Bedrijfsjournalistiek bestaat niet

‘Bedrijfsjournalistiek’ vind ik een stom woord.

Een bedrijfsjournalist maakt personeelstijdschriften, bedrijfsbladen en sponsored magazines en is volgens Wikipedia “een journalist die werkzaam is in dienst van een organisatie en diens doelstellingen actief ondersteunt”. Niks mis mee, maar is dat journalistiek? Op deze site ontspint zich hierover een discussie naar aanleiding van de horde studenten journalistiek die volgens Jeroen Maters emplooi zouden kunnen vinden in de bedrijfsjournalistiek.

Bij journalistiek denk ik niet alleen aan leuke stukjes schrijven of een mooi tijdschrift maken, maar ook aan zoiets als onafhankelijkheid. Journalistieke redacties maken bladen naar eigen inzicht, ze worden niet gestuurd door opdrachtgevers of directies die inspraak willen hebben in de inhoud van artikelen zodat ze bijdragen aan de communicatiedoelstellingen van de organisatie. In de bedrijfsjournalistiek werkt het niet op die manier. Dat leert enige leeswerk op Bedrijfsjournalistiek.nl, het e-zine over bedrijfsjournalistiek.

Een voorbeeld van de manier waarop ‘bedrijfsjournalistiek’ werkt is het artikel over de hoofdredacteuren van de partijbladen van de politieke partijen CDA en SP. Elma Verheij ging in 2005 van Vrij Nederland naar de SP waar ze zich als hoofdredacteur ontfermde over de Tribune. Ze ging met haar journalistieke idealen aan de slag, maar struikelde over een artikel dat ging over senator Yildrim die van de partij afstand moest doen van zijn zetel maar weigerde. Het SP-bestuur was niet gecharmeerd van het stuk: exit Verheij.

Zo gaat dat dus in de ‘bedrijfsjournalistiek’. Onafhankelijkheid en journalistieke vrijheid worden niet gewaardeerd. Het is immers de bedoeling om de doelen van de organisatie te dienen, niet om kritische verhalen te schrijven. Ter illustratie: een ander artikel waarin Twan Timmermans, hoofdredacteur van Moi!, het personeelsblad van de gemeente Enschede, reageert op de vraag of de hoofdredacteur geheel vrij is om inhoud en koers van het blad te bepalen. “Natuurlijk niet, reageert Timmermans, Een blad moet bijdragen aan de doelstellingen van de organisatie.”

Klare taal. Voor de duidelijkheid: daar is niks mis mee, het staat organisaties vrij om zich te blauw te communiceren om de doelstellingen te behalen. Maar waarom zou je voor al dat gecommuniceer de term journalistiek gebruiken? ‘Bedrijfsjournalist’ Peter de Weerd schrijft in een stuk dat er geen verschil meer is tussen journalistiek en marketing: “Marketeers en journalisten doen hetzelfde. Beiden verzamelen informatie, delen die met klanten, proberen hen te overtuigen en als het even kan, hun gedrag te veranderen.” Zijn pleidooi lijkt op een oproep om marketeers te erkennen als journalist. Blijkbaar klinkt public relations, relatiemarketing of bedrijfscommunicatie minder chic dan bedrijfsjournalistiek. Wellicht omdat journalistiek wat ‘onafhankelijker’ klinkt?

Dit artikel verscheen eerder op het weblog van Alexander Pleijter.

25 reacties

  1. Andhi schreef op 12 juni 2008 om 12:28

    En wat is er mis met het neutralere ‘redacteur’?

  2. Andere quote. Uit volkomen verdachte bron natuurlijk namelijk datzelfde bedrijfsjournalistiek.nl. Over kritiek op de organisatie in het bedrijfsmedium.

    “Als jij als lezer weet wat je vindt en waar je dag in dag uit tegen aanloopt, terwijl je personeelsblad net doet alsof er niets aan de hand is, doe jij dan nog iets met wat je in dat blad leest? Nee toch. Dat blad neem je niet meer serieus. En daarmee is het blad van katalysator van verbetering ineens een domme kostenpost geworden.
    ‘De beste kritiek is een goede vraag.’ Het journalistieke personeelsblad is eigenlijk het enige medium in de organisatie dat dat motto kan waarmaken, in elk geval zolang projectleiders bang zijn zelf de kritiek op hun eigen project te benoemen. En grosso modo zijn ze daar héél bang voor. Dus: stel die goeie vraag op het juiste moment, en plaats het antwoord. Ook als het antwoord is: we hebben geen idee, of: geen commentaar. Maar zwijg het negatieve niet dood.”

    Een vreemde redenering vind ik het om “misstanden” in een beroepsgroep (want dat is dat ontslag van Verhey natuurlijk) of een gebrek aan (journalistieke) kwaliteit aan te grijpen om de beroepsgroep dan weg te zetten als waren zij het juist ééns met die gang van zaken.

    Het is evident dat een bedrijfsjournalist iets anders is dan een vrije journalist (ik (bedrijfsjournalist) claim zelf altijd dat mijn vak leuker is, omdat je meer ballen in de lucht moet houden).

    Mijns inziens leidt de eenzijdige blik op “onafhankelijkheid” ook nergens toe. Integriteit en kwaliteit, daarop zou je bedrijfsbladen moeten beoordelen. Trouwens, alle journalistieke producties moet je daarop beoordelen.

    De lezer kan dat overigens als geen ander, is mijn ervaring. Juist in de bedrijfsjournalistiek is de lezer uitermate onderbouwd kritisch. Hij kan vaak de feiten die gepresenteerd worden stukken beter wegen dan de lezer van de vrije pers.

    Dat leidt tot twee conclusies.

    De vrije pers heeft een buitengewoon grote verantwoordelijkheid voor de journalistieke kwaliteit van hun stukken.

    En de bedrijfsjournalistiek ook.

    nog maar een quote, dit keer van Jeroen Maters in reactie op dat andere stuk:

    “Ik denk dat je gelijk hebt dat het onmogelijk is om voor een bedrijf of andere organisatie een volledig waarheidsgetrouw medium uit te geven (bij externe bladen speelt dit probleem meer dan bij personeelsbladen). Maar dat geldt ook voor de publieke media. Hoe zeker weet je dat daar altijd de waarheid en niets dan de waarheid in staat? De waarheid in wiens ogen? Weet je zeker dat een journalist altijd alle mogelijke bronnen heeft geraadpleegd, dat alle bronnen betrouwbaar waren, dat hij/zij altijd alles objectief heeft geïnterpreteerd, alle standpunten in balans (wiens balans?) heeft gepresenteerd, dat geen enkel aspect onbesproken is gebleven etc. etc. Terwijl je aan het eind van de dag een deadline hebt? Terwijl je van de opmaak maar een eenkolommertje hebt gekregen? Dat mag je van een journalist toch niet verwachten? Bij relatiemedia niet en ook niet bij publieke media.

    Wat je wel van journalisten mag verwachten vind ik is dat zij ernaar streven om zoveel mogelijk objectief, volledig etc. te zijn. En dat is bij bedrijfsjournalisten niet anders. Ik kan je voorbeelden noemen van bladen waarbij kritiek op de eigen organisatie niet wordt geschuwd, waarin niet alleen de successen maar ook de problemen worden besproken, waarin niet alleen de directeur Client Relations vertelt dat de klanttevredenheid zo fantastisch is, maar waarbij de bedrijfsjournalist dat voor de zekerheid ook nog bij een aantal klanten heeft gecheckt. Bladen waar om de haverklap boze afdelingshoofden, projectleiders en andere managers bij de hoofdredacteur aan de lijn hangen omdat het artikel niet helemaal hetzelfde is geworden als het succesverhaal dat zij in hun hoofd hadden. Maar waar de hoofdredacteur geen krimp geeft en keer op keer kan uitleggen waarom een objectief verhaal beter werkt dan een propagandaverhaal. Zeker: die hoofdredacteuren en bladen zijn nog in de minderheid. Maar ze zijn er wel.”

  3. Hallo Alexander, de vraag of bedrijfsjournalistiek wel of geen journalistiek is, heeft bedrijfsjournalistiek.nl voorgelegd aan een collega van je bij Journalistiek en Nieuwe Media, hoogleraar Mark Deuze. Dat was naar aanleiding naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek ‘Wat is journalistiek?’. Dit is wat hij zegt:

    ‘Bedrijfsjournalisten zijn keihard journalisten. Of je journalist bent, heeft namelijk niet zozeer te maken met de aard van de media waarvoor je schrijft. Het gaat om de manier waarop je over dingen nadenkt en de aard van wat je doet. Bedrijfsjournalisten vinden het óók belangrijk om betrouwbaar te zijn, om zo veel mogelijk objectief te berichten, zij herkennen de spelregels die ook andere journalisten hanteren.’

    Toch schamperen publieksjournalisten vaak over bedrijfsjournalisten.
    ‘Ten onrechte. Dat bedrijfsjournalisten in een andere context werken, doet niets af aan het feit dat ze proberen op dezelfde manier hun journalistieke werk te doen als andere journalisten. Veelgehoorde kritieken: dat bedrijfsjournalisten iets móeten schrijven van hun baas, of dat ze zaken anders verwoorden. Maar dat is echt haarkloverij. Dat doen journalisten voortdurend.’

    Vanwaar dan dat schamperen?
    ‘Journalisten hebben het heel erg nodig om de grenzen van hun veld voortdurend vast te stellen. Want formeel zijn er geen regels. Het beroep ‘journalist’ is niet formeel gedefinieerd, je hoeft niet eerst een diploma te halen om journalist te worden, zoals bij een arts of advocaat. De grenzen van de journalistiek zijn daarmee per definitie schimmig en daarom spreken journalisten elkaar voortdurend aan op wat nog wel en wat niet tot journalistiek gerekend mag worden. De meeste journalisten hebben een soort onderbuikgevoel van wat wel en wat niet journalistiek is, maar dat is niet op feiten gestoeld.’

    In je boek publiceer je een lijst van eigenschappen waaraan journalisten volgens verschillende wetenschappelijke studies moeten voldoen. Eén daarvan is dat journalisten autonoom moeten zijn. Een bedrijfsjournalist – in dienst van een organisatie – is toch nooit autonoom?
    ‘Met autonomie wordt vooral ‘gevoelde autonomie’ bedoeld. Voel je je vrij om dingen te doen die je wilt doen? Neem Fox News in Amerika: de journalisten daar moeten vooral opdrachten uitvoeren die ze van eigenaar Rupert Murdoch krijgen. Toch zeggen ze dat ze ‘free and fair’ zijn.’

    ‘Élke journalist werkt binnen begrenzingen. In zoverre wijkt gewone journalistiek niet af van bedrijfsjournalistiek. Het gaat erom in hoeverre je binnen die grenzen de onderwerpen kunt behandelen die je wilt, de teksten kunt schrijven die je wilt schrijven. Journalisten die bedrijfsjournalistiek geen journalistiek vinden, ontkennen dat ze allemaal binnen een enorme batterij aan structurele beperkingen beslissingen moeten nemen.’

    Publieksjournalistiek en bedrijfsjournalistiek lijken steeds dichter bij elkaar te komen liggen: publieksjournalistiek krijgt steeds meer met grenzen te maken, terwijl de bedrijfsjournalistiek gaandeweg steeds meer vrijheid heeft gekregen…
    ‘Dat is een volkomen juiste analyse. Voor alle vormen van journalistiek geldt trouwens dat ze naar elkaar toegroeien. Je ziet bijvoorbeeld dat online en offline journalistiek naar elkaar toegroeien en dat tabloids en kwaliteitskranten meer op elkaar gaan lijken. Vroeger noemden we dat vertrossing, tegenwoordig infotainment. Overal zie je de grenzen van de klassieke domeinen vervagen. Dat is niet uniek voor de bedrijfsjournalistiek.’

    ‘Ik heb overigens het idee dat bedrijfsjournalistiek steeds meer serieus wordt genomen. Mensen die in dat vakgebied werken, zien zichzelf steeds meer als journalist. Het feit dat scholen voor journalistiek tegenwoordig bedrijfsjournalistiek als specialisatie aanbieden, draagt daartoe bij. Uit studies op het gebied van mediamanagement blijkt dat journalisten zich in de eerste plaats met hun vak identificeren, dan pas met hun collega’s en helemaal op de laatste plaats met het medium waarvoor ze werken.’

    ‘De manier waarop journalisten naar hun vak kijken, getuigt van krampachtigheid. Journalisten zouden beter kunnen erkennen dat journalistiek en bedrijfsjournalistiek naar elkaar toegroeien. Om vervolgens een inspirerende discussie te voeren over hoe je de journalistieke kwaliteit kunt waarborgen.’

  4. Beste Marije en Jeroen,

    Ik beweer niet dat jullie geen goed werk leveren of geen mooie bladen maken.

    Ik verwonder me erover waarom jullie het maken van bedrijfsbladen en dergelijke als journalistiek beschouwen ipv public relations of relatiemarketing. Een reclamemaker die een televisiespot maakt beweert toch ook niet dat hij journalist is? Terwijl ook hij informatie levert en integer en betrouwbaar gevonden wil worden.

    Naar mijn idee is het verschil dat het doel van een journalist niet is om de eigen organisatie zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen, om het beleid van de eigen organisatie te verkopen of een positief imago van de eigen organisatie te bewerkstelligen. Als dat je doel is ben je naar mijn idee bezig met pr of relatiemarketing. Niks mis mee, ook daarvoor moet je bijzondere competenties hebben (die voor een deel overeenkomen met journalistieke competenties).

    En een uitnodiging sla ik natuurlijk nooit af…

  5. “‘Bedrijfsjournalistiek’ vind ik een stom woord.”

    LOL!

    Briljante eerste zin.

  6. Bartje schreef op 12 juni 2008 om 22:12

    Ik werk voor een groot bedrijf dat wereldwijd opereert. Zo’n 1 of 2 jaar geleden hebben we het gedrukte personeelsblad gestaakt en zijn er op intranet mee verder gegaan.

    Vooral binnen een bedrijf is de kennis aanwezig in alle geledingen. En werknemers slikken geen propaganda, herkennen dat onmiddelijk. Dit heeft ertoe geleid dat onze interne communicatie afdeling actief en effectief tegenwoordig in blog-formaat intern publiceert, en dat werknemers hierover gezamenlijk kunnen communiceren.

    Ik zie dan ook geen enkel nut voor een gedrukt personeelsblad anders dan uit nostalgische overwegingen; ook bedrijven moeten immers met hun tijd meegaan.

    De ingezonden brief, de strategische overwegingen, de nieuw binnengehaalde klanten, het zijn allemaal mooie artikelen, maar ook en vooral de bedrijfsjournalist moet vooral in gesprek kunnen en durven gaan met zijn/haar lezers.

    Het feit dat gedrukte media hieraan niet tegemoet kan komen moet afdoende argument zijn om het personeelsblad van papier naar beeldscherm te verhuizen. Het medium is nu eenmaal traag, bewerkelijk, biedt geen ruimte voor dialoog en kost heel wat meer dan een digitale productie. Onnodig te zeggen dat het daarom ook zeer de vraag is of en hoeveel het oplevert.

  7. Niet alle bedrijfsbladen zijn bedrijfsjournalistieke bladen, je kunt ze niet over een kam scheren. Je hebt inderdaad (veel) bladen waarbij het overduidelijk is dat er iets verkocht moet worden. Een lidmaatschap, donateurschap, nieuw beleid, een product. Variërend van overduidelijke hosannabladen tot meer verkapte vormen. Er zijn echter ook bladen waarbij winst halen, producten verkopen, imago opvijzelen etc. hooguit een ondergeschikt doel is. Wij werken bijvoorbeeld mee aan vrom.nl, een extern magazine van het ministerie van VROM. Het doel van dat blad is een platform bieden voor alle actoren op de beleidsterreinen van VROM waarbij zij meningen en ervaringen kunnen uitwisselen, hen de gelegenheid geven om te discussiëren over hoe Nederland leefbaarder, duurzamer etc. kan worden. De meeste geïnterviewden werken niet bij VROM, maar bij allerlei andere organisaties, inclusief de criticasters, die de ruimte krijgen om te vertellen als ze het ergens mee oneens zijn. Dat mensen het sympathiek vinden dat VROM dit doet, en dat het daarmee bijdraagt aan een positief imago van het ministerie, is mooi meegenomen. Maar dat is nooit het kerndoel van het blad geweest. Zo zijn er meer voorbeelden te geven.

    Volgens Mark Deuze’s definitie in ‘Wat is journalistiek?’ is de journalistieke ideologie gestoeld op vijf principes. Ik geloof dat dat de volgende zijn (even uit mijn hoofd – laat maar horen als het niet klopt):

    1. Journalisten werken op basis van actualiteit
    2. Journalisten zijn autonoom in hoe waarover te berichten. Daarbij gaat het volgens hem om autonomie in relatieve zin: de mate waarin de journalist de eigen autonomie ervaart.
    3. Journalisten zijn dienstverleners aan de publieke zaak. Ze helpen de (democratische) rechtsstaat goed te functioneren door de samenleving van objectieve informatie te voorzien.
    4. Journalisten werken op basis van pluriformiteit. Ze laten bijvoorbeeld verschillende kanten van het verhaal zien, in balans.
    5. Journalisten betrachten de ethische regels van hun vakgebied.

    Als bedrijfsjournalistiek iets anders is dan ‘gewone’ journalistiek, dan zouden een aantal van deze principes bij bedrijfsjournalisten wezenlijk anders moeten liggen, toch? Laten we ze aflopen:

    1. Actualiteit: ook bedrijfsjournalisten werken op basis van actualiteit.
    2. Autonomie: hoewel je misschien anders zou verwachten, blijkt dat bedrijfsjournalisten zich voldoende in staat voelen om autonome keuzes te maken in hoe waarover te berichten (onderzoek Radboud Universiteit 2006). Redactiestatuten of (in mijn ogen belangrijker)goed uitgewerkte bladformules bieden een basis. Daarna blijft het vaak het keer op keer vechten om journalistiek bezig te zijn, met projectleiders, afdelingshoofden en andere mensen die graag willen dat jij hun project of afdeling net zo succesvol vindt als zij. Maar bedrijfsjournalisten gaan telkens dat gevecht aan. En dat streven naar objectieve, pluriforme berichtgeving, is volgens Mark Deuze genoeg om dit werk als journalistiek te bestempelen. Niet de mate waarin je daarin slaagt.
    3. Dienstverlening aan de publieke zaak: dat geldt ook voor bedrijfsjournalisten. Zie het bovenstaand voorbeeld bij het ministerie van VROM. Maar dit geldt bijvoorbeeld ook voor journalistiek gemaakte personeelsbladen. Bladen die een platform zijn voor meningen die in en rond de organisatie leven. Waar niet alleen het management bron van informatie is, maar ook de medewerkers, de Ondernemingsraad, vakbonden, al dan niet kritische externe relaties van de organisatie. Waarbij medewerkers én management in staat worden gesteld om zelf een mening te vormen over kwesties die spelen. Er wordt bij deze bladen geen kritiek gegeven om het kritiek geven, maar kritiek om er iets van te leren, om de organisatie verder te helpen. Maar dat is ook hetgeen past in de context van ‘dienstverlening aan de publieke zaak’.
    4. Pluriformiteit: zoals hierboven al aangegeven. Een goede bedrijfsjournalist is bemiddelaar van diverse denkbeelden die leven in en rond de organisatie, op een faire manier.
    5. Ethiek: bedrijfsjournalisten herkennen zich in de diverse ethische codes (Bordeaux, Genootschap) en handelen daarnaar.

    Het is dus méér dan het toepassen van journalistieke methoden en technieken alleen. Het is ook het volgen van je journalistieke idealen. Juist vanwege het voortdurende, dagelijkse gevecht om open en eerlijk te communiceren binnen en rond organisaties voel ik mij nu meer journalist dan ik me ooit gevoeld heb toen ik bij De Gelderlander en NRC Handelsblad werkte. Waar bedrijfsjournalisten vooral behoefte aan hebben, is dat zij bij dit streven in de rug worden gedekt door hun vakgenoten uit andere journalistieke gebieden, niet in de rug aangevallen.

  8. Bartje schreef op 12 juni 2008 om 23:46

    Het komt mij voor dat men hier steevast journalistiek met communicatie verwart; ik verwijt de hedendaagse journalist het geschrevene als een eindproduct te zien i.p.v. Een halffabrikaat ter beoordeling van zijn/haar lezers. Zeker binnen een bedrijf is dialoog essentieel voor het optimaal functioneren van de organisatie. Als je lezers aan je wilt binden zul je dus een dialoog moeten aangaan. Dit raakt de kern van het dilemma tussen oude media en nieuwe media; als je een ‘platform wil bieden om meningen en ervaringen uit te wisselen’ dan volstaat eenzijdige dode-bomen communicatie niet om de moderne nieuwsconsument tevreden te stelllen. Deze consument beschikt immers over dezelfde technologische middelen als de journalist om informatie uit te wisselen. Bartje zegt: maak daar gebruik van.

  9. Pieter Kuijt schreef op 13 juni 2008 om 09:15

    Het is jammer dat een wetenschapper het woord ‘onafhankelijkheid’ gebruikt om zijn punt te maken. Niemand is onafhankelijk, iedereen opereert in een sociaal-culturele context en vormt zo opvattingen, waarden en ideeen. Er bestaat dus geen onafhankelijke journalistiek (en dus ook geen “objectieve informatie”, zoals Mark Deuze betoogt).

    Dat maakt journalistiek werk overigens niet minder belangrijk in een democratische rechtsstaat. Maar waar het om gaat is dat je als lezer weet waar het journalistieke product voor staat, je het gemaakte werk in die context kan plaatsen en dat het ook controleerbaar is.
    Nu het links/rechtstijdperk achter ons ligt, schieten de media op dit punt helaas nogal te kort. Wie kent het redactiestatuut van het NOS Journaal?

    Bedrijfsbladen bieden meer duidelijkheid. Elke medewerker weet dat het blad er is om een bijdrage te leveren aan het realiseren van de bedrijfsdoelstellingen. Met dat gegeven in het achterhoofd kan wel degelijk een bedrijfsblad worden gemaakt met journalistieke waarde.

    (ik was voorheen verantwoordelijk voor het personeelsblad van PCM Uitgevers)

  10. Erik van Heeswijk schreef op 13 juni 2008 om 12:34

    Ik, een andere collega van Journalistiek en Nieuwe Media uit Leiden, wil Alexander op persoonlijke titel wel even bijvallen.

    Uiteraard zijn er knappe bedrijfsjournalisten die prachtige dingen maken. En natuurlijk lijkt het vak van de bedrijfsjournalist verdomd veel op dat van de reguliere journalist. En waarschijnlijk hebben de goede bedrijfsjournalisten bij de juiste bedrijven een behoorlijke autonomie (universiteiten zijn/waren altijd een aardig voorbeeld).

    Maar we moeten onze ogen niet sluiten voor het feit dat verreweg de meeste bedrijfsjournalistiek geacht wordt een inhoudelijke bijdrage te leveren aan de PR-doelstellingen van de organisatie. En dan kun je, zoals Jeroen, wel vinden dat binnen dat kader het streven naar de waarheid moet worden ‘beloond’ met de term ‘Journalistiek’:

    “En dat streven naar objectieve, pluriforme berichtgeving, is volgens Mark Deuze genoeg om dit werk als journalistiek te bestempelen. Niet de mate waarin je daarin slaagt.”

    Maar dat is zoiets zeggen als het streven naar een record op 100 meter hardlopen altijd topsport is, ook al doe ik er 20 seconden over. Streven is belangrijk, maar er is meer nodig.

    De bedrijfsjournalistiek is gevarieerd en kent alle gradaties van waarheidsvinding en autonomie. Maar de koppeling met de communicatiedoelstellingen van de organisatie is meestal genoeg om de term Bedrijfsjournalistiek als een ‘contradictio in terminis’ te zien.

    Journalistiek is, in het beste geval, belangeloos. Bedrijfsjournalistiek is dat niet, en de inhoud wordt vaak actief gevolgd door bestuurskamers. Tenzij er een keihard redactiestatuut wordt afgesproken en gehandhaafd, en daarmee de term ‘Bedrijf’ slechts staat voor de scope waarover de journalist aan de slag gaat, kan ik er ook niet veel anders dan voorlichting in zien. Maar aan de felheid waarmee bedrijfsjournalisten zich verzetten tegen die term, lijkt het me dat juist zij de voorlichting geen warm hart toedragen?

  11. Net als ‘gewone’ journalisten gebruiken bedrijfsjournalisten voorlichters om aan informatie te komen. Wat dat betreft zie ik geen verschil met de gewone journalistiek.

    Wat ik in de praktijk merk is dat bedrijfsjournalisten in hun dagelijks werk vaak een andere opvatting hebben over communicatie dan communicatieadviseurs, voorlichters etc. Niet zelden lopen de discussies hoog op, bijvoorbeeld over wat hoe wanneer te publiceren, waar bij bedrijfsjournalisten meer de kant van de lezers kiezen. Althans, dat vinden zij zelf. Ik denk dat vooral die ervaringen ervoor zorgen dat bedrijfsjournalisten nogal fel reageren als ze in één hokje worden geplaatst met andere communicatiedisciplines.

    Journalistiek zou niet belangeloos moeten zijn. De journalistiek dient het belang van het publiek. Dat is naar mijn mening de essentie van goede journalistiek. Niet het commerciële belang van de uitgever. Niet het persoonlijke belang van de journalist. Niet het institutionele belang van een of meer partijen. Maar het belang van het publiek.

    In de bedrijfsjournalistiek is misschien wel íets, maar niet heel veel anders dan in de gewone journalistiek. De eigenaren van een dagbladbedrijf geven (even kort door de bocht) kranten uit omdat ze er geld mee verdienen. De journalisten van het dagbladbedrijf bedrijven journalistiek om het publiek te bedienen. De eigenaren van het dagbladbedrijf stellen de journalisten in staat om hun werk autonoom te doen omdat ze weten dat een ‘objectieve’ krant lezers trekt en geld in het laatje brengt.

    Bedrijven en instellingen geven media uit omdat deze bijdragen aan de winst van de organisatie, het vergroten van de kwaliteit van beleid, het verlagen van kosten etc. Bedrijfsjournalisten bedrijven journalistiek omdat zij het publiek willen bedienen: de medewerkers, maatschappelijke partners, burgers etc. Dat is het primaire doel. En het management stelt de bedrijfsjournalisten in staat om hun werk in voldoende mate van autonomie te doen, omdat ze weten dat de bladen anders niet worden gelezen en ze dus niet het gewenste effect opleveren.

    Met andere woorden: het is denk ik goed om de twee perspectieven uit elkaar te houden. Het uitgeversperspectief en het journalistieke perspectief. Wel zullen bedrijfsjournalisten zich in de dagelijkse praktijk misschien meer verbonden voelen met het succes van hun uitgever dan dat journalisten zich dagelijks verbonden voelen met het succes van hun uitgever.

  12. Met ‘onafhankelijk’ bedoel ik natuurlijk niet dat de journalist een onbeschreven of onbevlekt blad zou zijn, iemand die volledig neutraal en objectief naar de wereld kan kijken en daarover rapporteren. Dat bestaat inderdaad niet, zo naïef ben ik niet.

    Met ‘onafhankelijk’ bedoel ik dat een journalist niet over en namens zijn broodheer communiceert, maar over derden waar hij of zijn geen direct belang in heeft. Dat is volgens mij ook het essentiële verschil tussen journalistiek en andere communicatievelden.

    Journalistiek vervult vanuit die onafhankelijkheid drie functies: informeren, agenderen en kritiek uitoefenen. Juist het laatste – leveren van kritiek en het onthullen van misstanden in (de top van) de organisatie – is een functie die bedrijfsjournalisten lastig kunnen vervullen doordat ze zijn gebonden aan de communicatiedoelstellingen van de organisatie die ze dienen.

    Er zijn zeker voorbeelden te vinden van organisaties waar het wel gebeurt (zoals Erik van Heeswijk al schreef zijn de universiteitsbladen van oudsher een goed voorbeeld, maar daar dreigt het allengs minder te worden), maar het is eerder uitzondering dan regel.

  13. Ik begrijp wat je bedoelt. En het klopt wat je zegt: het is lastig om kritiek uit te oefenen binnen de context van een organisatie. Maar niet onmogelijk. Ook al is het niet in dezelfde mate mogelijk als in de algemene journalistiek. De vraag is hoe erg dat is als het gaat om de dienstverlening aan de publieke zaak.

    Wat betreft ‘onafhankelijkheid’ en over derden communiceren versus over je eigen broodheer. Ik begrijp de theorie, maar hoe werkt dat in praktijk? Neem het voorbeeld dat Mark Deuze aanhaalt over Fox News. Fox News is theoretisch gezien onafhankelijk, de journalisten voelen zich er journalist. Ze informeren, agenderen, leveren kritiek. Maar tegelijkertijd worden de journalisten geacht om (maar weer even kort door de bocht) strikt vanuit Republikeinse standpunten te redeneren. Ze agenderen rechtse onderwerpen en bekritiseren linkse onderwerpen. Naar mijn idee zijn de journalisten daar wel degelijk gebonden aan inhoudelijke restricties. En geldt dat (in mindere mate) niet hetzelfde voor ‘linkse’ versus ‘rechtse’ opinieweekbladen, om maar wat te noemen? Wat is wat dit betreft dan nog – in deze praktische zin – het verschil tussen bedrijfsjournalisten en onafhankelijke journalisten? Is dat verschil er niet vooral in theorie? Bij bedrijfsjournalisten wéét je als publiek tenminste dat ze rekening moeten houden met organisatiebelangen, zoals Pieter Kuijt ook al betoogde.

  14. Pieter Kuijt schreef op 16 juni 2008 om 17:35

    Ik chargeer natuurlijk. Maar is het dan toch niet naief om het begrip ‘belang’ alleen te koppelen aan de afhankelijkheid van een broodheer? Alsof een belang alleen in geld is uit te drukken. Was het maar zo simpel. Immateriele zaken als status, maatschappijvisie of veel banaler, een journalist die een politicus gewoon niet mag, zijn minstens zo belangrijk. Journalistiek is nooit belangeloos. Dat geeft ook niet, als je er maar duidelijk en eerlijk over bent waarop keuzes en standpunten gebaseerd zijn. Lees de column van VK ombudsman Thom Meens van afgelopen zaterdag er nog maar eens op na. Hier ligt, denk ik, een schone taak voor de vakgroep “Journalistiek en Nieuwe Media”.

  15. Ik heb nog nagedacht over het voorbeeld dat Erik geeft over topsport.

    “En dat streven naar objectieve, pluriforme berichtgeving, is volgens Mark Deuze genoeg om dit werk als journalistiek te bestempelen. Niet de mate waarin je daarin slaagt.”

    Erik zegt hierover: “Maar dat is zoiets zeggen als het streven naar een record op 100 meter hardlopen altijd topsport is, ook al doe ik er 20 seconden over. Streven is belangrijk, maar er is meer nodig.”

    Dat zegt volgens mij meer over de kwaliteit dan over het begrip ‘journalistiek’ en of bedrijfsjournalistiek onder dat begrip te scharen is. Het is allebei immers te categoriseren als ‘sport’. En dat zelfs een topsporter langer doet over de 100 meter met wind tegen kan misschien nog wel een betere prestatie zijn prestatie zijn als een snellere tijd met een flinke rugwind. In de bedrijfsjournalistiek heb je per definitie meer wind tegen als het om openheid gaat. Ik blijf erbij dat journalistiek in essentie een ideologie is, een manier van denken, je ambitie en doorzettingsvermogen om het publiek te dienen met actuele, zo objectief mogelijke informatie. Of iets journalistiek is, is in mijn optiek niet mediumgebonden, niet uitgevergebonden, niet kwaliteitsgebonden. Journalistiek zit in je hart.

  16. Het beroepsprofiel van de bedrijfsjournalist wordt door de school voor de journalistiek in Utrecht alsvolgt gecommuniceerd: een bedrijfsjournalist is een professioneel handelende bedrijfscommunicator die doelgroepgericht informatie multimediaal communiceert en zo een bijdrage levert aan de communicatie van een bedrijf. De professionaliteit uit zich in het toepassen van een breed scala van journalistieke en communicatieve vaardigheden en het oordelen over het eigen beroepshandelen en over de journalistieke en communicatieve producten. De bedrijfsjournalist heeft een brede kennis van en inzicht in de pluriforme maatschappelijke werkelijkheid, zowel nationaal als internationaal en is in staat zijn kennis en inzicht ten behoeve van zijn producten snel en op onafhankelijke wijze te vergaren en te verdiepen.

  17. Monique de Knegt schreef op 19 juni 2008 om 15:43

    Toen ik vijf jaar geleden ontslag nam bij de GPD om te freelancen had ik bijna twintig jaar gewerkt voor kranten. In die twintig jaar kan ik twee voorbeelden noemen waarin ik tegen de grenzen van journalistieke afhankelijkheid ben aangelopen. In een van die twee voorbeelden nam de chef redactie het op tegen de uitgever en is er toch gepubliceerd.

    Als freelancer schrijf ik nog altijd met graagte voor de GPD maar enkele jaren geleden kwamen er ook andere opdrachtgevers op mijn pad. Zo heb ik op verzoek een tijdschrift gecoördineerd voor het ministerie van SoZaWe. Het moest een journalistiek product worden vol artikelen met echte mensen. Het werd de meest frustrerende opdracht die ik ooit heb uitgevoerd. Ik liep voortdurend tegen de grenzen van mijn journalistieke vrijheid op. Zodra gesprekspartners dingen zeiden die het ministerie onwelgevallig waren dan moesten ze geschrapt. Dus als Jonnie en Thérese Boer van toprestaurant De Librije zeiden dat de wieg van hun zoontje aan de vleeshaak in de keuken hing, dan moest dat eruit. Als een topchirurg vertelde dat ze extra lang doorwerkte in haar zwangerschap en ter bescherming van haar kind twee loden hesjes aantrok in de röntgenruimte, dan moest dat geschrapt. Als een politieman, wiens vrouw kapitein was op de Balkan, vertelde dat hij bij vroege diensten het lunchpakketje voor zijn 11-jarige dochter klaarzette en haar een mobieltje meegaf om te melden dat ze veilig was aangekomen op school, dan moest dat eruit. En zo meer. Ik liep in twee maanden tegen meer beperkingen op dan in de twintig jaar daarvoor.
    Journalisten proberen de werkelijkheid te beschrijven en soms is die onthullend. De meeste bedrijven en overheidsinstanties zitten niet op een werkelijkheidsbeschrijving te wachten als die niet overeenkomt met hun ideeën of belangen. Een journalist heeft lak aan die belangen en wordt daarom vaak als lastig ervaren. (Luis in de pels)

    Bedrijfsjournalistiek bestaat niet. Dat hoeft ook niet. Wat is er mis met het vak van voorlichter?

  18. Kan me voorstellen dat dat een frustrerende ervaring is geweest. De voorbeelden die je geeft, lijken me vrij onschuldig, zeker als je ze goed inkleedt. Het is soms ook een frustrerend vak. Net zoals ik de vrije journalistiek soms frustrerend vond. Als bedrijfsjournalist krijg ik bijna alles te horen van wat er speelt in en rondom organisaties, en moet ik vaak mijn uiterste best doen om die informatie gepubliceerd te krijgen – zelfs als het in mijn ogen evident is dat het delen van die informatie meer oplevert voor de organisatie dan het verzwijgen ervan. Als dagbladjournalist, rennend van het ene naar het andere onderwerp, had ik altijd het gevoel dat ik maar een fractie wist van een onderwerp, van wat er wérkelijk speelde in een organisatie, en moest ik mijn uiterste best doen om überhaupt aan voldoende en betrouwbare informatie te komen, voor de naderende deadline. Het zijn verschillende gevechten, maar met hetzelfde doel.

    Niet altijd hoeft de overstap van de algemene journalistiek naar de bedrijfsjournalistiek een louter frustrerende ervaring te zijn. Lees bijvoorbeeld deze column: http://www.bedrijfsjournalistiek.nl/artikel/33/revanche .

    En één frustrerend voorbeeld hoeft nog niet meteen iets te zeggen over alle 11.500 bedrijfsbladen in Nederland, of over de ervaringen van alle 8.000 bedrijfsjournalisten in Nederland. Alleen al binnen ministeries zijn er grote verschillen tussen hoe men tegen (open) communicatie aankijkt. Tegen elk voorbeeld van niet-journalistiek kun je een voorbeeld van wel-journalistiek zetten. Lees bijvoorbeeld deze passages uit de juryrapporten van de Grand Prix Bedrijfsmedia van personeelsblad BZ Blad (ministerie Buitenlandse Zaken):

    “Hoe krijg je zo’n blad voor mekaar bij het corps diplomatique van Buitenlandse Zaken? Dat was de eerste reactie van de jury (…) Een blad waar emotie de boventoon voert, waar in een feature over ‘liefde op het werk’ een homostel wordt opgevoerd en onze vertegenwoordiger in Afghanistan vrijelijk vertelt over zijn niet zo leuke ervaringen daar.” (…) “Op het gebied van journalistieke inhoud vallen vooral de onderwerpkeuze en invalshoek op. Geen projecten, maar mensen en de invalshoek is emotie. De artikelen zijn redelijk kritisch en voldoen altijd aan de journalistieke mores.” (…) “Een redactie die zendingswerk verricht in een van oorsprong conservatieve organisatie.”

  19. Rob Hartgers schreef op 20 juni 2008 om 14:26

    Ik ben een freelancer die voor publieksbladen, vakbladen en bedrijfsbladen werkt. Ben ik dan de ene keer wel journalist en de andere keer niet?

    Pleijter stelt het erg zwart-zit: publieksjournalistiek is echte journalistiek, de rest niet. Dat lijkt me geen zinnige tegenstelling. Een beetje naief ook, zeker voor iemand die zich wetenschapper noemt. Zoals hierboven vaker opgemerkt, is ook in de publieksjournalistiek ‘waarheidsvinding’ lang niet altijd het enige belang. Dat heeft Mark Deuze goed gezien.

  20. Paul Q de Vries schreef op 25 juni 2008 om 09:02

    Elke journalist heeft te maken met belangen van mensen als hij zijn stukken schrijft. Dat kan een adverteerder zijn of een management-team. Dat bedrijfsjournalistiek zich afspeelt in een bijzondere omgeving met bijzondere belangen is geen reden om het geen journalistiek meer te noemen.

  21. Pingback: Wat is bedrijfsjournalistiek? « Minor Bedrijfsjournalistiek

  22. Pingback: Geschrijf in bedrijf « Bedrijfsjournalistiek (door Remy)

  23. Pingback: ‘Gewone’ journalistiek of bedrijfsjournalistiek: voor consumenten even betrouwbaar « De nieuwe reporter

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>