Vorige week zag ik journalisten op een congres demonstreren hoe ze tegenwoordig als “Nikkelen Nelissen” meerdere media tegelijk bespelen. Kampioen leek me Tim Overdiek (NOS-Journaal) die zich krabbelend (weblog), babbelend (radio), fotograferend en filmend (televisie) door het journalistieke leven slaat.
Terwijl het zenuwgestel van verslaggevers zich nog aan dit hectische appèl aanpast en redactie-organisaties op de multimediale realiteit worden ingericht, komt er alweer een extra platform de bocht om zeilen: het mobieltje. Volgens een recent Duits onderzoek verwacht 96% van alle redacteuren dat het publiceren per mobiel vast onderdeel van hun vak gaat worden. En zoals we van de oosterburen mogen verwachten, voegen ze de daad bij het woord. Op dit moment levert 44% van de redacties al mobiele multimediale diensten; nog eens 40% is van plan dat de komende tijd te gaan doen.
Aangezien er nergens geld voor uitbreiding van redacties is, moeten journalisten (en uitgevers) in de praktijk hun aandacht over nog een extra platform gaan verdelen. Daarbij moeten ze rekening houden met de eisen die een klein schermpje nu eenmaal aan de boodschap stelt. Geen wonder dat de meeste redacties er met tegenstrijdige gevoelens aan beginnen. Men ziet de integratie van mobiele telefonie en internet oprukken en beseft zuchtend dat men er iets mee moet. Niemand associeert het minuscule mobieltje met meer verdieping of ziet het gebruik ervan op afzienbare termijn bijdragen in de winst van het bedrijf. Ook hier is het verdienmodel de grote afwezige. De redenen om “mobiel te gaan” zijn in de eerste plaats marketingtechnisch van aard. Men hoopt jongeren te bereiken, bestaande klanten te binden en het imago van het bedrijf op te kalefateren. Kortom, het gaat om versteviging van het merk. Wie mobiel gaat telt mee, wie achterblijft is hopeloos uncool.
Intussen wordt langzaam duidelijk hoe er het beste van te maken. Het voornaamste is dat het plaatsgebonden karakter van de mobiele telefonie wordt benut. Nu gebruiken media het mobiele toestel vaak nog voor de verspeiding van landelijke en internationale nieuwtjes maar daarmee doen ze geen recht aan het unieke karakter ervan. Anders dan andere media verbindt de mobiele telefoon de individuele gebruiker aan de specifieke plek waar deze zich bevindt. En dus ligt het voor de hand de ontvanger vooral te tracteren op uitslagen van zijn plaatselijke voetbalclub, het lokale weerbericht, filemeldingen en aankondigingen van plaatselijke evenementen. Negen van de tien Duitse kranten zijn van plan hun mobiele informatie-aanbod een dergelijk “context-sensitief” karakter te geven. Daarnaast willen ze er spelletjes op exploiteren waarmee iets te winnen valt. Voor televisiezenders ligt het wat anders: zij kunnen zich ook van mobielgericht entertainment en flitsen van grote sportevenementen bedienen.
Voor de dagbladen heeft het mobieltje nog een extra waarde. Tientallen jaren moesten kranten knarsetandend toezien hoe bij elke gebeurtenis van enige importantie de audiovisuele media de nieuwsrace op hun sloffen wonnen. Sinds de doorbraak van het internet zijn zij in staat daar iets tegen te ondernemen en de mobiele communicatie zal hun inhaalslag versnellen.
Een voordeel is dat de meeste redacties hun organisatie toch al op “meerkanalen-journalistiek” – televisie, radio, print, online – programmeren. Het mobieltje vergt geen nieuwe reorganisatie, komt er “gewoon” als zoveelste kanaal bij. Wel zal door de overload aan kanalen de taakverdeling geleidelijk veranderen. Het bewerken van informatie tot meerdere eindprodukten (voor tv, radio etc.) vergt zoveel tijd en specialistische vaardigheden dat het verrichten van de journalistieke research daarmee niet of nauwelijks te combineren valt. Er ontstaat een scherpere tweedeling tussen producenten en researchers, iets wat de Angelsaksische journalistiek overigens al veel langer kent.