Ruimte voor kwaliteit? Media en journalistiek op het digitale kruispunt

Ter gelegenheid van zijn inaugurate tot lector crossmediale content aan de Utrechtse journalistenopleiding, gaf Piet Bakker gisteren, donderdag 20 maart, een ‘openbare les’. Bijgaand de integrale tekst van zijn les.

In januari meldden Nederlandse media een curieus gevalletje van plagiaat. Burgemeester Ada Boerma van Maasdriel had zich voor haar installatiespeech laten inspireren door de toespraak die Thom de Graaf had gehouden bij zijn ambtsaanvaarding in Nijmegen. De inspiratie moet van bovennatuurlijk gehalte zijn geweest, meer dan tien passages kwamen vrijwel rechtstreeks uit de rede van De Graaf, inclusief het citaat van zijn vader die daarmee ook meteen een beetje de vader van Boerma was geworden. Het nieuws werd niet door een traditioneel medium onthuld maar verscheen voor het eerst op internet, het werd ook niet door een professionele journalist maar door een amateur, een blogger, naar buiten gebracht.

Theo Kooijmans, een 57-jarige ICT-projectmanager, schrijft op 15 december op zijn blog Politiek Rheden over de toespraak van burgemeester Boerma. Hij publiceert een overzicht van de identieke passages en stelt het Maasdrielse VVD-raadslid Cees Sips op de hoogte. Sips, 62 jaar oud, is ook geen journalist, maar voormalig ICT-projectmanager. Hij schrijft op zijn blog over ‘plagiaat-Ada’ en meldt het zijn mederaadsleden, maar vindt weinig weerklank – de toespraak verdwijnt wel meteen van de gemeentelijke website.

Een columnist van de editie Bommelerwaard van het Brabants Dagblad verwijst een week later naar de zaak, vooral om Sips aan te vallen, die ‘geklikt’ zou hebben om zo de sfeer in de gemeente te bederven. Maar de krant pikt het verder niet op. Omroep Gelderland brengt het nieuws pas na drie weken, op 8 januari. Een dag later volgen het Brabants Dagblad en vrijwel alle landelijke media.

Zien we hier crossmedia in optima forma? Het nieuws overstekend van het ene medium naar het andere, verwijzend naar elkaar, elkaar versterkend? In zekere zin wel. In de kranten worden de blogs genoemd die daarna het bezoek explosief zien stijgen. Via internet zijn de complete speeches te zien, de overeenkomstige passages en de lamme excuses van de gemeente. Aan de andere kant lijkt het erop dat de traditionele nieuwsmedia zich hier de kaas van het brood hebben laten eten.

Allemaal digitaal?
Worden ‘echte’ journalisten overbodig? Kunnen hun taken niet net zo goed vervuld worden door bloggers of lezers die user generated content aanleveren: tekst, filmpjes, foto’s – iedereen loopt immers met een smartphone rond? We hebben toch “16 miljoen reporters” volgens Skoeps? Daarnaast maken media gebruik van wat onnozele gebruikers achterlaten op Facebook, Hyves of MySpace. Er is zoveel nieuws dat je alleen maar iemand nodig hebt om te knippen en te plakken. Dat nieuws duikt overal op, Britney Spears en Paris Hilton vinden we net zo makkelijk bij nrc.nl als bij nu.nl, een website waar de journalisten – alle vier – zich uitsluitend bezighouden met het online zetten van nieuws van anderen.

Het is niet moeilijk een gitzwart toekomstscenario te schetsen voor traditionele media en kwaliteitsjournalistiek. Google rules in de inmiddels vermaarde Flash animatie Epic 2014 waarin wordt gesteld dat binnen tien jaar “the press as you know it has ceased to exist”. Makers Robin Sloan en Matt Thompson hadden Epic 2014 overigens niet als voorspelling gepresenteerd, maar desalniettemin werd Epic vertoond op conferenties, seminars en workshops, op tv, in klaslokalen en collegezalen. Arthur Sulzberger, eigenaar en uitgever van de New York Times voorziet zoiets al voor 2012: “I really don’t know whether we’ll be printing the Times in five years.

In een artikel in The Economist, “Who killed the newspaper?” is 2043 het jaar waarin de “last exhausted reader tosses aside the last crumpled edition.” Het tijdschrift beroept zich op de Amerikaanse krantendeskundige Philip Meyer die in zijn boek The Vanishing Newspaper de Amerikaanse krantenmarkt analyseert waar de oplage met ruim 10 procent is gedaald in de laatste tien jaar.

In Europa liep de oplage met 15 procent terug. Europa’s grootste krant Bild Zeitung verkocht 800.000 exemplaren minder; nummer 2 The Sun zag de oplage met een miljoen teruglopen. Ook de kwaliteitspers deelt in de malaise; de Frankfurter Algemeine, The Times en Le Monde zagen hun oplage dalen.

In Nederland liep de oplage van De Telegraaf tussen 2000 en 2006 met 100.000 terug; de Volkskrant verloor 60.000 exemplaren, het AD raakte samen met de regionale titels waarmee het fuseerde een kwart miljoen aan oplage kwijt.

Online lijkt op alle fronten te winnen. Ruim 80 procent van de Nederlanders is online, van de jongeren bijna iedereen. Wat we doen online is ook onderzocht: vooral msn’en, e-mailen en gamen; online nieuws lezen staat niet in de top drie.

De citizen journalist, de co-creator, the grassroots journalist die via sociale netwerken met anderen communiceert en met z’n Nokia N95 user generated content naar z’n blog stuurt of via nujij.nl of Dumpert de wereld verovert, is een uitzondering. De verwachtingen zijn hooggespannen maar de bewijsvoering verloopt vooral via anekdotes. Het voorval waarmee dit verhaal begon is meer een bewijs van tekortschietende journalistiek dan van een verschuiving van traditionele media naar online nieuwsvoorziening door amateurs.

Dat kranten in 2043, 2014 of 2012 het loodje leggen is op z’n minst dubieus. Phil Meyer heeft de 2043-voorspelling voorspelling bijvoorbeeld niet gedaan. Eén van de vragen die Amerikanen voorgelegd kregen, was “leest u elke dag een krant?” Als de trend van de afgelopen jaren zich voortzet wordt de 0-lijn inderdaad in 2043 bereikt. Maar alleen als de omstandigheden en de kranten niet veranderen, iets waar Meyer niet vanuit gaat. Bovendien het ging om mensen die elke dag de krant lazen. Als het gaat om mensen die drie a vier per week die krant lezen wordt de 0-lijn decennia later bereikt – maar dat is natuurlijk geen lekker nieuws.

Kunstjes met statistiek zijn eenvoudig. Als de Nederlandse betaalde oplage elk jaar met 5 procent daalt, duiken we in 2032 onder de miljoen, bij 3 procent in 2049. Het is maar waar je vanuit gaat.

Ted Turner, de oprichter van CNN, kondigt met enige regelmaat de ondergang van de krant aan. In 2006 gaf-ie ze maximaal 20 jaar. Vorig jaar zag hij ‘riding into the sunset’. Bij de lancering van CNN begin jaren tachtig voorspelde hij dat kranten het geen tien jaar meer zouden uithouden. Waar hebben we dat vaker gehoord? Wie zou er nog naar het theater gaan als er film is, en wie nog naar de film gaan als er televisie is? Media sterven niet uit hoewel ze wel veranderen zoals de Duitse mediahistoricus Wolfgang Riepl al concludeerde in 1913 na onderzoek naar ruim 2000 jaar mediageschiedenis.

De gebruiker
Het is een naïve zero-sum gedachte dat het ene medium het andere vervangt. In Nederland lezen bijvoorbeeld ongeveer drie miljoen mensen gratis kranten – tweederde daarvan leest ook een betaalde krant. Geen zero-sum dus – lezers lijken media te combineren en dat geldt niet alleen voor dagbladen. Crossmedia wordt over het algemeen vanuit de aanbieder gedefinieerd als het uitgeven of publiceren van overeenkomstige of aanvullende boodschappen via verschillende kanalen. De gebruikers hebben de oversteek echter allang gemaakt.

De gebruikers veranderen de media. Ze veranderen het medialandschap niet; zij zijn het medialandschap. Het is hun gedrag dat de bestaande media voor grote uitdagingen plaatst en de belangrijkste driver is voor de crossmediale revolutie. Drie patronen zijn zichtbaar bij de verschuivingen in het mediagebruik.

Ten eerste is er een verschuiving tussen media. In Nederland wordt al 30 jaar onderzoek gedaan naar tijdsbesteding. Daaruit blijkt dat de Nederlander evenveel tijd is blijven besteden aan media. Zo’n 18 uur per week. Die uren worden nu anders ingevuld. Toen waren print en tv dominant, nu is online in opmars.

De tweede belangrijke verandering heeft zich binnen het gebruik van bepaalde media voorgedaan. Lezen, kijken en luisteren is nu iets anders dan 30 jaar geleden. Thans bestaat in Nederland 30% van de krantenoplage uit gratis dagbladen. Bij televisie en radio is een verschuiving in de richting van commerciële omroepen zichtbaar. Bij tijdschriften ontstaan geheel nieuwe segmenten.

De laatste verandering is dat elke nieuwe generatie een ander mediagedrag heeft dan de voorafgaande. Aanvankelijk werd er vanuit gegaan dat er een leeftijdseffect was. Als men op zichzelf gaat wonen, een baan en kinderen krijgt, een voetbalclub – dan neemt men een abonnement op de krant, wordt MTV ingeruild voor Nederland 1, en komen Margriet, Donald Duck en Panorama vanzelf binnen. Niets is minder waar. Mensen passen hun gedrag niet ingrijpend aan. De krantengeneratie heeft plaatsgemaakt voor de tv-generatie die weer verdrongen wordt door de internetgeneratie. Dat betekent niet dat die generaties alleen dat medium gebruiken maar wel dat zij dat als het belangrijkste medium zien.

Minder lezen?
Veel traditionele tijdschriften verliezen terrein, maar bepaalde sectoren, bijvoorbeeld glossies die op jonge vrouwen zijn gericht en de nieuwe generatie meiden-bladen – girlz-magazines – doen het juist goed. Ook het segment ‘modern geestelijk leven’ – Happinez, Psychologie Magazine, Mind Magazine – is in opmars.

De totale Nederlandse dagbladoplage is de afgelopen 12 jaar niet afgenomen maar juist toegenomen. Verantwoordelijk daarvoor waren de gratis kranten Metro, Spits, De Pers en DAG en nrc.next; de nieuwe titels dus. Bijna twee miljoen exemplaren met zo’n drie miljoen lezers in totaal.

Maar het is natuurlijk niet zo dat er alleen maar bijkomt. Wij zijn hier geen getuige van de wonderbaarlijke media-vermenigvuldiging. We gebruiken meer soorten media en mediagebruik wordt vaak met andere zaken gecombineerd terwijl media vaak naast elkaar worden gebruikt – dat leidt wel tot minder tijd en aandacht per medium.

Het publiek verdeelt zich over meer media dan vroeger. Maar er is weinig steun voor de totale fragmentatie-these. De publieke omroep bereikt in 2007 ruim 30 procent van de tv-kijkers, de RTL-zenders bijna een kwart. Er is nog steeds een miljoenenpubliek voor het NOS Journaal, Boer Zoekt Vrouw, Spoorloos en natuurlijk sport. Het aandeel van de ‘gevestigde’ zenders van de Publieke Omroep, RTL en SBS is 73 procent in 2007. Het aandeel van die zenders neemt wel af; vijf jaar geleden had men nog een marktaandeel van 78 procent.

Substitutie, kannibalisatie, conversie?
Leveren nieuwe producten nieuwe lezers of kijkers op of kannibaliseren ze op het traditionele product. Waarom nog voor een krant betalen als je het nieuws gratis online bij dezelfde krant kan lezen of een in een gratis of goedkope krant van hetzelfde concern? Zijn verschillende media elkaars substituut of vullen ze elkaar aan? Misschien is er zelfs sprake van versterking: bezoekers van de website zouden overgehaald kunnen worden een abonnement te nemen. Wat te denken van al die mensen die nu al jarenlang bijna elke dag één of meer gratis kranten lezen? Zijn dat geen nieuwsjunkies geworden? Die zouden nu toch wel eens behoefte kunnen krijgen aan iets sterkers in de vorm van een abonnement, al was het maar alleen in het weekend. Het schijnt zo te werken met heroïne, dus waarom niet met nieuws?

Kannibalisatie, dat nieuwe producten concurreren met bestaande, lijkt niet waarschijnlijk. Internetgebruikers stoppen niet en masse met lezen terwijl omroepen niet massaal kijkers en luisteraars verliezen aan internet. Uitzendinggemist.nl lijkt de publieke omroep geen kijkers gekost te hebben – sterker nog, uitgesteld internet-kijken kan het publiek vergroten, tv via de pc is in Nederland in opmars, terwijl ook via YouTube het publiek vergroot kan worden. Wie niets doet zal merken dat de concurrentie niet stil zit. Misschien kan je in dat geval beter je eigen kannibaal zijn.

In vrijwel alle landen met gratis dagbladen is de daling van de betaalde oplage ingezet voor de introductie van gratis kranten, terwijl ook in landen zonder gratis dagbladen (Duitsland, Noorwegen) de betaalde oplage daalt.

De keerzijde van de medaille is dat conversie – het verleiden van gebruikers van gratis of lichte producten naar betaalde of zwaardere producten – ook niet waarschijnlijk is. De special treatment die BNN te beurt valt binnen het publieke bestel, is ingegeven door de gedachte dat op deze manier jonge kijkers voor de publieke omroep behouden blijven. En stappen de kijkers van NOS Headlines over naar het Journaal? Vooralsnog niks van te merken. Als acht jaar gratis kranten uitdelen zou hebben geleid tot een miljoen nieuws-junkies is dat niet terug te zien in de krantenverkoop.

Crossmedia als publicatiestrategie
Mediabedrijven in een snel en sterk veranderende omgeving die zichzelf niet in de marge willen terugvinden, moeten een antwoord vinden op de nieuwe mogelijkheden die de technologie biedt en moeten zich tevens aanpassen aan de veranderende publieksvoorkeuren. Dit proces wordt vaak aangeduid als een crossmediale strategie.

Crossmedia betekent voor veel bedrijven online gaan. Maar in feite zou crossmedia veel breder opgevat moeten worden, waarbij online slechts één optie is. Het is ook nog vaak de optie waarbij de verdiensten het meest onzeker zijn. Want wat er ook gezegd kan worden van de spectaculaire groei van internet, een spectaculaire groei van inkomsten heeft het voor veel traditionele mediabedrijven niet opgeleverd.

De drijfveren voor innovatie
In een ideale wereld innoveren bedrijven door betere producten te introduceren maar ook door nieuwe, lichtere, producten te lanceren die voldoen aan een behoefte van het publiek. Maar, zoals wellicht bekend is, leven we niet in een ideale wereld. De meeste crossmediale initiatieven zijn niet ontplooid om het publiek te voorzien van diensten en producten die beter aan hun wensen voldoen maar vooral om de markt te beschermen. Met andere woorden: een defensieve strategie die weinig rekening houdt met de wens van het publiek, de bepalende succesfactor. Maar zit dat publiek wel te wachten innovatieve crossmediale journalistiek?

Tot dusver lag de nadruk op innovatieve strategieën in een financiële context: verdienmodellen, concurrentie, marktaandelen, oplagen, commercie, investeringen, kannibalisatie, een nieuw publiek aanboren et cetera. Het is een context waar veel journalisten in het verleden een broertje dood aan hadden. Het was niet chic je met zoiets platvloers als geld te bemoeien – commercie en kwaliteit waren nu eenmaal elkaars tegenpolen. En het was niet nodig je met geld bezig te houden, er werd immers genoeg verdiend? Bij de meeste kranten was dat inderdaad het geval en ook bij de publieke omroep kwam het geld nog gewoon uit het plafond vallen.

De commerciële context
Boeken over journalistiek besteden aan de commerciële kanten ook nauwelijks aandacht. Journalistiek is een roeping en een kunst die gefaciliteerd moet worden door de media. In de literatuur over de nieuwste journalistieke rage, civil of participatory journalism, blijft het bedrijfsmatige element bijvoorbeeld zo goed als onbesproken. In We Media, een standaardwerk op dit gebied, komt het nawelijks voor. Ook in Dan Gillmor’s We the Media wordt de suggestie gewekt dat de nieuwe journalistiek zich weinig van economische wetmatigheden hoeft aan te trekken.

Innovaties en journalistiek
In de huidige situatie kan de journalistiek zich deze benadering niet permitteren. Het geld valt niet langer uit het plafond. Daarom verhogen media de prijzen en verlagen ze de kosten. Maar dat lost het probleem van de oprukkende concurrentie en dalende marktaandelen niet op. Wie een nieuw publiek wil bereiken en inkomsten wil vergroten moet innovatief investeren. En leveren die innovaties meer inkomsten, nieuwe gebruikers of een grotere tevredenheid van de bestaande gebruikers op?

Het eerste wat nieuwsmedia doen is het kernproduct aanpassen en verbeteren. Nieuwe katernen, een ander design, een kleiner formaat, een nieuw magazine. Het zijn de veranderingen die vooral een grotere tevredenheid en loyaliteit kunnen opleveren, meer inkomsten en een groter publiek zijn niet aannemelijk.

De volgende opties zijn het ontwikkelen van nieuwe mediaproducten, zowel in de traditionele printsector (Spits, Volkskrant Banen, nrc.next, Barneveld Vandaag, NL20) of in de audiovisuele en digitale sfeer (websites, tv, mobiel, podcasts). Dit zijn de opties die het publiek kunnen vergroten, en daarmee ook de inkomsten, alhoewel dat laatste lastiger lijkt dan het eerste. De nieuwe mediavormen die ontwikkeld worden, zijn vrijwel altijd gratis (internet, gratis dagbladen, huis-aan-huisbladen, magazines) of goedkoop (nrc.next, mobiele content, digitale abonnementen).

Daarnaast ontwikkelen media nieuwe diensten en producten die wel de merknaam dragen van het medium naar weinig of niets met journalistiek te maken hebben. Kranten en omroepen verkopen films, reizen, wijn, boeken en t-shirts; organiseren seminars en cursussen; en gaan in de relatiebemiddeling. Het zijn diensten die vooral inkomsten kunnen opleveren van bestaande gebruikers.

Dit heeft voor de journalistiek ingrijpende gevolgen. Journalisten zullen zich in een steeds commerciëlere omgeving moeten bewijzen. De nieuwe mediavormen hebben een businessmodel waar in veel gevallen niet de gebruiker betaalt maar de adverteerder voor de inkomsten zorgt. Dat is nog geen vetpot, reclame-inkomsten via internet groeien wel snel maar zijn nog steeds gering. Journalistiek zal zich aan moeten passen, en waar mogelijk mee moeten denken over commerciële toepassingen. Zo’n uitspraak is voor velen vloeken in de kerk. Met commercieel meedenken wordt niet bedoeld dat in opdracht van adverteerders materiaal geschreven of bewerkt moet worden; maar wel dat men zich veel meer dan vroeger bewust zal moeten zijn dat men in een commerciële omgeving werkt. Commercieel is ook kwaliteitsproducten maken die voor lezers urgent en relevant zijn.

Aan de andere kant blijkt uit grote bezoekers van dagblad- en omroepsites, uit de populariteit van uitzendinggemist.nl, uit het feit dat er mensen zijn die Telegraaf-wijn of NRC-films willen kopen, of via de Volkskrant-lekker-single site een partner zoeken, dat de nieuwsmerken nog steeds sterk zijn. Het zijn merken die op het vertrouwen van de gebruiker kunnen rekenen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de verdiensten terugvloeien naar de journalistiek die het merk sterk heeft gemaakt.

De ruimte voor kwaliteitsjournalistiek
De ruimte voor onafhankelijke en kritische journalistiek waarbij eigen onderzoek leidend is, zal in de komende jaren kleiner worden. Het is niet aannemelijk dat de bestaande media snel weggevaagd, zullen worden door de bloggende burger, de online nieuwsamateur of zelfs door de professionele weblog. Die hebben de traditionele media hard nodig omdat deze zorgen voor de permanente aanvoer van nieuws en informatie waarop dan weer gereageerd kan worden. “Zonder de Volkskrant en het AD zou GeenStijl er niet zijn” volgens de oprichter van het weblog.

“Journalism as it is, is coming to an end” schrijft Mark Deuze in zijn boek Media Work, terwijl hij ook stelt dat de grenzen tussen journalistiek en andere vormen van communicatie verdwijnen. Hoewel dat op onderdelen aannemelijk is, is er veel voor te zeggen de grenzen tussen journalistiek en andere vormen van communicatie juist scherper te trekken. Wat de huidige leidende nieuwsmerken onderscheidt is juist hun unieke aanpak, de smaak en de kwaliteit van het merk – herkenbaar voor het publiek, uitgedragen door journalisten. Het is dat onderscheidend vermogen – intellectueel, kritisch, populistisch, sociaal, regionaal – dat de herkenbaarheid bepaalt. En dat geldt niet alleen voor traditionele merken; nu.nl, GeenStijl en De Nieuwe Reporter zijn net zulke unieke merken als Peter R. de Vries, Elsevier of de Leeuwarder Courant.

Het is wel voller geworden op de mediamarkt. De monopoliepositie van de traditionele media is verdwenen, maar het is de vraag of hun positie als het gaat om te definiëren van wat belangrijk is, echt ter discussie staat. Voorlopig lijkt dat er niet op. De massamedia van de vorige eeuw zullen zich moeten ontwikkelen tot klasse-media – hun doelgroep wordt kleiner maar ook veeleisender. Kwaliteit en onderscheidend vermogen zullen kenmerken moeten zijn van media die willen overleven.

De onderzoeksagenda
Pieter Broertjes, mede-lector aan deze hogeschool brak in zijn oratie een lans voor kwaliteitsjournalistiek, kwaliteit die herkenbaar is door een streven naar waarheid, zelfreflectie en onderzoek. Die nadruk zal in de onderzoeksagenda van het kenniscentrum centraal blijven staan. Het is met name deze journalistiek die onderscheidend is. Specifieke vraag is hoe onderzoeksjournalistiek toe te passen in een multimediale omgeving. Hoe vergaar je gegevens en hoe presenteer je dat? Het inzetten van internet bij research zal een belangrijk zwaartepunt worden.

Daarnaast zal er aandacht zijn voor opinievorming en maatschappelijke discussie. Nieuwe media bieden veel meer mogelijkheden op het gebied van feedback en discussie. Een belangrijke vraag is hoe deze media ingezet kunnen om discussie over maatschappelijk relevante onderwerpen te stimuleren. Op dit gebied lijken de traditionele nieuwsmerken de slag gemist te hebben. Jan Marijnissen’s weblog en GeenStijl zijn soms een stuk spannender.

Welke vaardigheden op het gebied van multimediaal publiceren hebben journalisten thans en waar is behoefte aan? We gaan daarbij niet bij voorbaat uit van een multi-inzetbare alleskunner – alhoewel je wel meer moet kunnen dan vroeger. De journalist moet een flexibele samenwerker zijn die oog heeft voor de verschillende publicatiemogelijkheden en niet meer denkt vanuit een medium maar vanuit een boodschap en de vraag vanuit het publiek. Een nieuwsmerk als de Telegraaf heeft bijvoorbeeld diverse publicatie-opties: papier, blog, mobiel en tv.

Een vierde zwaartepunt betreft de organisatie. Wanneer van journalisten wordt verwacht dat ze samenwerken in een multimediale omgeving, dient de organisatie daarvoor een kader te scheppen. Modieuze begrippen in dit verband zijn media-convergentie, en de integrated newsroom. Vrijwel alle media hebben zoiets ingericht of denken er sterk aan dat in de toekomst te doen. Ondanks de grootschalige invoering is wetenschappelijk gefundeerd onderzoek naar het fenomeen schaars, met name op het gebied van efficiëntie en effecten op nieuws en nieuwsmakers.

Een laatste specifiek punt is de relatie met non-professionals. Hoe gaan journalisten om met user generated content, online-communities en blogs? En daarbij zijn we terug bij het begin van dit verhaal. Hoe komt het dat een 57-jarige blogger uit Rheden en zijn 62-jarige collega uit Maasdriel de gevestigde media verslaan?

Het Amerikaanse tijdschrift Life kocht in 1963 van Abraham Zapruder film waarop de moord op president Kennedy te zien was. Het duurde een week voordat de doto’s verschenen, en, het was een uitzondering, een incident.

Maar de laatste jaren zijn er steeds meer amateurbeelden te zien in de media. Filmpjes en foto’s van de 9/11 aanslag, de Tsunami, de de vermoorde Theo van Gogh. De inhoud van profielen van Facebook en MySpace worden zonder veel omhaal gebruikt in de media. De Virginia Tech-killer, de Finse school-schutter, de feestende Joran van der Sloot; hun foto’s verhuizen met enkele muiskliks van hun nauwelijks afgeschermde privé-plekje naar het publieke domein.

En natuurlijk de blogs met commentaren en soms zelfs met echt nieuws – hoewel de burgemeester van Maasdriel nog steeds op haar plaats zit. Veel media vragen gebruikers naar foto’s, filmpjes en nieuwstips. AT5 heeft daarvoor ‘gespot’ in het leven geroepen; de BBC vraagt “have you taken a picture or filmed some video that tells a story?” Er is een zich snel ontwikkelende praktijk, maar weinig onderzoek. Want wat heeft dit voor gevolgen voor de journalisten en voor het nieuws? En hoe schatten gebruikers de betrouwbaarheid van dat nieuws in?

Print is niet dood, online zal niet alles overwoekeren, mediagebruik is geen zero-sum game, er is ruimte voor kwaliteitsjournalistiek. Innovatie is een noodzaak maar traditionele nieuwsmerken hebben nog steeds een sterke positie. Journalisten zullen meer moeten kunnen, met name op het gebied van het omgaan met nieuwe media, die als bron dienen maar ook als publicatieplatform. We hoeven ons maar over één ding geen zorgen te maken: dat er op dit terrein te weinig te onderzoeken valt.


9 reacties:

[...] onze nieuwsbrief « Ruimte voor kwaliteit? Media en journalistiek op het digitale kruispunt [...]

Mark Deuze
21 maart, 2008

allereerst: gefeliciteerd Piet! ik zie uit naar het onderzoek en onderwijs dat je gaat uitzetten in Utrecht – daar worden we allemaal beter van.

gegeven mijn achtergrond en uitgangspunten denk ik dat je oratie net iets teveel een “het loopt allemaal zo’n vaart niet” opvatting uitstraalt – hoewel dat niet betekent dat je geen gelijk hebt…

het onderzoek in Leiden en Indiana richt zich inderdaad steeds meer naar de gevolgen van de veranderende bedrijfsorganisatie op het werk en de beroepsidentiteit van de journalist – iets waar jij je ook sterk voor maakt. Samenwerken? Graag!

tot slot: je citeert m’n boek, alleen niet helemaal correct: ik gebruik die opmerkingen om juist de conclusie dat de journalistiek gaat verdwijnen te ontmantelen, ontzenuwen. iets verder in die alinea schrijft ik dus:

“Ultimately, journalism is not going to end because of
cultural or technological convergence. There is however
something to be said about the changing working conditions of journalists in different industries that are merging and to some extent collaborating in an attempt to reach new and especially younger audiences, while at the same time maintaining their privileged position in society.”

en ik denk dat die zinsnede geheel in de lijn is met jouw visie in deze oratie…

tot snel! en veel succes in Utrecht.

Laurens Verhagen
21 maart, 2008

Beste Piet,
Dit klopt toch echt niet: “nu.nl, een website waar de journalisten – alle vier – zich uitsluitend bezighouden met het online zetten van nieuws van anderen.”

Waar heb je deze informatie vandaan? Het is een gemakzuchtig clichéverhaal dat geen enkele grond heeft. NU.nl maakt, net als alle kranten, uiteraard gebruik van het ANP of Novum, maar biedt daarnaast steeds vaker eigen nieuws, zowel op politiek gebied, ict als sport. Zomaar twee voorbeelden:

http://www.nu.nl/news/1457090/11/rss/Wilders_woedend_op_Balkenende_na_bedreigingen.html
en:
http://www.nu.nl/news/1390617/50/rss/Klantgegevens_Planet_uitgelekt.html

Henk Blanken
22 maart, 2008

Piet, je verhaal is goed en compleet en ik kan het bijna uitsluitend mee eens zijn. Met Mark kan ik hooguit bezwaar maken tegen de conclusie die veel lezers er ten onrechte aan verbinden: dat het allemaal wel meevalt. Dat ligt niet aan jou of de feiten, maar wel aan ons, de journalisten die maar moeilijk kunnen wennen aan het veranderen van de tijden.

Als er al aanvullingen nodig zijn op je verhaal, dan misschien deze: zeker, er is behoefte aan meer kwaliteit in de journalistiek, maar ook in jouw verhaal wordt niet uitgelegd waar die uit betaald moet gaan worden; ik maak me daar grote zorgen om, het zal veel visie en liefde van uitgevers en hoofdredacties vergen om geld te blijven vrijmaken voor kwaliteit, in casu alle vormen van onderzoeks- en verhalende journalistiek.

Een ander punt uit je oratie waarbij ik aarzel: terecht signaleer je de generatiewisseling als een van de drie drivers van verandering. Misschien onderschatten we allemaal nog de doorwerking daarvan. Soms word ik ’s zwetend wakker van de gedachte dat die internetgeneratie het werkelijk zonder ons, journalisten, denkt te kunnen, omdat ze Google en hun persoonlijke online en sms-vriendennetwerk als “redactioneel filter” gebruiken. Die leveren uiteraard niet de volledige waarheid die de professionele pers als handelsmerk hanteert, maar met een benadering van wat waar is, nemen ze al genoegen, vrees ik soms.

Piet Bakker
22 maart, 2008

beste Mark,

Eerlijk gezegd denk ik niet dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. In tegendeel, ik denk dat we nu al grote veranderingen meemaken en dat het eind daarvan nog niet in zicht is.

Maar ik verzet me wel tegen de onheilsprofeten (en de utopisten) die op basis van anekdotes en wishful thinking de totale ondergang van print voorspellen ofwel de volledige overwinning van online aankondigen. Zulke voorspellingen doen het altijd goed in de media maar hun onderbouwing is op z’n zachtst gezegd nogal zwak.

Deze onheilsprofeten en utopisten veronderstellen dat wanneer één medium in opmars is, dat volledig ten koste zal gaan van een ander. Dit soort zero-sum denken wordt ook niet ondersteund door harde gegevens. Het blijkt juist dat er allerlei media naast elkaar blijven bestaan, hoewel er van de ‘oude’ media wel een forse inhaalslag gevergd wordt.

Dat betekent dat er voor ‘ouderwetse’ kwaliteitsjournalistiek nog steeds ruimte is, alhoewel die ruimte wel wat kleiner wordt. Traditionele media moeten uiteraard ook digitaal opereren maar ze moeten niet de modellen van bv. nu.nl (zie hieronder) proberen te imiteren. Als je je niet onderscheidt leg je het af tegen de nieuwe spelers.

Met dat citaat uit je hoofdstuk over journalistiek uit Media Work heb ik niet willen zeggen dat jij op het standpunt staat dat traditionele journalistiek gaat verdwijnen. In het hoofdstuk wordt echter wel het punt gemaakt – onderbouwd door meningen van anderen – dat journalistiek ingrijpend gaat veranderen en dat de grenzen tussen journalistiek en andere vormen van communicatie dreigen te vervagen. Ten aanzien van dat laatste heb ik zo mijn bedenkingen – net als jij waarschijnlijk. Ik zie het ook gebeuren maar vind het niet per se een toe te juichen ontwikkeling. Ik meen dat scherpere grenzen juist onderscheidend kunnen werken.

Beste Laurens,

dat van vier journalisten van nu.nl zou niet kloppen. De informatie komt van Ilse-CEO Paul Molenaar die eind 2006 trots vertelde op het congress “Iedereen Journalist” aan de School voor Journalistiek dat het personeelsbestand toen net uitgebreid was van drie naar vier.

Maar dat is mijn punt niet. Het is niet de bedoeling om nu.nl in de beklaagdenbank te zetten omdat er weinig journalisten werken. De sterkte van nu.nl is juist dat er weinig journalisten werken en dat ze zich inderdaad voornamelijk bezig houden met het online zetten van ANP en Novum berichten. Nu.nl doet dat beter dan wie dan ook (de vraag is natuurlijk waarom het ANP of de Nederlandse media zelf niet op dat idee zijn gekomen). Wanneer men zich wel met eigen nieuwsgaring bezig gaan houden leggen ze het af tegen de traditionele media.

Verderop in de lezing wordt nu.nl nogmaals genoemd, namelijk als voorbeeld van een succesvolle innovatie die precies ‘goed genoeg’ is.

Ron C. de Weijze
22 maart, 2008

Henk Blanken, “Soms word ik ’s zwetend wakker van de gedachte dat die internetgeneratie het werkelijk zonder ons, journalisten, denkt te kunnen, omdat ze Google en hun persoonlijke online en sms-vriendennetwerk als “redactioneel filter” gebruiken.”

Bestaat dezelfde eigenwijsheid niet tussen hoge kwaliteitsjournalisten? Bijvoorbeeld over de vraag wat kwaliteit is, of de afspraken daarover?

Theo Kooijmans
23 maart, 2008

Beste mijnheer Bakker,

Van harte gefeliciteerd met uw benoeming. ’n Interessante beschouwing.
Ik heb destijds diverse journalisten geïnformeerd over het plagiaat van Ada Boerma. Maar blijkbaar durfde men er zijn vingers niet aan te branden of werd de nieuwswaarde niet onderkend. En er is sprake van kuddegedrag. Niet zo’n goede eigenschap voor een journalist die achter nieuws aanjaagt. Terwijl de pers er al veel eerder van wist werd het pas nieuws nádat Omroep Gelderland besloot er een item aan te wijden. Toen kon men plotseling niet meer achterblijven. De verslaggevers werden dus zelf ingehaald door het nieuws.

Tussen mijn blog en de regionale journalistiek bestaat een vreemde relatie. Ik ben geen journalist maar men ziet mij kennelijk toch als een soort concurrent. Ik weet dat mijn weblog door journalisten van het plaatselijke dagblad wordt gelezen. Er is sprake van een merkwaardig soort kinnesinne. Mijn weblog wordt stelselmatig doodgezwegen maar daarnaast kom ik in de krant regelmatig artikelen tegen over onderwerpen waarover ik ’n paar dagen eerder op mijn blog heb gepubliceerd. Te vaak om nog van toeval te kunnen spreken. Blijkbaar is het dus ook een bron van inspiratie. Meestal wordt de zaak dan van een andere kant belicht. Prima hoor. Ik geef mijn persoonlijke mening en heb als vrijetijdsblogger niet de tijd of de bedoeling om alle betrokkenen te horen voor ik iets publiceer. Andersom werkt het trouwens ook zo. Naar aanleiding van krantenartikelen ga ik zelf ook op zoek naar meer informatie. Het verschil is dat ik er dan wél bij vertel dat een artikel uit de betreffende krant de aanleiding vormt. Op een bepaalde manier vullen we elkaar dus toch aan. Maar het blijft merkwaardig.

Marko
28 maart, 2008

Beste heer Bakker. U schrijft: “De citizen journalist, de co-creator, the grassroots journalist die via sociale netwerken met anderen communiceert en met z’n Nokia N95 user generated content naar z’n blog stuurt of via nujij.nl of Dumpert de wereld verovert, is een uitzondering. De verwachtingen zijn hooggespannen maar de bewijsvoering verloopt vooral via anekdotes.” Ik wijs u graag op Unieuws.nl, een website van het RTV Utrecht en het AD waar ‘burgerjournalisten’ worden uitgenodigd uw nieuws te publiceren. En dat gebeurt ook! Iedere dag worden unieke nieuwtjes op de site geplaatst. Ik kan u vele voorbeelden geven. Kom eens langs hier op de Hengeveldstraat. U bent van harte welkom!

[...] die zit’. En meningen over de media industrie mag ik graag horen. En dan niet de klaagzang over teruglopende krantenoplages of het gejammer over de implosie van [...]


Laat een reactie achter »