Persvrijheid kan op allerlei manieren onderzocht worden. Zo is het gerenommeerde jaarlijkse wereldwijde onderzoek van de organisatie Freedom House gebaseerd op ‘strafpunten’ voor incidenten waarbij persvrijheid wordt overtreden, zoals het gevangen zetten van journalisten. Een andere onderzoeksmethode is het houden van diepte-interviews met journalisten over hun perceptie van persvrijheid. In het huidige nummer van het tijdschrift Journalism staat een artikel waarin voor een compleet nieuwe aanpak wordt gekozen: het analyseren van ethische codes. Dit artikel is niet vrij toegankelijk. De link verwijst naar de abstract.
Itai Himelboim en Yehiel Limor onderzochten of en hoe persvrijheid voorkomt in ethische codes c.q. gedragscodes voor journalisten. Zij probeerden hierbij om alle codes ter wereld te verzamelen. Hun inspanningen leverden een geheel van 242 journalistieke codes op uit meer dan 90 landen. Sommige van deze codes waren afkomstig van mediabedrijven, andere van organisaties zoals journalistenvakbonden. Het is voor het eerst dat er zo’n uitgebreid vergelijkend onderzoek naar dergelijke codes is gedaan. Bij de analyse stelden Himelboim en Limor zichzelf drie vragen: komt er een verwijzing naar persvrijheid voor in de code? Zijn er verschillen in de manier waarop de codes persvrijheid verwoorden afhankelijk van de politieke / economische omstandigheden in het land waar de code uit komt? En/of zijn er verschillen in de manier waarop de codes persvrijheid verwoorden afhankelijk van van wat voor soort organisatie de code afkomstig is?
Passage over persvrijheid
In slechts 55 procent van de onderzochte ethische codes bleek op een of andere manier aan persvrijheid te worden gerefereerd. De onderzoekers noemen dit opmerkelijk, omdat de codes de rechten en plichten van journalisten definiëren en zaken als bescherming tegen druk en bedreigingen van buitenaf zeer belangrijk zijn voor een goede uitoefening van het beroep. In totaal bevatte 33 procent van alle codes een passage over persvrijheid zelf; 28 procent noemde vrijheid van meningsuiting en 18 procent het recht om informatie te verspreiden. Persvrijheid werd regelmatig ook in negatieve zin benadrukt, zoals via passages over bescherming van de rechten en plichten van de journalist (33 procent van de codes) en het niet toegeven aan druk die gericht is op het inperken van het verwerven en verspreiden van informatie (23 procent).
Vervolgens koppelden Himelboim en Limor hun data aan gegevens over de mate van persvrijheid, geografische locatie en het niveau van economische ontwikkeling in het land van origine van de codes. Geen van deze variabelen bleek de variatie in het wel of niet voorkomen van passages over persvrijheid in de codes te kunnen verklaren. Zo refereerden ethische codes uit landen die zeer slecht scoren op het gebied van persvrijheid even vaak aan deze vrijheid als ethische codes uit landen waar wel volledige persvrijheid heerst. Wel bleek er enig verschil te zijn in de manier waarop in de codes uit dergelijke landen over persvrijheid werd geschreven. Codes afkomstig uit landen met minder persvrijheid bleken vaak specifiekere elementen van deze vrijheid te benoemen dan codes uit landen met veel persvrijheid. Zo bevat de ethische code van de Noorse nationale journalistenvereniging de passage ‘vrijheid van meninguiting, vrijheid van informatie en persvrijheid zijn basiselementen van de democratie’. In de code van de Kosovaarse journalistenvereniging, die opereert in een land met slechts gedeeltelijke persvrijheid, wordt net iets specifieker op zaken ingegaan. Hierin wordt onder meer gerefereerd aan ‘vrijheid van informatie en de rechten die hiermee samenhangen, zoals vrijheid om er een mening op na te houden en kritiek te uiten’.
Codes van mediabedrijven
Het koppelen van de data aan het type organisatie waarvan de ethische codes afkomstig waren, bleek wel iets op te leveren: codes die afkomstig waren van mediabedrijven bevatten veel minder vaak passages over persvrijheid dan codes die afkomstig waren van meer algemene organisaties zoals vakbonden (respectievelijk 16 procent en 60 procent). De verklaring die de onderzoekers hieraan verbinden, is dat veel mediabedrijven commerciële organisaties met een winstoogmerk zijn. Zij zouden vanuit dit commerciële oogpunt vrijheden zoals het niet toegeven aan druk van buitenaf (bijvoorbeeld door adverteerders) minder hoog in het vaandel hebben staan dan meer onafhankelijke organisaties. Er wordt volgens Himelboim en Limor de laatste tijd binnen de wereld van de mediawetenschap steeds vaker beweerd dat persvrijheid niet langer hoofdzakelijk bedreigd wordt door onderdrukkende politieke regimes, maar door de belangen van mediacoöperaties. De uitkomsten van dit onderzoek zouden ook in die richting wijzen.