Internet geeft dankzij het open karakter groeperingen die eerder niet gehoord werden een stem. Het wordt daarom wel geroemd als hét medium voor grassroots activisme, waarbij burgers of ideologische non-gouvernementele organisaties proberen op politiek gebied iets te bereiken. Er zijn ook gevallen bekend waarin dergelijk activisme effect had. Zo werd in 1994 in de VS door online actie voorkomen dat er een wet werd aangenomen die thuisscholing sterk inperkte. Maar hoe zit het met ‘grotere’ zaken, zoals een van de conflicten die wereldwijd al decennia lang volop in aandacht van de media staat: het Israëlisch – Palestijnse conflict?
Miriyam Aouragh promoveerde 7 april aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar de betekenis van internet voor de Palestijnen. Zie voor een uitgebreid interview over haar onderzoek universiteitsblad Folia, nr 28. Aouragh beschrijft in haar proefschrift de impact die internet heeft op het dagelijks leven van de Palestijnen. Zo maakten al dan niet illegale internetcafé’s het mogelijk dat er aan het begin van deze eeuw voor het eerst in tientallen jaren weer contact was tussen Palestijnen in de bezette gebieden en in vluchtelingenkampen. De komst van internet versterkte het gevoel van een nationale identiteit. En leidde tot wat Aouragh noemt de cyber-intifada: met behulp van internet verzet plegen tegen de Israëlische bezetting.
Online verzet
Aouragh onderscheidt meerdere vormen van zulk online verzet, waaronder het hacken van Israëlische websites, het makkelijker en efficiënter organiseren van pro-Palestijnse protesten, het houden van online bijeenkomsten en het verspreiden van informatie. Dit laatste gebeurt via websites die erop gericht zijn de beeldvorming van Palestijnen in de Westerse wereld te verbeteren. Er bestaat volgens de makers van zulke sites namelijk een vooroordeel in de Westerse media, in het voordeel van Israël. Dus proberen zij te laten zien dat Palestijnen normale mensen zijn, tonen zij foto’s en video’s van Israëlische acties en proberen zij voor elkaar te krijgen dat de Palestijnse meer als slachtoffers worden gezien.
Heeft dergelijk online activisme effect? Dit onderzocht Aouragh niet. Wel vertelde zij in het interview dat diverse Europese onderzoeken de laatste jaren een verschuiving in de publieke opinie laten zien ten gunste van de Palestijnen. Het valt echter niet zomaar te zeggen of dit inderdaad komt door deze vorm van Palestijnse pr. In het huidige nummer van het wetenschappelijke tijdschrift New Media and Society staat een artikel van de Canadese onderzoeker Stephen Marmura dat ook gaat over online grassroots activisme in verband met het Israëlisch – Palestijnse conflict. Hij focust op de vraag of internet pro-Palestijnse groeperingen inderdaad een belangrijke stem weet te geven en richt zich daarbij op de situatie in de Verenigde Staten.
Pro-Israëlische lobby
De hoofdconclusie van Marmura’s artikel is dat in dit geval internetactivisme niet voldoende zal zijn om op politiek gebied iets te bereiken. In een historische beschouwing laat hij zien dat zionistische groeperingen diepgeworteld zijn in de Amerikaanse samenleving en sinds halverwege vorige eeuw succesvolle steunwervende campagnes voeren. Zo was al in 1942 tweederde van de leden van de Senaat aangesloten bij een groepering die voor oprichting van de staat Israël was. En behoort de organisatie AIPAC tegenwoordig tot de meest succesvolle lobbygroepen binnen de Amerikaanse politiek. Een van de redenen dat de pro-Israëlische lobby in de VS zo sterk is, is dat niet alleen diverse joodse maar ook fundamenteel Christelijke organisaties de zionistische visie uitdragen. Deze christenfundamentalisten geloven dat de oprichting van de Israëlische staat het volbrengen is van een van de profetieën uit de bijbel.
Pro-Palestijnse vredesorganisaties zoals Al-Awda, Tikkun en de International Solidarity Movement hebben niet dezelfde toegang tot bijvoorbeeld de Amerikaanse media en politiek als de eerder genoemde zionistische groeperingen. Dus zoeken zij hun toevlucht tot internet. Maar, zo stelt Marmura, ook internet kent zijn beperkingen; nog even afgezien feiten als dat bijvoorbeeld tegengroeperingen net zo goed internet inzetten als middel om hun visie te verspreiden en bovendien de openheid van internet-groeperingen de mogelijkheid biedt bewegingen van hun tegenstander nauwlettend in de gaten te houden, waar vooral groeperingen met meer mankracht en geld van profiteren. Maar waar volgens Marmura nog wel eens aan voorbij wordt gegaan, is dat je, ook op internet, een publiek nodig hebt. En hoe kom je hier aan? Het is volgens hem een bekend verschijnsel dat vooral mensen die toch al geneigd zijn tot sympathie voor jouw organisatie of mening, jouw website zullen opzoeken. Mensen die op internet op zoek gaan naar informatie over bepaalde onderwerpen lopen daarnaast tegen een ander bekend probleem aan: welke informatie is betrouwbaar en welke niet? Zeker bij grassroots activisme, dat door minder bekende organisaties gebeurt, is het moeilijk om de betrouwbaarheid van een organisatie en de informatie die zij verstrekt te beoordelen.
Aangewezen op traditionele journalistiek
Waardoor grassroots organisaties volgens Marmura toch weer aangewezen zijn op de traditionele journalistiek: journalisten zijn vaak beter in staat dan burgers te achterhalen en beoordelen hoe betrouwbaar bepaalde informatie is. Maar krijgen pro-Palestijnse vredesorganisaties zoals hierboven genoemd zijn inderdaad voet aan grond bij de Amerikaanse media? Daar lijkt het vooralsnog niet op. Uit diverse door Marmura aangehaalde onderzoeken komt naar voren dat joodse slachtoffers van het onderlinge geweld veel meer aandacht krijgen in de media dan Palestijnse. Acties om de Palestijnse kant onder aandacht te brengen hebben lang niet altijd succes. Zo probeerden in 2000 pro-Palestijnse organisaties een foto van een 12-jarig jongetje dat door Israëlische soldaten werd doodgeschoten in de armen van zijn vader, toen zij zich schuilhielden voor een vuurgevecht, hoog in de online nieuwsfotocompetitie van MSNBC te krijgen. Aanvankelijk lukte dit; waarna er een sterke lobby kwam van de tegenzijde, waarbij onder andere werd geprobeerd aan te tonen dat deze foto nep was en de bijbehorende video in scène was gezet. En met succes. De foto verdween uit de top 5 en wie nu op bijvoorbeeld youtube zoekt naar het betreffende incident vindt vooral video’s gericht op het aantonen dat de zaak rondom het betreffende jongetje niet klopt. Waarmee volgens Marmura compleet voorbij wordt gegaan aan het feit dat, ongeacht of dit geval wel of niet klopt, er eerder diezelfde dag toch echt vier Palestijnse kinderen door Israëlisch vuur om het leven kwamen. En de volgende dag nog zes. In een van de door Marmura geciteerde mediaonderzoeken is bijghouden hoe vaak er tussen september 2000 en maart 2001 in de San Francisco Chronicle koppen voorkwamen waarin de dood van Israëlische of Palestijnse kinderen werd gemeld. Dit bleek, in beide gevallen, om zes koppen te gaan. In de genoemde periode kwamen er vier Israëlische kinderen om door Palestijns geweld; terwijl er door toedoen van Israëlisch geweld 93 Palestijnse kinderen stierven.
6 reacties