er volgens de politici te weinig kennis is over de EU. De media brengen volgens hen te weinig EU-gerelateerd nieuws en ze constateren een onverschillig of zelfs licht negatief gevoel ten opzichte van de EU onder burgers en journalisten. Bovendien zou het nieuws dat wel de media haalt vaak te weinig concreet en te abstract zijn. De geïnterviewde politici leggen de schuld van de kloof tussen burgers en de EU echter wel bij de politiek zelf. Politici in Den Haag zouden te weinig weten over Brussel en er niet voldoende in geïnteresseerd zijn. Hoe kunnen zij dan verwachten dat de burger en de media wel geïnformeerd en geïnteresseerd zijn? Maar: de geïnterviewden spraken hierbij over politici in het algemeen, met name over Kamerleden die niet in de EU gespecialiseerd zijn. Zichzelf leken ze buiten schot te willen houden.

5 reacties

  1. ben van der velden schreef op 10 maart 2008 om 18:09

    Nooit was er een Jacques Santander voorzitter van de Europese Commissie. Misschien wordt Santer bedoeld.
    Nooit probeerde Prodi de voorlichting van de Europese Commissie te verbeteren. Hij probeerde zijn rechterhand Levy een Brusselse spindoctor te maken, wat een rampzalige mislukking was. Daarom noemde een Brussels dinergezelschap zich spottende de Club de la PRODIgieuse LEVItation. Prodi’s voorlichting was al snel niet in de eerste plaats op Europa gericht, maar op zijn terugkeer in de Italiaanse politiek.

  2. @Ben: Je hebt natuurlijk gelijk. Santander is inmiddels gewijzigd in Santer.

  3. Heel wat mensen zijn nieuwsgierig naar dit politiek niveau in volle ontwikkeling, maar de meeste Nederlandse en Belgische media tonen er geen greintje belangstelling voor. Omdat het publiek zich alleen in Europees voetbal zou interesseren. Omdat de Europese politiek niet ‘sexy’ zou zijn.
    Nochtans ligt de EU bezaaid met ‘raw meat’. Maar waar zit dan de ‘watchdog’ die media pretenderen te zijn? En welk krachtig mechanisme dwingt een beroepsgroep, van nature nieuwsgierig naar alles wat ruikt naar macht, de andere kant uit te kijken? Dat wil ik wel eens weten.

    De VVOJ wil hierop anticiperen met haar European Investigative Journalism Conference in Brussel die plaatsvindt op 21 en 22 november 2008. Meer info: http://www.vvoj.eu

  4. Ides, “…welk krachtig mechanisme dwingt een beroepsgroep, van nature nieuwsgierig naar alles wat ruikt naar macht, de andere kant uit te kijken?”

    Weten aan welke kant je boterham gesmeerd wordt? When you’re not part of the solution, you must be part of the problem?

  5. Dit is toch wel “een beetje dom” zal onze Prinses Maxima hierover te zeggen hebben. Want hiermee versterkte Jaques Santer de bij de man in de straat rondzingende opinie: “er is toch nog niets veranderd, sinds men in de middeleeuwen op hoog niveau afsprak: “de kerk houdt het volk dom en de regeringen houden het arm.”
    Want, wat is er nou nog mooier dan dit bovengenoemde schurkenstatement naar de mestvaalt van de geschiedenis te verbannen? Die Prodi schijnt toch ook niet zo’n open Europees leider te zijn geweest, anders zou het onderzoek naar diens communicatatieve wil én capaciteiten niet geheim zijn. Echter, bij poep aan de knikker in Brussel, komt nu de afdeling Voorlichting op de proppen. Welke bij kritiek maar één stringente stelregel hanteert: “doek over de kooi én als de donder de stop uit dat bad met troebel water!” Dit alles dan in een correcte spelling, waarin iedere Europese taal zich herkent en manifesteert(…).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>