Taal is voor journalisten een belangrijk instrument. Maar het kan ook problemen opleveren. Binnen Europa bestaan verschillende regio’s waar talen worden gesproken die niet de hoofdtaal van het land vormen. Deze regio’s kennen veelal eigen media, die geheel of gedeeltelijk in de minderheidstaal worden uitgegeven. Maar soms is deze taal helemaal niet ontwikkeld genoeg om er goede verslaggeving mee te kunnen doen. Of beheersen journalisten deze taal onvoldoende.
In het huidige nummer van het tijdschrift Journalism Studies staat een artikel van de hand van een team Spaanse mediawetenschappers dat de problemen van werken met minderheidstalen in kaart heeft gebracht. De onderzoekers richtten zich op tien Europese, officieel erkende regionale talen: het Baskisch, Catalaans, Galicisch, Corsicaans, Bretons, Fries, Iers, Welsh, Schots-Gaelic en Samisch. Inaki Zabaleta en zijn collega’s brachten, voor het eerst, in kaart welke media (gedrukte media, radio- en tv-omroepen) geheel of deels met deze talen werken. Zij kwamen op een totaal van ruim 1100 media-outlets waarbij zo’n 5300 journalisten werken. Het merendeel hiervan, bijna zeventig procent, werkt bij een Catalaans medium. De talen waarmee de minste journalisten werken zijn het Bretons, Schots-Gaelic en Corsicaans. Volgens de inventarisatie van de Spanjaarden werken er ongeveer honderd journalisten in het Fries.
Interviews
Na het minderheidstalen-medialandschap in kaart te hebben gebracht namen Zabaleta en zijn groep interviews af met 230 journalisten om te kijken tegen wat voor taalproblemen deze eventueel aanlopen in hun werk. Hierbij richtten zij zich op in hoeverre de journalisten vonden dat de taal voldoende ontwikkeld is, qua bijvoorbeeld woordenschat en structuur, om op journalistieke wijze gebruikt te kunnen worden; of de journalisten vonden dat hun eigen kennis van de taal voldoende is om hun beroep uit te oefenen; en hoe zij hun collega’s op dit vlak beoordelen.
De Samische talen, die in noordelijke Scandinavische gebieden worden gesproken, worden door betrokken journalisten als het minst goed ontwikkeld beschouwd. Slechts 23 procent van de geïnterviewde betrokkenen vond dat deze taal voldoende ontwikkeld is om er journalistiek mee te kunnen bedrijven, tegen dertig procent die vond dat de taal hiervoor ontoereikend is. Ook het Schots-Gaelic werd niet al te best beoordeeld. Journalisten die werken in het Catalaans zijn het beste af: tachtig procent ven hen meent dat hun taal voldoende ontwikkeld is. Het Catalaans wordt op de voet gevolgd door het Welsh. Fries neemt een middenpositie in. Zestig procent van de geïnterviewde journalisten die in het Fries berichten vindt deze taal voldoende ontwikkeld, twintig procent noemt de taal redelijk ontwikkeld en nog eens twintig geeft de beoordeling ‘onvoldoende’.
De ontwikkeling van de taal blijkt vooral tekort te schieten als het gaat om zaken als technische termen en vaktermen. Voor bijvoorbeeld nieuwe technologische ontwikkelingen bestaan vaak simpelweg geen woorden in de minderheidstaal. De geïnterviewde journalisten gaan hiermee om door zelf woorden te verzinnen en introduceren, of door deze zaken niet met een enkel woord te benoemen maar te beschrijven met behulp van wel bestaande woorden.
Eigen kennis van de taal
De grote variatie in hoe journalisten de mate van ontwikkeling van hun taal beoordelen verdween toen de wetenschappers vroegen naar hoe de journalisten hun eigen kennis van de taal beoordelen. Voor alle talen beoordeelde minimaal 85 procent van de geïnterviewden hun eigen taalbeheersing als ‘goed’. Bij het Fries en Welsh gaven zelfs alle betrokken journalisten zichzelf dit predikaat. Maar dit alles veranderde zodra werd gevraagd naar de taalbeheersing door collega’s. Toen antwoordde gemiddeld slechts tussen de 50 en 65 procent van de betrokkenen dat deze ‘goed’ is. En maar liefst veertig procent van Corsicaanse en, opvallend genoeg, Friese journalisten beoordeelt de taalkennis van hun collega’s als onvoldoende.
Deze neiging van de geïnterviewden om anderen negatiever te beoordelen dan zichzelf, wordt door de onderzoekers toegewezen aan het derde-persoonseffect. Dit is een bekend verschijnsel uit de mediawetenschap, wat in de oorspronkelijke vorm erop slaat dat mensen denken dat boodschappen in de media meer effect hebben op anderen dan op zichzelf. Evenzo hebben mensen vaak de neiging positiever over zichzelf te denken dan over anderen. In het geval van dit onderzoek zal de waarheid over taalbeheersing dus waarschijnlijk ergens in het midden liggen.
Tot slot besloten de mediawetenschappers nog te kijken naar hoe vaak de minderheidstaal op de werkvloer gesproken werd. Dit geeft tenslotte ook een indicatie van in hoeverre de taal geïntegreerd is. In dit opzicht bleek het taalgebruik hoog: gemiddeld spreekt 83 procent van de betrokkenen op het werk de regionale taal.
Eén reactie