Het verzuilde medialandschap dat Nederland een halve eeuw geleden kende had minstens één voordeel ten opzichte van het huidige: het maakte mensen meer politiek betrokken. Tenminste, dat zou je kunnen concluderen op basis van het onderzoek van Hetty van Kempen. Zij promoveerde 14 maart aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift ‘Context in political communication. Measurement and effects on political behaviour’.
Onderzoek naar media-effecten richt zich vaak op de vraag hoe media individuen beïnvloedt. Van Kempen koos echter voor een bredere aanpak. Binnen haar proefschrift is een belangrijke rol weggelegd voor het begrip Media-Party Parallelism (MPP). Dit is een variabele die uitdrukt in hoeverre binnen een bepaald land individuele media gelinkt zijn aan bepaalde politieke partijen ofwel politiek gekleurd zijn. Van Kempen bepaalde de MPP van de vijftien landen die in 1999 de Europese Unie vormden. Zij deed dit niet door alle media uit al deze landen inhoudelijk te analyseren, maar maakte gebruik van een grote internationale survey die in 1999 werd gehouden in het kader van de verkiezingen van het Europees Parlement. Bij deze survey werd onder andere gevraagd naar welke media mensen gebruikten en wat hun politieke voorkeur was. Door te zoeken naar correlaties tussen deze twee dingen, en met in het achterhoofd het gegeven dat mensen vaak voorkeur hebben voor media die aansluiten bij hun politieke visie, bepaalde Van Kempen de MPP van de deelnemende landen. Hieruit kwam een variabel beeld naar voren. Vooral in het zuiden van Europa, met name in Griekenland en Italië, bleek een sterk verband te zijn tussen bepaalde media en politieke partijen. In Finland, Ierland en Duitsland leek de gekleurdheid van de media echter nihil te zijn. Nederland nam een middenpositie in.
Verkiezingsopkomst
Een van de dingen waar Van Kempen vervolgens in geïnteresseerd was, was de mate waarin MPP samenhangt met politieke betrokkenheid. Als maat hiervoor nam zij de opkomst bij verkiezingen. Het bleek dat in landen met een hogere MPP meer mensen gingen stemmen, oftewel de politieke betrokkenheid het hoogste was. Wel bleek dit effect sterker te zijn naarmate mensen minder in politiek geïnteresseerd waren: het lezen of kijken van media met een bepaalde politieke kleuring zette deze mensen dus sterker aan tot politieke participatie dan mensen die toch al in politiek geïnteresseerd waren. Dit sluit aan bij eerder onderzoek waaruit ook bleek dat de minst politiek geëngageerde mensen het meest ‘gevoelig’ zijn voor media-effecten.
Om extra bewijs te krijgen voor haar stelling dat MPP samenhangt met politieke betrokkenheid besloot Van Kempen ook een studie te doen die keek naar hoe deze beide variabelen over een langere tijdsperiode verliepen. Verschillende Europese landen hebben, net als Nederland, de laatste decennia een verandering van het medialandschap gekend waarbij dit landschap steeds minder ‘verzuild’ is geraakt. Van Kempen keek naar de situatie in Zweden, omdat voor dit land het beste historische documentatiemateriaal aanwezig was. En wat bleek: zowel de MPP als de electorale participatie daalden gedurende de periode 1979-2002. Oftewel, extra bewijs voor het idee dat de partijdigheid van media gelinkt is aan politieke participatie. Dit effect bleef ook na correctie voor andere mogelijke oorzaken van de daling overeind. Bovendien vond Van Kempen bewijs dat de partijdigheid van kranten niet alleen het stemgedrag de lezers van die kranten beïnvloedt, maar ook dat van niet-lezers, door middel van interpersonele communicatie. Wat zou betekenen dat de MPP van een land ook een goede voorspeller is van politieke participatie als lang niet iedereen kranten leest of politiek op de televisie volgt.
Cognitieve dissonantie
Van Kempen was verder nog geïnteresseerd in een eventueel media-effect dat te maken heeft met cognitieve dissonantie. Uit andere onderzoeken leek naar voren te komen dat als mensen veel in aanraking komen met politieke informatie die niet aansluit bij hun politieke voorkeur, zij meer afstand nemen van politiek en minder snel zullen gaan stemmen. Het tegenovergestelde dus van de achterliggende gedachte bij Van Kempens andere onderzoeken. Zij besloot dit idee te onderzoeken door te kijken naar hoe het mediagedrag van mensen in Groot Brittanië, waar de media bekend staan om hun sterke pro- danwel anti-EU houdingen, samenhing met de mate waarin de zij gingen stemmen voor het Europese Parlement. Van Kempen vond echter geen significant bewijs dat het lezen of kijken van een medium dat een andere houding had ten opzichte van de EU dan personen zelf hen ontmoedigde te gaan stemmen.
4 reacties